is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 37, 10-09-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

389

Omschrijving. Bedrag.

A. Werken ten behoeve van de belangen van afwatering en scheepvaart der omliggende landen.

a. Verlenging van de rivier de Eem tot Muiden f 3,400,000

b. Ringvaartkanaal van Harderwijk tot de

Eem met bijbehoorende werken. . . . »1,000,000

e. Ringvaartkanaal van Elburg tot den

Ketel met bijbehoorende werken ...» 800,000

d. Waterleidingen tusschen Elburg en Harderwijk » 300,000 f 5^500,000

B. Meerdijk. De dijk van Muiden tot den Ketel is lang 59,400 M.

Per strekkenden meter zijn gemiddeld noodig : Voor grondwerk in den dijk, gerekend in de middelen

van vervoer, 260 M3., waarvan hoofdzakelijk zand,

200 M3. ad f 0.40 f 80.00

en klei ter bekleeding, 60 M3. ad f 1.00 . . » 60,00 Voor verlies wegens inzakking en afslag wordt

gerekend in de middelen van vervoer, 150 M3.

ad f 0.40 » 60,00

Zinkstukken tot verdediging van den teen en

de buitenglooiing, 16 M2. ad f 2.50 ...» 40.00

Steenglooiing 4.40 M2. ad f 5.00 » 22,00

Steenstrook, 1 M2. ad f 3.00 » 3,00

Bezoding en bekramming, 50 M2. ad f 0.20 » 10.00 Tijdelijke voorziening van de binnenglooiing en

ter afronding » 15.00

per M. te zamen . . f 290.00 A„„ of over 59,400 M1. M7,226,000

C. Stoomgemalen, droogmaking en drooghouding.

1°. Stoomgemalen van 6020 P.K. met inbegrip van tijdelijke inrichtingen gedurende de droogmaking ad f1200.— per P.K f 7,224,000

2°. Droogmaking en drooghouding te zamen in 8jaren:

a. droogmaking f 340,000

b. drooghouding » 1,870,000

— » 2,210,000

D. Werken binnen de indijking. f 9,434,000

1°. Afwaterings- en scheepvaartkanalen te zamen lang 170 K.M.: grondwerk in profil, 16,300,000 M3. ad

f 0.40 ' f 6,520,000

28 beweegbare bruggen » 280,000

2 schutsluizen tusschen het IJselmeer

en de indijking » 180,000

5 schutsluizen tusschen de ringvaarten

in de indijking » 450,000

5 schutsluizen binnen de indijking . . » 300,000

: f 7,730,000

2°. Verkaveling:

103,000 H.A. ad f 120.— . . - » 12,360,000

£20,090,000

E. Toezicht, onderhoud, onvoorzien en ter afronding f' 5,250,000 Recapitulatie. Afdeeling A . . . . f 5,500,000. » B . . . . » 17,226,000. » C . . . . » 9,434,000. » D . . . . » 20,090,000. » E . . . . » 5,250,000. Te zamen . . _r57^500,000.

Het Ve Internationale Congres voor Binnenlandsche Scheepvaart te Parijs. (*)

(Vervolg van blz. 381.) Vierde Sectie. Verbetering van beneden-rivieren.

De negen over dit onderwerp geschreven en rondgedeelde rapporten behoorden zonder twijfel tot de meest lezenswaardige van het Congres.

(1) In het eerste gedeelte van mijn verslag deelde ik op blz. 379 van het voorgaand nummer, bij de bespreking van de oevervoorziening van kanalen, mede, dat prof. Schlichting in zijn rapport vele gegevens ontleend heeft aan de nota van oeververdediging van wijlen onzen landgenoot P. C. van Kerckhoff, voorkomende in het Tijdschrift van het Kon. Instituut van Ingenieurs, jaarg. 1888/89.

Elk rapport bevatte de geheele geschiedenis van de plaats gehad hebbende verbetering der rivier of de plannen, die men nog wenschte uit te voeren.

Nederland was hier waardig vertegenwoordigd door een rapport van den heer Welcker over den Rotterdamschen Waterweg; een rapport dat men in de handen van ieder Nederlander zoude wenschen, om daaruit te laten zien, hoe die Waterweg aan welks welslagen men zoo lang twijfelde, uitstekend aan de eischen van de groote scheepvaart voldoet.

Verder waren rapporten geschreven door de HH. Franzius over de Weser, Troost en Van der Vin over de Schelde, Corthell over de Amerikaansche rivieren, Guérard over de Rhöne, Mengin-Lecreülx over de Seine, Bela de Gonda over den Donau, de Timonoff over de Wolga, en Vernon-Harcourt over verbetering van beneden-rivieren in het algemeen, benevens mededeelingen van proeven door hem genomen met modellen van rivieren, op kleine schaal.

