is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 42, 15-10-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

439

|Card tras

Kü id-

tortel .

tras

Cmtras

tortel'.

, 1'

""Ho

dat de meest gebruikelijke mortels van 10 deelen schelpkalk en 62/3 deel zand, vrij wat meer vastheid hebben dan die van 10 deelen vette kalk, 3 deelen tras en 6^2 deel zand.

Niemand toch zal het droogblijvend binnenwerk optrekken in de niet versteende kalkmortel van vette steenkalk; maar ook niemand zal er aan denken, krachtiger mortel dan de even genoemde slappe bastaard tras toe te passen.

Als nu de schelpkalkmortel niet alleen veel beter, maar bovendien nog goedkooper is dan deze bastaardspecie, is er m. i. alle reden om de schelpkalkmortel boven deze te verkiezen.

Dat het gebruik van waterkalk voor werk als binnenmuren, schoorsteenen, brandvrije gewelven en dergelijke niet aanbevelenswaardig is, zal ieder — die het niet reeds uit de ondervinding weet — duidelijk zijn, als het bij punt 2 aangevoerde aandachtig is gevolgd.

Thans komen wij aan het vierde, zeker het meest besproken punt van alle.

Hoe vaak al heeft men door proefneming getracht aan te toonen dat de mengverhoudingen der A. V. aanleiding geven tot veel te vette mortels; men zou voor minder geld veel betere kunnen bekomen, enz. en toch, men schijnt — en m. i. terecht, — slechts noode over te gaan tot schralere speciën, zooals uit het navolgend overzicht van de officieele samenstellingen der mortels in den loop dezer eeuw het best kan blijken.

SteenkalkmorteJ.

1820.

1856.

1872.

10 k. 0 z. 5 t.

10 » 5 » 5 »

10 » 62/3 » 31/3»

10 » 10 » 0 »

10 k. 0 z. 6% t.

10 » 5 » 5 »

10 » 62/3 * 31/3 »

10 » 10 » 0 »

10 k. 0

10 » 6 10 » 9 10 » 12

z. 10

» 6

» 3

» 0

1882.

10 k. 0 z. 673t.

10 » 5 » 5 » 10 » 62/3» 31/3» 10 » 10 » 0 »

Schelpkalkmortel.

1820.

10 k. 0 z. 5 t,

10 » 3 » 3 »

10 » 4 » 2 »

10 » 62/3 » 0 »

1856.

1872.

10 k. 0 z. 6 t.

10 » 2'/2 » 5 »

10 » 55/6 » 31/3 »

10 » 7 » 0 »

10 k. 0 z. 8

10 » 4 » 4

10 » 6 » 2

10 » 8 »

1882.

10 k. 0 z. 10 t. 10 » 2'/2 » 5 t 10 » 5»/6» 31/3» 10 » 6*U » 0 »

"Welke de oorzaak is dat de A. V. van '82 in dit opzicht deels weer terugkwam op de mengverhoudingen in '56 voorgeschreven, is mij niet in alle opzichten duidelijk; doch welke die ook zijn moge, er spreekt uit deze tabellen — in strijd met sommiger bewering dat zelfs geen rekening is gehouden met de verbeterde wijze van branding — een voorzichtig zoeken en streven naar verbetering, waarvan ik gunstiger resultaten verwacht dan van samenstellingen, gebaseerd op trekproeven van mortelstaafjes na enkele weken verharding,

Dat schrale mortels, op korten termijn — en wel te korter naarmate de mortel schraler is — meer weerstand bieden dan vette mortels, is even duidelijk als het feit dat hare versteening na betrekkelijk korten tijd, door ontbinding wordt vervangen.

Vette mortels daarentegen, nemen nog na tientallen van jaren in sterkte en hardheid toe, zooals blijken mag uit de volgende feiten :

le. De blijkbaar onder streng toezicht, bij de Genie van 1840—'45 uitgevoerde metselwerken in klinkers van St. t. bleken in 1873 zoo ontzettend hard en zoo volmaakt gehecht, dat het gewone sloopen ten eenenmale onmogelijk was.

2e. De, mede door de Genie, gedurende de vorige en de eerste helft dezer eeuw, uitgevoerde metselwerken van allerlei aard, sluismuren, beeren, bekleedingsmuren, regenbakken, fundamenten, zware opgaande binnen- en buitenmuren van gebouwen, enz., bleken inwendig zoozeer verhard en zoo goed gehecht, als mij in het algemeen genomen, nooit te voren of later bij het z. g. burgerwerk — wat meerendeels in schrale specie wordt uitgevoerd — is voorgekomen.

Ik zou deze voorbeelden met nog vele kunnen vermeerderen, doch waartoe?

