is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 36, 03-09-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

377

voor hetzelfde profil bij den storm van 14 October 1881 's middags 12 uur binnengestroomd 240,000 M3. per sec, het profil bij een gemiddelden waterstand van 1.20 M. + AP. 102,000 M2. en dus de gemiddelde snelheid 2.35 M. per sec.

Voor het profil N. Holland—Wieringen—Friesland kunnen de snelheden, die bij stormvloeden kunnen voorkomen, niet met nauwkeurigheid worden bepaald, daar daartoe de noodige gegevens omtrent waterstanden ontbreken. Bij den storm van 14 October 1881 moet de uitstrooming door de profillen N. Holland— Wieringen en Wieringen—Friesland ongeveer het grootst zijn geweest op 12 ure in den middag toen de waterstand gemiddeld ongeveer 1.25 M. + AP. en de gezamenlijke profilsinhoud 158,000 M2. bedroeg.

Aangezien 's middags te 12 ure bij een reeds dalenden waterstand te Den Helder, tegelijk met ongeveer hoogwater te Harlingen, de waterstand te Stavoren nog sterk rijzende was, kan aangenomen worden dat de gemiddelde rijzing tusschen de lijn Ven—Roode Klif en de lijn over Wieringen niet groot zal geweest zijn, zoodat de hoeveelheid water die door het profil N. Holland—Wieringen—Friesland is ingestroomd, niet veel grooter kan geweest zijn dan door het profil Ven—Roode Klif, welke toen 240,000 M3. per sec. bedroeg.

De instroomingssnelheid moet dus = 1.52 M. ge-

& 158,000 ö

weest zijn. Dit is natuurlijk eene gemiddelde snelheid; in de meer diepere gedeelten van het profil zal de snelheid veel grooter geweest zijn. In gewone omstandigheden zijn de snelheden veel kleiner, zoodat aangenomen moet worden dat de grootte der profillen afhankelijk is van de snelheden die bij stormvloeden kunnen voorkomen.

Wanneer men dus zorgt dat het sluitgat zoodanige afmetingen heeft, dat de profilsinhoud niet veel kleiner is dan thans bij denzelfden waterstand in het profil Ven—Roode Klif wordt aangetroffen, dan zullen ook de stroomsnelheden, die daarin zullen voorkomen, niet grooter zijn dan thans bij stormvloeden worden waargenomen en dus zal er ook geen gevaar bestaan voor een belangrijke verdieping, zoolang het profil in het sluitgat nog niet is beperkt.

Dat dit evenmin het gevolg zal zijn, wanneer de beide sluitgaten, voor zoover de dijk niet is voltooid, zijn afgesloten door een overstortdam tot de hoogte van laagwater, kan uit het volgende blijken.

Zij de volgende schetsfiguur eene doorsnede van den overstortdam.

Rekent men voor maximum stormvloedshoogte 2.50 M. + AP en de hoogte van den dam 0.50 M. -f- AP., dan zal zoolang de binnenwaterstand blijft beneden 1.50 + AP. de afvoer over den dam, per Meter breedte en per seconde, bedragen 8.9 M3. volgens de formule A = 0.385 (Ji„ — z) p- 2g Qt0 z)

waarin h0 = waterdiepte aan de hoogwaterzijde van den dam, z = de hoogte van den' dam boven den bodem der zee, A = maximum afvoer over den dam per eenheid van breedte, welke plaats heeft wanneer \—s = 2/3 (li0 — z),

<

waarin /zt = waterdiepte aan de laagwaterzijde van den dam.

Is nu de binnenwaterstand 0.50 M. + AP., dan zou de waterdiepte beneden den overstortdam zijn 5,20 M., zoodat de snelheid op eenigen afstand van den overstortdam niet grooter zou zijn 8 9-

dan ^ = 1-7 M. per sec. welke snelheid geen belangrijke

verdieping zal veroorzaken.

Hierdoor is dus aangetoond dat het gevaar voor vorming van belangrijke geulen tijdens de uitvoering kan voorkomen worden.

Wat de constructie van den dijk aangaat, hiervoor kan verwezen worden naar bijgaande profillen; de constructie komt overeen met die voorgesteld door de Staatscommissie van 1870, en die gevolgd bij de afdamming van het Sloe. Op een grondstuk van voldoende breedte wordt een rijzen dam gezonken tot laagwater, waarop een kade aangelegd voor een hulpspoor tot vervoer van grond. Langs den rijzen dam wordt de dijk gemaakt, bestaande uit een lichaam van zand en eene bekleeding met klei boven laagwater. De buiten- en binnenglooiingen van laagwater tot de bermen worden van steenglooiing voorzien,

terwijl onder water het binnentalud tegen afslag voorzien wordt door zinkstukken en de glooiing van den rijzen dam door steenbestorting.

