is toegevoegd aan je favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 16, 15-08-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

aanmoedigen op het ingeslagen spoor te blijven voortgaan. Ten slotte zij den recensent gezegd, dat hij zeer dwaalt als hij vermeent dat de onervarenheid in elke maat aanwezig is , en dat, zoo hij in zijne meening blijft volharden , hij uitgenoodigd wordt in nadere bijzonderheden te treden, alsmede om zijn toaren naam te noemen , zullende anders zeker zijne recensie door alle onpartijdige en weldenkende toonkunstenaars als eene laag beschouwd worden om den heer v. S. op eene geheel ongepaste wijze te vernederen en te benadeelen

Jon. BASTIAANS,

Stads-Organist van hel groote Orgel ie Haarlem.

BI % K E % I, AIV » S CIE E BEBIGTEX.

Zeer Geachte Heer Redacteur!

In N°. 14 der Caecilia zie ik gewag gemaakt van vermoedelijk aanstaande wijzigingen in de wet der Maatschappij tot bevordering der Toonkunst. Ook ik vermeen eenige punten in het midden te kunnen brengen , die daarop betrekking hebben en die aanleiding tot verbetering kunnen geven.

Daarom zoude het mij aangenaam zijn , zoo u die in een eerstvolgend N°. wildet opnemen.

De toestand der muzijk hier te lande en die der Maatschappij tot bevordering der Toonkunst vorderen eene geheele herziening der wet. De compositie behoeft niet meer door prijsvragen te worden aangemoedigd, maar wel door het ten gehoore brengen van Nederlandsche compositiën en door het daarna uitgeven of bevorderen der uitgave van zoodanige, der waardig gekeurde werken. Het voldoen der voorwaarden bij het hooger opleiden van veel belovende jeugdige talenten gesteld, behoort tot de pia vota. De onkosten van het Album zijn te groot in evenredigheid van deszelfs nut. De jaarlijksche uitkeering aan de algemeene kas is te hoog gesteld. Het hoofdbestuur behoorde even als in den beginne, elke 2 of 3 jaren afgewisseld onder de afdeelingen , die 300 leden tellen; het algemeene secretariaat opgeheven en een permanente bibliothecaris aangesteld in eene afdeeling, die in het centrum des lands gelegen is; de administratiekosten behoorlijk verantwoord; als corresponderende leden ook inlandsche degelijke toonkunstenaars benoemd; honoraire leden niet dan stadgenooten der afdeeling, die ze benoemt; de maatstaf der subsidicn naar gelang van het getal leden der aanvragende afdeeling ; het gebruik der muzijk voor zangvereenigingen niet dan aan afdeelingen boven de 20 leden verleend ; het maatschappelijk jaar in te gaan met 1 Januarij ; de algemeene vergadering 14 dagen daarna.

Op deze wijze zouden de tegenwoordige uitgaven aanmerkelijk worden besnoeid en het getal der muzijk feesten kunnen toenemen. Deze laatste behooren toch, op de tegenwoordige hoogte der muzijk hier te lande, bij de Maatschappij op den voorgrond te staan2).

Geen vijand van de Maatschappij lot bevordering der Toonkunst.

t) Dadelijk na de ontvangst dezer compositie hebben wij haar, zonder ze door te loopen, aan een onzer medewerkers ter beoordeeling gezonden. Dat van eene vijandelijke hand bij de genoemde beoordeeling niet de minste questie zijn kan, kunnen wij verzekeren. Voor het overige zal referent in het volgende N°. zijn eigen zaak wel weten te bepleiten. {De Redactie).

2) Wij nemen dit artikel op, zonder onze goedkeuring aan het geheel te kunnen schenken.

(De Redactie).

BUITEXLAIVDSCHE BERIGTEX.

BRUSSEL, 2 Augustus 1861.

In een kort tijdsbestek zijn er drie merkwaardige muzijkwerken in de hoofdkerk alhier uitgevoerd. Den 14. Julij , met volledig orchest en talrijk koor, eene mis van Charles Gounod. Het is eene uitmuntende compositie , die echter aanleiding geeft tot een paar kritische aanmerkingen, waardig naar ons inzien om te worden medegedeeld. Laten wij daartoe het geheele werk doorloopen. Kyrie. Vol gevoel en in het karakter der woorden. Blaas-instrumenten en stemmen bewegen zich rustig, met korte solo's tot afwisseling, terwijl de violen en allen, bij de 16e maat, invallen met eene figuur, die zich bijna tot aan het slot laat hooren , de violoncellen en contrebassen geven slechts op den eersten tijd van iedere maat, eene noot pizzicato. Het invallen van het orgel op eenige plaatsen is treffend. Dit stuk zoo sober en zoo kundig bewerkt, is een der sieraden van deze schoone partituur. Gloria. Hier verwijdert de schrijver zich van de bekende traditiën , en schijnt er genoegen in te scheppen het tegendeel te doen van hetgeen men in de missen der grootste meesters vindt. Aan ieder scheen het toe, dat men de woorden : Gloria in excelsis Deo uitdrukken moest met animatie , de forte der stemmen door de gansche kracht van het orchest ondersteund. Zoo begreep het de heer Gounod echter niet ; hij neemt het mouvement Larghetto E en na eene solo voor den hoorn van acht maten , is het eene sopraan-solo die genoemde woorden zingt; deze stem wordt begeleid door het koor ppp, a bouche fermêe, door tremolo's van violen en alten, altijd pp, door harpen en door de groote trom , deze gevende nu en dan een doffen klank , als kanonschoten in de verte. Bij de woorden laudamus le

begint een allegro pomposo ff, in magistralen stijl, meesterlijk behandeld , eindigende bij de woorden : Deus pater omnipotent. Daar begint een andante £S tot en met de miserere nobis, een bewonderenswaardig stuk. Het allegro herneemt bij de Quoniam tot aan het einde. Aan het woord Amen wordt slechts zeven maten besteed, de drie laatste adagio met plagallsch slot. Men mag hopen dat de innovatie bij het begin van deze Gloria beproefd, geene navolging vinden zal; de woorden Gloria in excelsis Deo, & bouche fermêe zingen, komt dan ook al te vreemd voor. Wat zegt men tot verdediging? dat het niet de vergadering is die deze woorden uitroept, maar een engelenkoor uit den hemel, waarvan de klanken , natuurlijk door de verte verdoofd, ons slechts zeer zwak kunnen toekomen. Zegt men dit in ernst, dan is het eene grove misvatting. In het celebreren der mis is geen andere zang dan die van den officiant en van de vergadering, aan deze komt toe de uitroeping: Gloria in excelsis Deo, en de daaropvolgende bede: et in terra pax hominibut bona voluntatis, Eene gewaande tusschenkomst van bovennatuurlijke wezens behoort als effect middel tot het theater te huis, hier is zij onbetamelijk. Credo. Moderato molto maestoso. Na eene iutroductie van 16 maten, valt het koor ff in, bekennende alzoo vrijelijk cn met kracht zijn geloof; goed zoo, maar waarom van den beginne af aan dat gesaccadeerde accompagnement tusschen de violen, alten en bassen? die bewegingen cl contre tempt schijnen eene soort van hesitatie te beduiden, die voorzeker niet te pas koint daar waar eene diepe convictie spreekt, eene overtuiging, die de ondooi[ dringbaarste verbolgenheden uitroept, en ze zonder aarI zeling bevestigt met de woorden : »ik geloof.'' De In-