is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 43, 22-10-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

455

Van dien tijd ook dagteekenen de uitbreiding onzer groote steden, welke ons die stadskwartieren met hun eigenaardige physionomie hebben geschonken. De speculatiebouw leidde tot een artistiek proletariaat, maar ook tot een vlucht in de kunstnijverheid. Daarnevens valt te letten op den stoot aan de bouwkunst gegeven door de katholieke kerk, die in haar — in den gunstigen zin — een geschikt agitatiemiddel zag. De kerkelijke kunst kwam daardoor opnieuw tot ontwikkeling. Op de keuze van het bouwmateriaal wordt meer gelet. Het pleister gaat verdwijnen voor bergsteen en terracotta. Het ijzer begint op den voorgrond te treden. De invloed van de architecten op de kunstnijverheid — nog wel eens gelaakt — leidde tot een betere waardeering van de artistieke eischen van het binnenhuis. Maar ook de wetenschappelijke bouwkunst ontwikkelt zich; met haar de wetenschap der constructie. Meer en meer komen er wetenschappelijk gevormde architecten, waaraan voor geen gering deel de groote vlucht der bouwkunst in de groote steden te danken is. Ook uit dit tijdperk noemt de spreker een aantal gebouwen: zoo de groote opera te Parijs, het Palais de Justice, het Tribunal de Commerce, de Halles Cen¬

trales, en onder de kerken, de Samte lrmite, de Samte Ambroise, meest onder den invloed van Napoleon III en Hausmann ontstaan. In Duitschland onder de regeering van Friedrich Wilhelm, — het raadhuis te Berlijn; de baksteenbouw te Hannover. Hier herinnerde de spreker aan de pogingen te München, waar vergeefs beproefd is het scheppen van een nieuwen bouwstijl, en aan de reactie in de bouwkunst in Weenen, en andere Europeesche steden.

De tentoonstelling in Weenen in 1873 bracht in geheel Duitschland een ommekeer in de bouwkunst te weeg.

Een aantal steden in Zuid- en Noord-Duitschland leverden onder dien invloed belangrijke bouwwerken.

Na 1870 is van Frankrijk geen invloed meer uitgegaan. Van dien tijd gaat hij uit van Duitschland, waar een eigen bouw voor stations, voor tentoonstellingsgebouwen en ook voor protestantsche kerken ontstaat. De protestantsche kerkenbouw in Duitschland heeft thans een eigen en zelfstandig karakter. Bij al die bouwwerken wordt rekening gehouden met de eischen van het moderne leven, daaronder niet het minst met de hygiëne. Keulen, Frankfort en Bremen geven het voorbeeld van eene goede uitbreiding van steden, die in ons land reeds gevolgd is door Nijmegen. Daarnevens ontwikkelt zich de bouw van het deftige woonhuis, wat aanleiding geeft tot den aanleg der villa-koloniën aan den buitenkant der steden, — en ook de pittoreske bouwkunst, o. a. met hare Engelsche cottages.

Scholen voor handwerkslieden, kunstnijverheidscholen en scholen voor wetenschappelijke bouwkunst worden in het leven geroepen; de constructieleer en het architectuur-teekenen verkeeren in een tijdperk van vooruitgang en ontwikkeling.

Toch heeft dit alles nog niet er toe geleid dat al wat gebouwd wordt, aan de eischen van het schoone voldoet, dit hangt samen met de bekwaamheden van den architect, maar ook het publiek doet niet altijd het zijne, om zich van het beste te verzekeren.

