is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 37, 10-09-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

388

dam wat grooter en de afwaaiing nabij den Ketel wat kleiner zal worden, waaruit dus mag afgeleid worden, dat na de indijking van het zuidoostelijk gedeelte de hoogste stand langs die indijking niet hooger dan ongeveer 1 M. + A.P. zal zijn. In verband hiermede is de kruinshoogte op 3 M. + A.P. bepaald, terwijl overigens hetzelfde type van dijk is aangenomen als bij de indijking van het Wieringermeer besproken, alleen ligt de voorkant van den buitenberm hier iets hooger, namelijk 1 M. + A.P.

Daar de dijk voor het grootste gedeelte loopt over vrij slappe kleigronden en bij noordwestelijken storm tijdens den aanleg vooral aan zwaren golfslag is blootgesteld, is in de begrooting een belangrijke post uitgetrokken voor grondverlies.

Door het leggen van dezen dijk wordt ingedijkt eene oppervlakte van 103,000 H.A., waarvan : 90,400 H.A. klei.

3,400 » lichte klei.

1,200 » zavel.

6,000 » diluviaal zand.

2,000 » zeezand.

Totaal 103,000 H.A.

Hiervan bfijft, na aftrek van kanalen, slooten, wegen, enz., 96,000 H.A. verkoopbaar land over.

Werken ten behoeve der belangen van afwatering en scheepvaart der omliggende landen.

Ter voorziening in de belangen van de scheepvaart van Elburg, Harderwijk, Nijkerk, de Eem en Huizen, alsmede in de afwateringsbelangen van de landen tusschen den Ketel en Muiden, zijn ontworpen:

1°. een kanaal van de Eem tot Muiden;

2°. een kanaal van de Klarenbeek (ten zuiden van Elburg) naar de Eem;

3°. een kanaal van de Papenbeek (ten zuiden van Elburg) naaiden IJsel.

Het eerste kanaal is te beschouwen als verlengde Eem en dient dan ook voornamelijk tot afvoer van het Eemwater. De Eem door den polder te leiden, zou aanleiding geven tot groote kosten, zonder dat daaruit belangrijke voordeelen zouden voortvloeien. Van de Eem loopt dit gedeelte van de ringvaart door den Gooischen Meent tot Huizen. Van Huizen volgt het kanaal de kust en loopt langs de hooge gronden van het Gooi tot even voorbij Muiderberg, waar het den dijk van den Noordpolder doorsnijdt, om verder, ten Noorden van het Muiderslot, in de haven van Muiden vrij uit te monden. De polders, welke op deze verlengde Eem zullen uitmonden, zullen dit waarschijnlijk steeds zonder bezwaar met de bestaande bemalingswerken kunnen doen. Het verlengen van de Eem met 20.5 K.M. zal natuurlijk niet zonder invloed blijven op de vérhanglijn. Om dezen invloed zoo gering mogelijk te maken, heeft men de afmetingen van de verlenging zoodanig gekozen, dat het peil bij den tegenwoordigen Eemmond na voltooiing der ringvaart bij maximum waterbezwaar en een meerpeil van 0.40 M. -f- A.P. ongeveer gelijk is aan den tegenwoordigen gemiddelden waterstand, d. i. 0.06 M. —■ A.P. Het vastgestelde profil nu is: 40 M. bodem breedte, 4 M. diepte en taluds van 3 op 1, zoodat het profil dus bij een peil van 0.40 M. A.P. een inhoud zal verkrijgen van 188 M2.

Wanneer men nu nagaat dat volgens het rapport der Hoofdingenieurs van Idsinga en van Rijn de maximum-afvoer van

de Eem kan gesteld worden op 53 M3 per sec.

en dat deze verlengde Eem bovendien zal af te voeren hebben het water van een gedeelte der Veluwe, der polders ten Oosten van de Eem, der Eem polders, van den Gooischen Meent en van eenige hooge gronden ten Westen van Naarden, waarvan de gezamenlijke afvoer kan gesteld worden op ongeveer 17 » » »

dan zal de afvoer der verlengde Eem kunnen zijn 70 M3 per sec. De gemiddelde snelheid zal dus niet grooter worden dan

_ = 0.37 M., waaruit volgt dat het verval over de geheele

188 ' °

lengte der rivier ongeveer 0.40 M. kan bedragen.

Daar dit gedeelte der ringvaart steeds in open gemeenschap staat met het IJselmeer, zal het aan weerszijden voorzien moeten worden van kaden hoog 2.00 M. + A.P.

