is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs jrg 7, 1892, no 48, 26-11-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

506

dam kan niet anders dan een gunstigen invloed hebben op de kosten der later te verrichten baggerwerken tot verbetering en onderhoud der vaargeul, terwijl met der tijd de bergplaats een polder zal vormen bijna geheel op Rijkseigendom, die eene vrij aanzienlijke waarde zal vertegenwoordigen.

Op de loopende begrooting is een bedrag van f 7700 uitgetrokken, dat in verband met het bovenstaande zal moeten worden verhoogd met ongeveer' f 95,000.

Voor 1893 zal noodig zijn f 170,000, te splitsen als volgt:

13de en 14de termijnen van betaling van den strekdam in het Open IJ, bestek no. 134, dienst 1889/91 . . f 46,000.00

Verdediging van den voet der beloopen van den dam

met zinkstukken en perkoenrijen 40.000.00

Vermoedelijk te kort komend zand in 1893, waarvoor den aannemer, volgens de besteksbepalingen moet worden

bijbetaald 9,100.00

De helft der kosten van een aan te leggen dam tot

vorming eener bergplaats voor baggerspecie 59,750.00

Onvoorziene uitgaven, toezicht enz 15,150.00

f 170,000.00

Art. 131. Dekking der uitgaven begrepen in de begrooting " der Staatsspoorwegen.

Wij komen hierop in een volgend nommer terug. Art. 133. Kon. Ned. Meteorologisch Instituut.

«Het Koninklijk Nederlandscb Meteorologisch Instituut te Utrecht is tot heden gevestigd in een der universiteitsgebouwen «Zonnenburg".

Deze localiteit is sinds lang voor den meteorologischen dienst ongeschikt gebleken. Reeds de hoogleeraar Bovs Ballot heeft daarop herhaaldelijk gewezen en de noodzakelijkheid betoogd van de overbrenging van den meteorologischen dienst naar een nieuw, afzonderlijk gebouw. Behalve dat het tegenwoordige gebouw uit een hygiënisch oogpunt geheel onvoldoende is, — zelfs in die mate, dat de daarin tot dusverre wonende ambtenaar, na overlegging van een geneeskundigattest, waaain het gebouw gevaarlijk voor de gezondheid werd genoemd, elders is moeten worden gehuisvest, — is de inrichting door de uitbreiding der stad Utrecht, — het gebouw bevond zich eertijds aan de grens van de kom dier gemeente, —■ meer en meer ongeschikt geworden voor het doen van juiste meteorologische waarnemingen.

Vooral de waarnemingen der temperatuur, welke geheel onder den invloed staat van eene bevolkte omgeving, laat zeer veel te wenschen over.

Na het omtrent deze aangelegenheid gepleegd overleg, is de zaak thans zoover gevorderd, dat aanvankelijk een plan is kunnen worden gemaakt voor de stichting van het nieuwe gebouw, met inbegrip van een afzonderlijk gelegen gebouwtje voor magnetische waarnemingen.

Het voor die stichting te koopen terrein zal niet slechts behooren te voldoen aan den eisch, dat de temperatuur-waarnemingen niet den vorengenoemden nadeeligen invloed ondervinden; maar tevens, dat zich op te korten afstand geene spoorwegen, fabrieken, verdedigingswerken enz. bevinden, die eveneens een beletsel zouden kunnen opleveren voor juiste meteorologische waarnemingen. Ondanks dien in de eerste plaats genoemden eisch is het echter in het belang van den dienst mede wenschelijk, dat de afstand van de stad niet al te groot zij. De uitvoering van den bedoelden bouw met inbegrip van den prijs voor het terrein, is op + f 90,000 geraamd, waarvan de helft is gebracht op deze. begrooting.»

Art. 149. Onderzoek omtrent bevloeiing van terreinen.

«Door de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw werd in hare 47ste vergadering eene commissie benoemd, om na te gaan op welke wijze bij de Regeering zou kunnen worden aanhangig gemaakt de vraag, hoe het toepassen van bevloeiingeu in ons land zou kunnen worden bevorderd. Deze commissie overwoog, dat in Duitschland en België onder overeenkomstige omstandigheden als zich hier te lande doen gelden op groote schaal bevloeiing van graslanden met rivierwater wordt toegepast, terwijl dergelijke inrichtingen ten onzent slechts hier en daar en meestal op kleine schaal bestaan, ofschoon de met name in West-Duitschland van een aantal bevloeiingsinrichtingen verkregen uitkomsten hebben aangetoond, dat door bevloeiing de opbrengst der gronden onder eenigszins gunstige omstandigheden, belangrijk wordt verhoogd. Door die commissie werd dit toegeschreven aan onbekendheid zoowel met die voordeelen, als met de voorwaarden, waaronder bevloeiing met vrucht kan plaats hebben.

Zij achtte eenige. aanmoeding van het particulier initiatief daarom zeer gewenscht, welke in de eerste plaats zou kunnen bestaan in het doen verrichten van een onderzoek naar de terreinen welke in ons land voor bevloeiing in aanmerking komen, welk onderzoek zich zou moeten uitstrekken over:

1°. de beschikbare hoeveelheid water onder verschillende omstandigheden en in verschillende streken door den bodem en door de rivieren geleverd;

2°. den aard van dit water;

3°. de ligging der terreinen ten opzichte van den stand, waarop het water te verkrijgen is, of waarop het gestuurd kan worden;

4°. den aard der gronden, die voor bevloeiing in aanmerking komen; 5°. in hoever deze gronden aan particuliere eigenaars, in groot of

klein grondbezit, behooren, en in hoever aan gemeenten, aan het Rijk, aan onverdeelde marken enz.