Wat het Rijk aangaat, dit meent het met zijn ambtenaren, en de gemeente gelooft het met zijne gemeente-ambtenaren te kunnen doen, en deze kunnen aan gewichtige bouwstukken niet altoos al hunne aandacht wijden. In het tijdvak na 1870 ontstaan in Frankrijk, te Parijs een aantal nieuwe gebouwen voor een deel ter vervanging van de door de Commune verwoeste gebouwen. Daaronder munten uit het Übtei-Dieu, het krankzinnigengesticht Sainte Anne en de magazijnen van de Printemps. Te Berlijn, in 1871 rijkshoofdstad geworden, ontwikkelt zich evenals in vele andere Duitsche steden eene krachtige werkzaamheid ; ten bewijze daarvan de Friedrichstrasse, den Thiergarten, het hotel Kaiserhof en de stations der Stadtbahn. Te Weenen is de ontwikkeling na 1870 wel het krachtigst: het Ringtheater, het stadhuis, de. Votivkirche, het parlementsgebouw en verschillende musea maken van Weenen thans wel de meest belangwekkende stad in Europa uit bouwkundig oogpunt.

Aan het eind deed de spreker nog uitkomen den gewichtigen rol door Engeland op architectonisch gebied vervuld en blijkbaar uit bouwwerken als het Justice Palace, het Charingcross hotel. Vernuft, inachtneming van comfort en hygiëne ter verspreiding van artistieke bekoorlijkheid zijn almede heerschende trekken der hedendaagsche Engelsche architectuur; in België, waar vóór 1870 de trant van Parijs gevolgd werd, ontstonden na dat jaar de Banque Nationale, de Beurs en het Palais de Justice te Brussel, maar verdienen vooral de aandacht de specimina van bouwwerken die op den grondslag der Vlaamsche renaissance werden vervaardigd. Eene bloemlezing uit de bouwwerken, die na 1870 in Nederland zijn ontstaan, behield de spreker zich voor in eene volgende bijeenkomst te geven.

Den spreker werd dank betuigd, die daarvan een deel overbracht op prof. Gugel, die hem in staat gesteld had de aanwezigen kennis te doen maken met het uitgebreide platenmateriaal, dat hier rondging.

Besluit tot instelling van de centrale commissie voor de statistiek.

Bij Kon. besluit van 6 October j.1. (Stbl. n°. 232), is ingesteld eene Centrale Commissie voor de Statistiek. Het besluit luidt als volgt:

Art. 1. Er wordt ingesteld eene Centrale Commissie voor de Statistiek, die haar zetel heeft te 's-Gravenhage

Art. 2. De Centrale Commissie voor de Statistiek is belast met:

a. het geven van advies en het maken van ontwerpen betreffende de statistiek ten behoeve van de Departementen van Algemeen Bestuur en, op verzoek van zoodanig departement, ten behoeve van andere openbare besturen en autoriteiten;

6. het verzamelen, bewerken en publioeeren van statistische opgaven, die zij voor practijk of wetenschap nuttig acht, voor zoover de te harer beschikking gestelde middelen het toelaten.

Art. 3. Zij dient van bericht en raad op alle stukken betreffende de statistiek, die door de Hoofden van de Departementen van Algemeen bestuur in hare handen worden gesteld. Zij vestigt ook harerzijds de aandacht op hetgeen strekken kan tot bevordering van de nauwkeurigheid en volledigheid der van Regeeringswege gepubliceerde statistische opgaven.

Zij overweegt daarbij steeds in het bijzonder de wjjze, waarop het zekerst de meest betrouwbare gegevens voor de statistiek worden verkregen.

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, wordt van Kegeeringswege omtrent een nieuw onderwerp van statistiek geen onderzoek ingesteld, noch in een onderzoek, dat reeds pleogt te geschieden, verandering gebracht, dan nadat de Centrale Commissie is gehoord.

Art. 4. Zij bestaat uit niet minder dan twaalf leden, die benoemd en ontslagen worden door de Koningin. De Koningin wijst uit de te 's-Gravenhage gevestigde leden een als voorzitter en een als ondervoorzitter aan.

De Commissie heeft een secretaris, die eveneens benoemd en ontslagen wordt door de Koningin en woonplaats heeft te 's-Gravenhage.

Ter beschikking van de Commissie worden de ambtenaren en bedienden gesteld die zij voor de uitvoering van hare taak behoeft, en die werkzaam zijn onder den secretaris.

