is toegevoegd aan je favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 16, 15-08-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

149

en de repetitie ging voort. Ongelukkig was de koning dat uur niet wel gedisponeerd en Graun moest met wijsgeerige zelfsverloochening zien , dat de koning met zijn potlood steeds de eene zijde na de andere in de partituur doorhaalde , die hem niet beviel. — Graun liet hem bedaard doorhalen, en wachtte met stille bewustheid van de waardij zijns werks, het einde af. «Graun," zeide de koning toen, »dat alles moet anders gemaakt worden; alle die zaken zijn uwer niet waardig , en behagen mij niet." — »Dat spijt mij van harte," zeide Grauu. «Ondertusschen zal ik niet ééne noot veranderen, want overmorgen is het de generale repetitie en in drie dagen kan er geen nieuws meer bestudeerd worden. — En dan het gewigtig argument, dat ik voor mij heb, zal ik Uwe Majesteit zeggen , als zij genadiger zal zijn."

«Graun, op u was ik nooit ongenadig, — maar ik wil uw argument aanstonds hooren." — «Nu dan," zeide Graun, terwijl hij zijn partituur in de hand nam, «over dit stuk ben ik koning." De koning lachte, werd op eens vrolijk, en zeide: «Graun, gij hebt gelijk, het blijft alles staan."

BEOOROËELIKG.

Sonate in A-mol für Pianoforte-Solo von O JBach. Magdebnrg, bei Ueinrichshofen. Pr. 2 Thlr.

De naamgenoot van den grooten Johan Sebastiaan heeft in deze sonate een werk geleverd, dat van ernstige studiën en degelijk streven getuigt. Zij bestaat uit vier breed uitgesponnen deelen, die, hoewel geheel op zich zelf slaande, zich tot een goed geheel vereenigen door de harmonie, die er in de verschillende hoofdgedachten valt op te merken. Zij zijn echter, met hoe veel talent en

vlijt ook verwerkt , niet altijd boeijend genoeg voor de zoo brcede behandeling. De componist is soms wat omslagtig te werk gegaan. Sommige phrases rieken wat al te zeer naar het studeervertrek, hetgeen vooral in het eerste en vierde deel het geval is, waarin ook de hoofdthema's niet op groote oorspronkelijkheid kunnen bogen.

In hel Andante con moto, pag. 13, 2e regel, vonden wij een paar zeer hard klinkende quinten, die beter waren vermeden geweest.

Het scherzo is zeer kunstvol gebouwd en heeft daarbij zeer veel geest en leven, zoodat wij dit als het beste deel beschouwen. Het vordert echter een duchtig pianist; trouwens het geheele werk levert op vele plaatsen door zeer ingewikkelde combinatiën nog al wat moeijelijkheid voor den speler op.

Van de nieuwere clavier-techniek schijnt de componist weinig notitie te hebben genomen. Orgelmatige behandeling komt vaak voor.

Alles te zamen genomen , kan men nog veel van den componist verwachten, indien hij zijn buitengewoon savoir-faire nog meer tot de uiting van levenskrachtige denkbeelden zal aanwenden.

Sonate (N°. 1 , A-dur) für Pianoforte von Christïan Finck. Op. 11. Rotterdam, bei W. G. de Vletter. Pr. ƒ 3.

Met uitstekend genoegen hebben wij herhaalde malen dit werk doorgespeeld. Niet alleen toont zich de componist een meester in de architectonische behandeling, maar de frissche geest, die in deze sonate doorstraalt, de vele eigendommelijke trekken , het losse, ongedwon-

gene , fantaisierijke van dit werk , doen den componist een belangrijk standpunt innemen onder de musici van den tegenwoordigen tijd.

De gewone indeeling is door den componist behouden. Het eerste allegro, waarin het hoofdthema regt kernachtig is, wordt voorafgegaan door eene inleiding Grave E maat, waarin dit motief zeer beteekenisvol wordt ingeleid. Het scherzo in Fis-rnol is vol humor en wordt zeer gelukkig afgewisseld door het Trio moderato in D-dur. Het fantastische van dit deel eischt nog al eenige vrijheid in de voordragt.

Onmiddelijk volgt het Poco Adagio in D dur, dat door schoone melodische gedachten en rijke harmoniën ons bijzonder heelt geboeid. De nevengedachte in dit deel , aanvangende bij het tranquillemente laatste maat van pag. 16 verkrijgt vooral beteekenis door de analogie met het hoofdthema van hel eerste Allegro. De terugkeer tot hel hoofd ide'e bij het orgelpunt op pag. 17 is zeer gelukkig.

Het laatste Allegro is vol vuur en leven en bevat zeer vele schoone en piquante trekken.

Onze groote ingenomenheid met dit werk, is, naar ik hoop, met deze weinige woorden duidelijk genoeg verklaard. Verdere aanbeveling is dus overbodig. Alle soliede pianisten en rauzijkliefhebbers zullen zich toch dit werk aanschaffen , dat geen spelers van den eersten rang , geene groote technische vaardigheid vordert, maar denkende musici en tien ordenlijke vingers, die gewoon zijn de indrukken der ziel te vertolken.

Wij wenschen den heer de Vletter geluk met deze verrijking van zijn fonds. De uitgave is schoon eh de correctie laat weinig of niets te wenschen over. Alleen in het Grave op pag. 1 moet het eerste accoord van den derden regel en het derde van maat 3 ook op dezen regel, beide in de regterhand, achtste noten in plaats van quarten zijn.

RlCHAKD Hoi.

WEDERLEGGING DER KRITIEK VAN X. X.

In N°. 14 der Caecilia , 15 Julij , vindt men de beoordeeling van een Lied met piano en viool of violoncel, van den heer F. A. van Suchtelen , welk lied , hoewel geene aanspraak kunnende maken op de hoogste verdienste, echter te goed is om op zoodanige wijze, als in die beoordeeling geschiedde , in den afgrond geslagen en maar glad weg de kritiek onwaardig gekeurd te worden. De recensent is hiermede zoo ligtvaardig te werk gegaan, dat het maar al te blijkbaar is voor alle deskundigen, die het bewuste lied kennen of gehoord hebben , dat alleen eeu vijandelijke hand, de pen op zulk eene wijze heeft kunnen besturen ; want hoewel het eerste gedeelte niet geheel vrij is van gedwongenheid in de harmonisering , vooral door de triolenfiguren in de begeleiding te weeg gebragt, is echter het tweede gedeelte beter, vloeit natuurlijker en zijn hierin zelfs schoone oogenblikken te vinden. Hetzelfde lied nog in manuscript zijnde, heeft, voor lang geleden op een concert uitgevoerd, toen ook reeds de sympathie van vele degelijke toonkunstenaars mogen opwekken, hetwelk voor den bescheiden componist een genoegzame vrijbrief raogt worden geheeten tot de uitgave er van, terwijl mij tevens bekend is dat een onzer eerste componisten met belangstelling en raad den heer v. S. heeft aangemoedigd, hetgeen mij tot waar genoegen verstrekte.

Ik wensch dus dat de vriendschap en genegenheid van ware kunstenaars en kunstvrienden, die zijne belangelooze pogingen tot bevordering der kunst kennen, hem mogen