6°. hoe de gronden, die voor bevloeiing in aanmerking komen, gelegen zijn ten opzichte van mestaanvoer, van hooiverkoop, van de dichtheid der arbeidersbevolking;

7°. door den aanleg van welke werken de bevloeiing kan worden mogelijk gemaakt en in hoever de uitvoering dezer werken door den aard en den omvang van het belang in quaestie op den weg van den Staat zou kunnen geacht worden te liggen, of in hoever de Staat particulieren voor de uitvoering zou kunnen subsidieeren.

De commissie gaf wijders als haar oordeel te kennen, dat van dit onderzoek zouden moeten worden uitgezonderd de polderlanden, waarbij de vermeerdering van de opbrengst slechts gering zou kunnen zijn en maar bovendien organisatiën bestaan, zoodat te hunnen aanzien bevordering van het particulier initiatief minder noodig schijnt.

Dit rapport aan de Regeering mededeelende, verzocht het bestuur der Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw aan de conclusie van het rapport zooveel mogelijk gevolg te geven. Het komt den ondergeteekende voor, dat er wel aanleiding bestaat dit verzoek in te willigen en het onderzoek te bevorderen naar de mogelijkheid van bevloeiing van terreinen, ten behoeve van den landbouw. Ook door de Landbouwcommissie werd in het rapport uitgebracht als slotsom der door haar gehouden enquête naar den toestand van den landbouw in Nederland (uitkomsten enz. Deel IV, bladz. 9) de aandacht gevestigd op de groote voordeelen van bevloeiing, zoowel met het vette slibhoudende water van groote rivieren als met stroomend water, onafhankelijk van de slib, die het bevat.

Daar het onderzoek van technischen en landbouwkundigen aard zal moeten zijn, immers waterloop- en landbouwkundige vragen omvatten, is het wel niet denkbaar dit onderzoek aan één persoon op te dragen en beveelt het zich aan, daartoe een vijftal deskundigen, ingenieurs en landbouwspecialiteiten in commissie te stellen.

De ondergeteekende stelt zich voor, dat het onderzoek zich in de eerste plaats zal moeten richten op de terreinen, liggende langs de kleine rivieren en beken, waarbij raadpleging van de waterstaatskaart goede diensten zal bewijzen en dat de leden der commissie zich voorts in verbinding zullen moeten stellen met hen, die plaatselijk met die streken bekend zijn en zich daarna naar die terreinen, welke voor bevloeiing in aanmerking schijnen te komen, zullen moeten begeven. Ook is het wenschelijk, dat de leden der commissie althans eene buitenlandsche bevloeiingsinrichting in oogenschouw nemen." Art. 164. Tentoonstelling te Chicago.

»De Regeering heeft gemeend tot de instelling van eene commissie en tot de aanstelling van den consul te Chicago, als commissaris bij de tentoonstelling te Chicago, te moeten overgaan, teneinde belanghebbenden hier te lande, die wenschen te exposeeren, de gelegenheid daartoe niet te benemen en hen de daarvoor noodige hulp en medewerking te verzekeren.

Het algemeen reglement der tentoonstelling vordert namentlijk, dat alle aanvragen om plaatsruimte en verdere onderhandelingen in verband met het tentoonstellen van goederen gevoerd zullen worden door tusschenkomst der officieel ingestelde commissiën.

De werkzaamheden der commissie hier te lande en met haar die van den consul te Chicago zullen zich dan ook bepalen tot het behartigen der belangen van de Nederlandsche inzenders bij het bestuur der tentoonstelling, zonder dat het in de bedoeling ligt, daarbij financieelen steun te verleenen.

De aangevraagde som van f150,00, moet voornamelijk dienen om den consul te Chicago schadeloos te kunnen stellen voor verschillende kosten, welke zijne bemoeiingen zullen medebrengen en voorts ter bestrijding van enkele noodzakelijke uitgaven der commissie hier te lande."

Begrooting van Nederlandsch-lndië voor het dienstjaar 1893.

«De ontworpen begrooting voor 1893 — als een onderdeel waarvan wordt beschouwd het afzonderlijke wetsontwerp tot beschikbaarstelling eener som van f 1,062,000 voor den aanleg van een spoorweg ter verbinding van Tarik met Soerabaija en Kalimas — wijst — zegt de M. v. T. — de volgende eindcijfers aan:

Uitgaven in Nederland f 25,522,592

» » Indië - 113,721,116

f 139,243,708

Middelen in Nederland f 28,837,878

» » Indië ..." -101,397,020

f 130,234,891

De begrooting sluit derhalve met een tekort van . . f 9,008,810 Wanneer deze cijfers worden vergeleken met die van de loopende begrooting, dan blijkt het dat de middelen f 10,635,185 hooger zijn geraamd en de uitgaven slechts f 1,141,754 hooger, zoodat het geraamde tekort voor 1893 t 9,493,431 minder bedraagt dan het geraamde tekort over 1892.

Voor de middelen moet het voordeelig verschil voornamelijk hieraan worden toegeschreven, dat hooger zijn geraamd : de opbrengst van den verkoop van koffie f 7,595,501, van de accijnzen f 1,177,000, van de exploitatie der Staatsspoorwegen f 1,086,000, van de invoerrechten f 386,000, van het zegelrecht f 188,000, van diverse andere belastingen, met uitzondering van de bedrijfsbelasting, f 265,000, van den zoutverkoop f 255,000 en van de brievenpost en telegraphie f 105,000. Verder