Het tweede gedeelte dient van de Klarenbeek tot Harderwijk alleen voor afvoer van beekjes van den Veluwezoom. Van Harderwijk tot de Eem dient het tevens tot scheepvaartkanaal. Var

de Klarenbeek tot den dijk van den Arkemheenschen polder volgt het steeds de kust, om buiten kostbare ingravingen te blijven. Van daar volgt het tamelijk wel den dijk van Arkemheen, gaat tusschen de stoomgemalen van Arkemheen en den dijk door en gaat vervolgens even ten zuiden van Spakenburg om naar de Eem. Daar alle polders, die op deze ringvaart afwateren, voorzien zijn van eene krachtige stoombemaling (het gemaal bij Spakenburg zal alleen moeten worden verplaatst) kan haar peil zonder bezwaar tot A.P. rijzen en zal zij daarom in open gemeenschap worden gesteld met de Eem. Een schutsluis zal echter bij zeer groot waterbezwaar beletten, dat de ringvaart met Eemwater bezwaard wordt. De afmetingen zijn vastgesteld als volgt: van de Klarenbeek tot Harderwijk 2 M. bodembreedte, 0.50 diepte en taluds van 2 op 1 ; Van Harderwijk tot de Eem 10 M. bodembreedte, 2.10 M. diepte en taluds van 2 op 1. Bij deze profillen bedraagt het totaal verval van Harderwijk tot de Eem bij maximum waterbezwaar niet meer dan 0.20 M., terwijl in dat geval de maximum snelheid niet meer dan 0.29 M. per sec. bedraagt.

Het derde gedeelte dient van de Papenbeek tot Elburg alleen voor afwatering van een enkel beekje en van den Waterlandschen polder. Van Elburg tot den Ketel is het scheepvaartkanaal en tevens afvoerkanaal voor de polders Zuiderwaard, Haatland, Kardoezen, enz. Van de Papenbeek tot Elburg volgt de ringvaart buitendijks de kust; daarna loopt zij eveneens over buitendijksche gronden tot het uitwateringskanaal van 't Haatland, waar zij de kade van de Kardoezen doorsnijdt, en vervolgens zich door de Kardoezen, de Zuiderwaard, de Melm en de Vossenwaard naar den Uselmond richt, waarmee zij door eene schut- en uitwateringssluis in verbinding staat. Het peil van dit gedeelte is gelijk genomen aan dat van het IJselmeer, zijnde 0.40 M. -r A.P.

Hierdoor verkrijgt men het voordeel, dat de scheepvaart meestal zonder schutten zal kunnen plaats hebben; terwijl het benoemde peil voor de waterloozing van de polders alleszins voldoende is, daar thans de gemiddelde ebstand op de Zuiderzee bij Elburg slechts 0.25 M. — A.P. bedraagt.

De afmetingen van deze ringvaart zijn de volgende: het gedeelte Papenbeek—Elburg 1 M. bodembreedte, 0.50 M. diepte, met taluds van 1 op 1; het gedeelte Elburg—Ketel, 15 M. bodembreedte, 2.10 M. diepte, met taluds van 2 op 1. Bij deze profillen zal de hoogste stand te Elburg bij maximum waterbezwaar 0.10 M. -r A.P. bedragen. Om dit peil te verzekeren zal met het oog op de mogelijke hooge standen van het IJselmeer bij den Ketel een stoomgemaal van 60 P.K. worden geplaatst. De oevers der bovengenoemde ringvaarten zullen op verschillende plaatsen, waar het verkeer dit vereischt, door beweegbare bruggen worden verbonden. Met de Nijkerker haven staat de ringvaart in verbinding door eene schutsluis.

Door het maken van deze kanalen is op afdoende wijze voorzien in de afwatering van de omliggende landen; de scheepvaart van Elburg, Harderwijk, Nijkerk, Huizen en den mond der Eem, komt door het aanleggen van deze ringvaart in veel gunstiger toestand, daar alsdan de genoemde havens bereikbaar worden voor al de schepen die thans de Zuiderzee bevaren, wat nu volstrekt onmogelijk is.

Bemaling en werken binnen de indijking.

Wegens het verschil in diepte in verschillende deelen van de indijking is deze in drie afdeelingen verdeeld, elk met een afzonderlijk polderpeil. Voor de bemaling van deze polderafdeelingen is noodig een gezamenlijk vermogen van 6020 P.K. Voorts is op de plaat van de droogmaking de wijze van afwatering aangegeven.

Tevens is aangegeven welke afwateringskanalen in het bijzonder tot hoofdscheepvaartkanalen zijn bestemd. Door twee gekoppelde sluizen worden de poldervaarten in gemeenschap gebracht met het IJselmeer of met den zijtak daarvan naar Amsterdam, terwijl nabij Elburg, Harderwijk, Nijkerk, de Eem en Muiderberg ook gekoppelde sluizen de verbinding vormen van de ringvaart met de poldervaarten.

Binnen de indijking zijn vijf enkele schutsluizen ontworpen ter verbinding van de poldervaarten onderling, die in elke polderafdeeling gemeen liggen met het polderpeil.

De sluizen hebben evenals op de ringvaart eene wijdte van 8 M., eene slagdorpeldiepte van 2 M. en eene schutkolklengte van 50 M.

Voorts zijn geprojecteerd 28 beweegbare bruggen.

Voor zoover de afwateringsbelangen geene grootere afmetingen eischen, hebben de scheepvaartkanalen eene bodembreedte van 10 M. en eene diepte van 2.10 M. onder kanaalpeil.

Uit de begrooting van kosten volgt hieronder een uittreksel: