is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 21, 01-11-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

192

de beurs, waar het klokkenspel van den Dam de pianino vervangt. Uilen en valken deelen nu in hetzelfde lot als de damklok , dat is , zij worden niet gehoord. Een ding hebben zij echter voor, zij worden meestal bedankt voor hunne lieve bijdrage en is het een mooi meisje, zooals Marie B. dan zijn alle zwaluwstaart dragende jonge heeren ijverig in den weer blijk te geven van hunnen kunstsmaak en hunne opregtheid. Waarachtig, het is ergerlijk en ik zou het den kloeken valk , die in zulk een gezelschap verzeild kwam, zeer goed kunnen vergeven, dat hij even als Beethoven uitriep: »Fiir solche Schweine spiel ieh nicht." Alle valken zijn nog wel geen Beethovens , doch het principe blijft hetzelfde. Ik wenschte wel dat ons stedelijk bestuur eene belasting op het houden van piano's invoerde , dan zouden er waarschijnlijk zoo vele uilen niet zijn en dan kon men nog eerder het buitenkansje hebben om eene woning te vinden zonder muzijkale uilennesten om zich heen.

R. Fi, donc! wat zijt ge bitter! En wat wilt ge dan eigenlijk met uwe Filippica? (strafsermoen).

L. Wat ik wil, ik wil dat de mensch een hoofd en een hart hebbe; ik wil dat ieder wete wat hij doet. Ik wil dat een ieder, die niet fatsoenlijk een fatsoenlijk stuk spelen kan, met zijne vingers van 't klavier blijve ; ik wil dat hij of zij , die een beetje stem en weinig gehoor bezit, of veel stem en weinige studie heeft gemaakt, mij en 25 andere personen met mij niet vervele, waardoor het van zelf spreekt dat men met het taaiste Jobsgeduld toch tot eene andere bezigheid zijn toevlugt moet nemen, tot een kaartje of tot babbelen. Waarlijk dat musiceren van Jan en alle man helpt de kunst niets. De muzijkale bakkers en tinnegieters mogen er mee gediend zijn, maar ge weet het evenzeer als ik dat op die wijze de waardigheid, de heiligheid der kunst verloren gaan.

R. Kalm u, mijn waarde! Ik deel in vele opzigten uw gevoelen, doch het is, hoewel meer in het klein, altijd zoo geweest. Op iederen akker wast naast het kostelijkste graan ook onkruid. Het is zeker dat wij als tuinlieden van professie beter moesten wieden. Het eenige dat ik er op 't oogenblik aan doen kan , is dat ik uwe speech aan Dr. Kist toezend. Gij blijft evenwel verantwoordelijk er voor. A propos! kent ge de nieuwe vierhandige Sonate van Markull op. 111 Ge weet dat ik in het vorige jaar de eerste in A-inolI op. 75 reeds heb aanbevolen.

L. Hm! een goede bliksemafleider! — Ik herinner mij zeer goed dat nette muzijkstuk met dat schoone Andantino in F-dur.

R. N°. 2 in D-dur is vooral niet minder, ook het middendeel schat ik het hoogst, die liefelijke romance in H-moll. Laat ons de derde eens spelen.

Allegro 3/4 Es-dur

L. Dat is schoon, dat vliegt hooger dan de anderen. Wat klinkt dat alles goed. Gedachten alles behalve alledaagsch! Wat fraaije bewerking! Men ziet dat Markull die zoo goed Beethoven's orchestwerken heeft gearrangeerd niet te vergeefs in die partituren heeft gesnuffeld.

R. Zeker, maar bevalt bet slot u?

L. De gedachtengang is naar mij dunkt goed. Maar die voortdurende beweging in achtste noten , daar in de primo partij op pag. 11 de twee laatste regels , dat klinkt wat stijf.

R. Gij slaat den spijker op den kop. En het Adagio ma non troppo As-dur 2/4?

L. Hoe aangenaam rustig klinkt dat! Het eerste ƒ of F risolute bevalt mij minder, dat komt wat vroeg.

R. De beide gedachten zijn toch goed zaamgebragt.

L. Maar niet innig versmolten. Dat kan ook niet,

zij loopen wat veel uit een. De langzame deelen der andere sonaleu bevallen mij beter, hoewel dit ook verdienste bezit.