Ieder die op dit gebied eenige ervaring heeft, zal toegeven, dat vette mortels vooral na eenige jaren veel harder en veel beter gehecht blijken, dan schrale.

Mijne meening dat de z. g. vette mortels beter zijn, baseert nog op de volgende ervaringen van schrale mortels.

a. Hebben de steenen niet den juisten graad van winddroogte (zijn zij b. v. een weinig te nat, dan loopt de mortel; zijn zij een weinig te droog dan korst de mortel) dan worden de voegen zeer groot of niet vol en het werk drijft of wordt door kloppen ineengedrongen; de aanhechting is weg, en slechte, licht inwaterende muren zijn verkregen.

b. Muren in die mortel gebouwd zijn bij de minste gelegenheid om vocht tot zich te nemen altijd vochtig, het sloopen ervan is gemakkelijk, terwijl de steenen, gemeenlijk meer dan half vrij van mortel, uit het puin te voorschijn komen, en

c. Schrale pleistermortels zijn — door de capulaire werking der massa — vaak oorzaak geweest van vochtigheid bij muren, die overigens daartoe geen aanleiding gaven.

Juist deze laatste ervaring noopt mij, mijnen geachten lezers in herinnering te brengen, wat in mijne brochure van Maart '91 is gezegd over de voordeelen van schelpkalk boven steenkalk. — Zie pag. 19 onderaan.

Immers moet men om het scheuren en loswerken te voorkomen bij toepassing van vette kalk voor muurbepleisteringen, steeds zijn toevlucht nemen tot zeer schrale grondlagen, die met een weinig weerstand biedende deklaag van witte (gips?) kalk wordt afgewerkt..

Voor bepleisteringen waarbij schelpkalk is toegepast, kunnen de grondlagen vetter zijn, terwijl de deklaag zoo hard en dicht wordt, dat zij na eenige jaren eene cementbepleistering nabijkomt.

De betere hoedanigheden, hier vermeld, zijn mij uit ervaringen aan het oude ziekenhuis alhier, zoo overtuigend gebleken, dat ik een ieder ten zeerste aanraad, bij muren die nu en dan afgewasschen — gedesinfecteerd — moeten worden, steeds schelpkalk toe te passen, ook voor de bepleisteringen.

Omdat in de officieele mengverhoudingen, voorkomende in de A. V. van Genie en Waterstaat, de behandelde principieele verschillen in toepassing van mortels zijn over het hoofd gezien, ben ik zoo vrij, op grond van deze en andere overwegingen, de navolgende aanvulling voor te stellen.

De mortels worden onderscheiden in trasmortels en cementmortels; de eerste mogen alleen worden toegepast bij werken met een constanten graad van vochtigheid; de laatste voornamelijk bij werken met een afwisselenden graad van vochtigheid en bij die waarbij spoedig vorst is te verwachten.

De mengverhoudingen zullen zijn als volgt:

Benaming i a Waterkalk. Schelpkalk. Vette kalk.

der -g g> =================

trasmortels. £ Kalk Zand TrasJKalk. Zand. Tras. Kalk. Zand. Tras.

Kalkmortel .... K. m. 10 10 - 10 8 - 10 8 3

Slappe bastaard trasm. SI. b. t. 10 8 2 10 6 2 10 6 4

Bastaard trasmortel . B. t. 10 6 4 10 4 4 10 4 6

Sterke trasmortel . . S. t. 10 - 6 10 - 8 10 - 10

Benaming £ g _ , .

DER w> Schelpkalk. Zand. Cement. Aanmerkingen.

cementmortels. pi +3

———£)e opgegeven cijfers stellen

Slappe bastaard cementm. Sl.C. 1 5 1 naar inhoud de hoeveel-

Bastaard cementmortel . B. C. 2 3 1 heden voor drooggemeten,

Cementmortel O. - 2 1 zonder schudden, m bakken,

Sterke cementmortel . . S. C. — 1 1 waarvan de diepte niet meer

dan 0.5 M. mag bedragen.

Ik heb er hierbij naar gestreefd de verschillende kalksoorten zoodanig te vermengen dat de gelijknamige mortels zooveel mogelijk dezelfde qualiteiten zouden hebben; maar toch is het — afgescheiden van de prijzen — nog niet om het even welke kalk voor eenig werk wordt toegepast.

Waterkalk b. v. verkies ik boven andere zoodra het werken betreft die kort na den bouw aan stroomend water moeten weerstand bieden. Vette kalk heeft bij mij den voorrang zoodra er sprake is van waterdichte wanden, vloeren of beklampingen, doch in het algemeen genomen ben ik een groot voorstandervan schelpkalk.

Botterdam, September 1892. G. J. Struyk.