De werkzaamheden waren weder als in de andere secties zóó ingericht, dat eerst de schrijvers hunne rapporten toelichtten en men daarna tot de algemeene discussiën overging.

De heer Welcker, die zijne voordracht over den Rotterdamschen Waterweg nog met eenige kaarten en lichtdrukken duidelijk maakte, had hier even de gelegenheid den heer Franzius onder het oog te brengen, dat door hem in zijn rapport over de verbetering van de Weser, wel wat opvallend den naam van den heer Caland werd vergeten. De eenige verdediging van den heer Franzius was hierop, dat hij den naam van den heer Caland in zijne leerboeken niet had vergeten. (Neemt men de moeite om het «Handbuch der Ingenieurswissenschaften» III Band, Ille Abt «Der Wasserbau» blz. 208 en 209, uitgave 1884, op te slaan, dan ziet men werkelijk, dat de naam van den heer Caland daarin voorkomt, doch niet op die wijze, den schrijver van een der meest wetenschappelijke werken over de werking van eb en vloed op beneden-rivieren en den vader van den Rotterdamschen Waterweg waardig).

Zooals overal en hier ook op het Congres «preekte iedereen voor zijne eigene parochie» zooals de heer Mengin-Lecreulx het geestig uitdrukte, waarvan het gevolg was, dat er allerbelangrijkste discussiën plaats hadden, die tot verschillende conclusiën leidden, welke door den heer Mengin aan de algemeene vergadering zouden worden overgelegd.

Op voorstel van den heer Vernon-Harcourt werd bij het nemen van conclusiën onderscheid gemaakt tusschen beneden-rivieren met en zonder vloedwerking.

Zij luidden aldus :

Rivieren zonder vloedwerking.

1°. Wanneer men door studiën of beter nog door voorafgaande proeven tot de wetenschap is gekomen, dat men niet moet baggeren, zoo bestaat de eenige methode, om den mond van slibhoudende rivieren welke in zeeën zonder vloedwerking uitloopen, daarin, dat men, eene van de armen van de delta door dammen verlengt tot aan de baar, zoodat de zinkstoffen, door vermeerderde stroomsnelheid over de baai heen, in diep water komen.

2°. Men moet een der kleinste armen hiertoe kiezen, wanneer deze aan de eischen van de scheepvaart voldoet of gemakkelijk daartoe geschikt kan worden gemaakt, terwijl men moet zorgen, dat er geene storing in de afstrooming door de andere armen plaatsheeft. De deltavorming neemt bij een van de kleinere armen langzamer toe, de baar ligt dichter bij, zoodat de kosten van de dammen geringer zijn, terwijl de vermeerdering van de watermassa door het vernauwen van een der grootere armen het slibgehalte vermeerdert, de deltavorming sneller plaats heeft en daardoor de verlenging van de dammen eerder noodig is.

3°. Het welslagen van dit dammensysteem hangt af van de snelle verdieping van de zee tegenover den mond, van de fijn- en lichtheid der slibdeelen en van het bestaan en de snelheid van een kuststroom.

Alle afnemende werkingen, welke wind en golven op de deltaoevers uitoefenen en ook elke vermindering van de dichtheid van het zeewater, zooals bijvoorbeeld in binnenzeeën plaats grijpt, zijn voor dit systeem gunstig.

4°. Is de bodem der zee vlak, is het grootste gedeelte der bezinkingsstoffen zeer dicht, zoodat zij op of dicht langs den bodem meegevoerd worden, ligt de mond tegengesteld aan de heerschende winden of is er geen kuststroom, zoo kan de verbetering van den mond onmogelijk zijn. Men moet dan een zijkanaal maken, hetwelk op een zekeren afstand, stroomopwaarts, begint en in zee op zoodanige plaats uitloopt, waar de zinkstoffen van de rivier geen werking meer uitoefenen.

5°. Het dammensysteem geeft geene voortdurende verbetering, want vroeger of later, afhangende van gunstige of ongunstige physieke werkingen, vormt zich een nieuwe baar, welke de verlenging van de dammen noodig maakt.

Z.H.G. heeft zich echter vergist bij het overnemen der kosten, — ten minste in het Fransche exemplaar, — door den gulden gelijk te stellen aan den frank, zoodat oningewijden bij het lezen van het rapport van prof. Schlichting den indruk moeten krijgen dat ten onzent de kosten van oeververdediging al zeer gering zijn.

Ook van de. constructie der oeververdediging, toegepast bij het kanaal door Walcheren en bij dat van Ter Neuzen, geeft Z.H.G. eene verkeerde voorstelling, doordat hij de op de teekeningen van den heer Van Kerckhoff aangegeven vleilagen onder de steenbezetting heeft aangezien voor planken. H. P. J. de Vries.