Deze worden na voordracht yan de Commissie, benoemd en ontslagen door den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Art. 5. De leden worden benoemd voor zes jaren. De helft treedt, volgens een door den Minister van Binnenlandsche Zaken goedgekeurden rooster, om de drie jaren af.

De aftredenden zijn dadelijk weder herbenoembaar.

De eerste aftreding heeft plaats op 1 Januari 1895.

Die ter vervulling eener plaats, buiten den bn den rooster bepaalden tijd opengevallen, tot lid benoemd is, treedt af op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats hij is benoemd, moest aftreden.

Bij aftreding, ontslag of overlijden van een der leden zendt de Centrale Commissie, ter vervulling van diens plaats, eene aanbeveling aan den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Art 6. De leden en de secretaris genieten reis- en verblijfkosten.

De secretaris geniet eene vaste jaarwedde.

Art. 7. De Commissie legt jaarlijks vóór 1 Juni aan den Minister van Binnenlandsche Zaken eene begrooting voor, behelzende de jaarwedden of belooningen der onder den secretaris werkzaam zijnde ambtenaren of bedienden, de reis- en verblijfkosten, de kosten van bureauen lokaalbehoeften en drukwerk, schrijfloonen, de kosten der bibliotheek en verdere uitgaven voor het volgend dienstjaar.

Art. 8. De Commissie correspondeert ter zake van het geven of vragen van adviezen of inlichtingen rechtstreeks met openbare besturen en autoriteiten en bijzondere vereenigingen en personen.

Art 9 Zij verzamelt zooveel doenlijk alle stukken betreftende de statistiek' van Nederland en zijne koloniën en overzeesche bezittingen.

"7;i n^txra-na-t BBii exemplaar van alle statistische bescheiden door

openbare besturen en autoriteiten uitgegeven.

Art 10. Onder de goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken stelt zij een reglement van orde vast voor hare werkzaamheden. „ • . . ,

Art. 11. Zij houdt jaarlijks te 's-Gravenhage drie gewone vergaderingen^ die geopend worden op de dagen, in het reglement van orde te bepalen. . , , ., ,.

Buitengewone vergaderingen kunnen worden gehouden op uitnoodiging of met goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Art 12 De dagelijksche leiding en uitvoering van zaken behoort aan den voorzitter of, bij diens ontstentenis, aan den onder-voorzitter, die daarin worden bijgestaan door den secretaris. _

Stukken van of namens de Commissie uitgaande, worden door den voorzitter en den secretaris onderteekend

In elke vergadering der Commissie doel de voorzitter mededeehng van hetgeen door hem sinds de laatste vergadering is verricht.

Art. 13. De Commissie kan de voorbereiding van hetgeen, waarover zij heeft té besluiten, aan suboommissiën opdragen.

De vergaderingen der suboommissiën kunnen op hare uitnoodiging door andere deskundigen worden bijgewoond.

Met goedvinden van den Minister van Binnenlandsche Zaken kunnen leden eener subcommissie ook elders dan te 's-Gravenhage vergaderen of op andere wijze werkzaam zijn ten behoeve van de uitvoering van de haar door de Centrale Commissie opgedragen taak.

Art 14 Jaarlijks voor 1 Maart doet de Centrale Commissie aan den Minister van Binnenlandsche Zaken verslag van hare werkzaamheden in het afgeloopen kalenderjaar, welk verslag in de Staatscourant wordt geplaatst.

Bij den uitgever J. L. Beijers te Utrecht verscheen een vlugschrift van den heer R. Haagsma, civiel-ingenieur, over Jivenreaige Vertegenwoordiging. De heer Haagsma geeft daarin twee voorbeelden van evenredig kiesstelsel.

BENOEMINGEN, VERPLAATSINGEN, ENZ.

Ter vervulling der vacature ontstaan door het eervol ontslag van den heer Plasschaert, en tot nadere regeling van het onderwijs in hand- en rechtlijnig teekenen aan de Hoogere Burgerschool en de Burger Avondschool te Delft, zijn benoemd