Finale , Allegro vivace Es-dur C.

R. Dat is levendig, pikant, zeer innemend.

L. Ook waar! maar het neemt toch geene zeer hoogevlugt.

R. Dat was Markull's opzet zeker niet. Hij heeft solide muzijk in eener aangenamen vorm willen en weten te gieten en het komt mij voor dat deze drie sonaten voor de piano-spelende wereld eene groote weldaad zijn. Hoewel deze laatste moeijelijker is dan de anderen , zoo stuit men toch op niets, dat niet goed speelbaar is. Bedenk ook wel dat de keuze zeer moeijelijk is, wanneer men aan een paar spelers, die om uwe uitdrukkingswijze te bezigen , nog geen volleerde valken zijn, wat vierhandigs wil geven en toch buiten de vervelende potpourris wenscht te blijven , die men aan uwe soirée-dames en heeren moet overlaten. Ik vind inderdaad deze sonaten zoo uitstekend dat ik er bepaald in de Caecilia wat van wil zeggen. Ik geloof dat als ge gisteren avond zulken kost had gehoord, dat ge dan beter in uw humeur zoudt zijn. Vindt ge die uitgaaf van Rieter-Biederman niet alweer keurig net?

L. O, ja! Ik zal ze dadelijk morgen bestellen, en ieder aanbevelen, klassieken of niet-klassieken, zij moeten iedereen bevallen.

R. Hier heb ik zaken van Theodore Kirchner.

L. Wie is Kirchner?

R. Een uitstekend componist in Schumannsche rigting. Een Harmonieker par excellence. Een musicus die met Bachsche degelijkheid is opgevoed.

L. Laat hooren , gij maakt mij nieuwsgierig.

R. Hij is hier nog niet zoo bekend, als hij het wel verdient. Een zekere adel des geestes, in mijn oog juist geen kwaad , maakt hem voor het grootere publiek minder toegankelijk. Ik ken behalve een paar uitstekende Liederen alleen klavier-muzijk van hem. Hier is zijn Op. 2. Zelni Klavierstücke, voortreffelijke nummers bevattende. N°. 1 in A-moll met den sehnsüchtiche ietwat hartstogtelijken klaagtoon, die toch nergens het mannelijke karakter verloochent.

L: Maar dat is toch nog al Schumannsch!

R. Zoo als ik u zeide , Kirchner volgt de Schumannsche rigting. Te vergeefs zult gij echter naar bepaalde plagiaten zoeken. Wel mogelijk is het, dat gij het een of ander voor Schumannsche voortbrengselen zoudt houden , wanneer ge niet beter wist en dat is , daar nergens sprake van copie is, geen kleine verdienste. Moge Kirchner niet zoo vrij uit eigen bron putten , zooals Schumaun dit deed, aan nieuwe harmonische combinatiën gaat hij veel verder dan zijn voorbeeld en daarom zal hij bepaald veld winnen bij alle pianospelers, die niet met den alledaagschen stroom medevaren. N°. 2 is allerliefst en uiterst klankvol.

L. Maar dat c , dis, fis, b, d , zich oplossende in den dominant van F, is toch vrij hard.

R. Volgens het karakter van dit stukje zou ik aan eene minder schrille kleur de voorkeur hebben gegeven b. v. c, dis, fis, a, d. Wat een humor in N°. 4 met dien krachtigen frisschen middelsatz. Hoe vindt ge N°. 6?

L. Het eerste deel in G-dur met die bewegelijke harmoniën en frappante moduiatiën is zeer fraai. Het middendeel is alleen harmonisch belangrijk. Het geheel komt mij voor als eene schoone bloem , die op eene kale rots met woeste vergezigten is verzeild.

R. N°. 7 een soort jagtlied is toch zeer frisch en dan het dweepachtige N°. 8 in H-dur, dat is een klein juweeltje. Wat zegt ge van deze hartstogtelijke ontboeze-