is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 21, 01-11-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

190

Elberfeld bij F. W. Amold. Pr. 6 Thl. Koorsteaumen l2/s Thl.

Opgedragen aan H. K. H. de regerende Hertogin Sophia van Saksen-Weimar-Eisenach /rgeboren Prinses der Nederlanden.Hollandsche en Hoogduilsche tekst.

Door de redactie der Caecilia uitgenoodigd orn opgemeld werk te bespreken , zoo spijt het mij te meer dal ik het laatst gehoudene Arnhemsche muzijkfeest der» Maatschappij tot bevordering der Toonkunst" niet heb kunnen bijwonen; immers daar is toen deze compositie mei orchest-begeleiding opgevoerd. Nu slechts het gedrukte klaviertiiltreksel ontvangen hebbende, (mogelijk bestaat de orchestpartitie nog niet in druk), zoo blijven voor den lezer vele krachten, effecten, schoonheden en toonkleuren, welke het orchest kan bevatten, verborgen. Eene uitvoerige beschouwing wordt dus moeijelijker; echter kunnen toch de opvatting van het gedicht, de geest van de compositie en de toestanden besproken worden. Het schrijven voor een orchest is, buiten nog al die welen-] schappelijke kennis, welke men van een goed componist mag verwachten, eene specialiteit, welke niet allen eigen is. Overigens zwakke talenten kunnen daarin uitmunten en duchtige mannen daar zwak in blijven. Schoone gedachten kunnen door min keurige instiuraeütatiëh verloren raken , onbeduidende phrases kunnen daarentegen door schitterende of krachtvolle bewerking eenen onverdienden indruk teweeg brengen. Met de órc'hcst-iustruinentatiën van den componist volstrekt niet lekend zijnde, moet ik mij dus, behoudens alle goed vertrouwen, strikt bij de pianopartiüe bepalen. Mogt Wettigt nu hier en daar dat oordeel verschillen met de indrukken, welke de toehoorders te Arnhem ontvingen , dau bedenke men wel dat zij het bezielde ligchaam zagen en ik slechts het geraamte aanschouwde.

De onderneming van den componist was schoon, maar tevens stout en gewaagd. De meester , die zijne krachten kent en bij wien het schoonheidsgevoel diep doordringt, gevoelt zich geinspireerd door het gedicht, en grijpt alle de middelen van zijne kunst aan om door toonen het onderwerp te illustreren. Zoo is het ook met van Eyken. Het reeds zoo lang bekende talent, de kennis en de vaardigheid van dezen componist, is weer op elke bladzijde te lezen; een streven naar het schoone en edele ademt in elk nummer, zoo ook de zucht naar waarheid en eenvoudigheid. Het is mogelijk niet velen componisten gegeven dit onderwerp te behandelen , ja , weinigen zullen welligt hierin den heer van Eyken evenaren, maar toch ook is met zijne partitie het laatste woord zoo min gezegd , als dat Spohr en later Gounod het beeld van Faust in zijne ware gedaante op een goed voetstuk hebben kunnen plaatsten. Spohr miste noch kracht, noch talent, noch vinding, maar bleef bij gemis aan breedheid eentoonig. Gounod heeft een Faustje van suikergebak geleverd. Daar zijn van die onderwerpen tot welker behandeling eene uitstekende opgewektheid behoort om het achevé te bereiken, zoo als met de Bon Juan en de Freyschütz het geval is. Evenwel zijn en blijven de aangewende krachten van mannen als Spohr en van Eyken schoone en belangrijke middelen voor hunne opvolgers, tot bereiking van het ideaal. Duurt het mogelijk nog lan" voor dat de ware Faust tnsschen de vijf lijnen komt, even lang kan het nog duren voor dat de volmaakte Lucifer hem daar komt begroeten. Voorloopig hebben Spohr en van Eyken een achtingswaardig werk geleverd dat geene voorgangers heeft. Hunne partiliën zullen ten allen tijde met lof vermeld worden. Waarin de

tekortkoming tot het type nu juist bestaat is zeermoeijelijk te formuleren. Over de schoonheden van de Don Juan zijn boekdeelen geschreven, maar over het ontbrekende of zwakkere van een levend talentvol meester kan men gelukkig volstaan met de veronderstelling , dat hij niet altoos even gunstig geinspireerd, mogelijk te dikwijls afgeleid was; daardoor zijn de grepen niet altoos vurig en krachtig of somtijds eentoonig, in een woord gezegd: voortdurend rust wel de talentvolle, maar niet altoos de geniale meesterhand op het werk. Met de laatste noot dezer partitie is dus nog evenmin de Lucifer voltooid als de Faust door Spohr.