In de sluitgaten worden de grondstukken en de rijzen dam vervangen door een zwaar bestorte bezinking over 80 M. breedte en een zwaar, met steen verdedigden overstortdam met hellingen van 3 op 1.

De kruinshoogte van den afsluitdijk is aangenomen van N.-Holland tot Wieringen op 5.00 M. + A.P. en van Wieringen tot Friesland oploopende van 5.10 M. -f A.P. tot 5.50 M. + A.P. of gemiddeld 5.30 M. + A.P., overeenkomende met 5 M. boven gewoon hoogwater.

Bij het begin der werkzaamheden wordt op het Breezand, ongeveer in het midden tusschen Wieringen en Friesland, een eiland gestort, ter verkrijging van een verblijfplaats van werklieden, een opslagplaats van materialen en een veilige ligplaats voor de vaartuigen, die voor het werk noodig zijn; daartoe zal aan de zuidzijde een haven dienen aangelegd te worden. Dit eiland, dat eene lengte zal hebben van ongeveer 1000 M., zal een integreerend deel uitmaken van den afsluitdijk en worden daargesteld door een dam op te werpen van steen en de ruimte binnen dien dam, met uitzondering van het gedeelte dat tot haven zal dienen, te vullen met grond tot eene hoogte van 2 M. boven volzee, terwijl het verder door een dijk tegen de hoogste vloeden zal worden beveiligd.

De grond voor den afsluitdijk wordt ontleend aan het door Wieringen te graven afwateringskanaal, gedeeltelijk aan het langs den Frieschen dijk tot Harlingen te graven kanaal en aan de voortzetting van dit kanaal door de Makkumerwaard naar de afgesloten Zuiderzee.

De klei ter bekleeding kan gehaald worden uit het kanaal door Wieringen; de bodem toch bestaat uit zand en klei of leem; mocht geen voldoende hoeveelheid aldaar voorradig zijn, dan kan de klei worden ontleend aan den bodem van het Wieringermeer, mits namelijk het baggeren van de klei tijdig plaats heeft, om voldoende te kunnen droogen voordat die tot bekleeding der dijken kan gebruikt worden.

Verder wordt verwezen naar de lengteprofillen met de boringen en naar de situatieteekening. Uit een en ander blijkt dat de bodem voor het grootste gedeelte bestaat uit harden zandgrond en alleen op de Makkumerwaard en bij de van Ewijcksluis een klein veengebied wordt aangetroffen.

b. Sluizen en kanaal op Wieringen.

Tusschen Oosterland en Den Oever op Wieringen is geprojecteerd het 1000 M. breede kanaal en de sluizen ter gezamenlijke wijdte van 300 M., alle, werken ten behoeve van het op peil houden der afgesloten Zuiderzee. Voorts zijn ontworpen 2 schutsluizen ten behoeve van de scheepvaart, wijd 8 en 14 M.

De uitwateringssluizen zijn verdeeld in zes groepen, elk van vier openingen, ieder wijd 12.50 M.; tusschen elke twee groepen is een afstand van ruim 100 M.; dit is gedaan om te voorkomen dat bij een krachtig spuien het water over groote lengte de snelheid behoudt, die het in de sluis had.

Het kanaal door Wieringen is gesteld op eene breedte van 1000 M. bij eene diepte van 4.40 M. A.P., buiten de sluizen verminderende in breedte tot 500 M. tusschen de uiteinden der leidammen en vermeerderende in diepte.

Het doorstroomingsprofil van het kanaal binnen de sluizen zal dus zijn bij een waterstand van 0.40 M. A.P.: 4000 M2. en bij een waterstand van A.P. 4400 M2. De maximum afvoeren per sec. door de sluizen bij die waterstanden, berekend uit de formule opgegeven in hoofdstuk IV, zullen zijn 3690 M3. en 4260 M3., zoodat alsdan de gemiddelde snelheid in het binnenkanaal altijd nog kleiner zal zijn dan 1 M. per sec.

c. De bijkomende werken.

Hiertoe, behoort in de eerste plaats het kanaal Piaam—Harlingen. Dit wordt gelegd langs den bestaanden Frieschen dijk en zal gemeen liggen met Frieslands boezempeil. Bij Piaam zal eene schutsluis het kanaal in verbinding stellen met de afgesloten Zuiderzee; de afmetingen dezer sluis zullen zijn: slagdorpeldiepte 2.10 M. onder Frieslands boezempeil, sluiswijdte 8 M. en schutkolklengte 50 M.

Te Harlingen zal dit kanaal in verbinding gebracht worden met het kanaal Harlingen- Leeuwarden en door de bestaande sluizen met de buitenhaven. Door de Makkumerwaard zal langs den afsluitdijk een geul gebaggerd dienen te worden naaide te maken schutsluis, waartoe ten zuiden dezer geul een leidam dient aangelegd te worden. De grond uit deze geul en uit het kanaal zal gedeeltelijk gebruikt worden voor het verzwaren van den Frieschen dijk buiten de afsluiting.