Het geheel bevat, behalve de ouverture, elf nummers, als: N°. 1. Koor: «Wie is het, die zoo hoogh gezeten." N°.'2. Inleiding tot het 2e bedrijf. N°. 3. Koor: «Hoe zien de hoffelycke gevels." N°. 4. Inleiding tot het 3e bedrijf. N\ 5. Mannenkoor: «Op, trekt op, ó ghy Luciferislen. N\ 6. d°. : «Waar zyn wy toe g'iekomen." N°. 7. Inleiding tot het 4e bedrijf. N°. 8. Rei van engelen : »o Vader, die geen wieroockvat." N". 9. Inleiding tot het 5e bedrijf. N°. 10. Dubbelkoor: » Gezegent zy de Helt." N°. 10lj. Koor: «Zoo moet hét gaen, die Godt," N°. 11. Slotkoor: «Verlosser, die de slang het hooft." m

Alhoewel de ouverture een goed bewerkt stuk is, zoo moet ik bekennen, dat de geest, welken zij ademt en de vorm, waarin zij gegoten is, niet geheel aan mijne verwachting beantwoorden. Meerdere breedheid en toonschakering had , mag ik gelooven , nader bij het onderwerp gekomen ; intusschen ontbreekt hel niet aan den noodigen ernst, en al ïs de spanning al niet hoog genoeg opgevoerd zoo behoudt dit stuk toch veel verdienste. N°. 1 is een deftig en goed bewerkt koor dat vooral met het dubbelkoor: liHeitigh* eene prachtige uitwerking kan hebben. N°. 2. Deze inleiding tot het 2e bedrijf is wel ernstig, doch het schijnt mij toe dat die kleine 16e tusschenfiguurtjes aan dit geheel iets burlesks, (men vergeve mij het woord) geven. Wanneer ik over het algemeen met de orcheststukken minder ingenomen ben , is het toch zeer mogelijk dat de orchest-partitie mij zal beschamen. In N". 3 ligt eene schilderachtige voorstelling, de sopraanen' Bas-solo doen eene goede uitwerking en het achtstemmige einde is indrukwekkend. N°. 4. Inleiding, is zeer afwisselend van karakter en eindigt-met een plegtig Tempo di Marcia. N\ 5. Dit mannenkoor munt uit in dien bijzondeien klem en nadruk, welk elk woord vereischt. N°. 6. Met dit mannenkoor kan men ook ingenomen wezen , jammer slechts dat het figuur op: «de regementen splist," 'juist aan die woorden iets onbehagelijks geeft; de Duitsche woorden : » der Kriegeslarm erschalt ," vleijen daar beter. Door de daaropvolgende altsolo en het vierstemmige vrouwenkoor ontstaat eene schoone tegenstelling; dit° stuk wordt waardiglijk besloten door een kort gemengd koor. N°. 7. Inleiding. N°. 8. Een gelukkig geschreven engelenkoor, waar Rafael, (bassolo) hier en daar eenigzins ia den vorm van een cantus firmus , een schoon oogenblik is toegedacht. N°. 9. Inleiding. Met het karakter van dit N°. kan men zeer ingenomen wezen. N°. 10. Begint met een achtstemmig koor dat zeer levendig en los bewerkt is en met eene duchtige vierstemmige fu»a sluit N°. l0b- Een kort unissone , koor van 8 maten op aanhoudende accoorden van het orchest. N". 11. Slotkoor. De componist vond goed om dit koor zeer kort te maken. Ik veronderstel echter dat juist dit koor, als bekrooning van het geheel , niet alleen veel langer maar ook in alle opzigten veel beteekenender had moeten wezen om den indruk van het geheel genoegzaam te bevestigen.