is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 18, 1861, no 23, 01-12-1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

212

BIWlSEWIiATSTBSCHE 8ERIGTEN. I

AMSTERDAM. Groot vocaal- en instrumentaal coneert, met medewerking der dames P irola en Polachi, en der heeren Mea enBonora, leden van het Italiaansche operagezelschap , en van August Kompel, Concertmeister uit Hannover, in hel Park.

Het programma bevatte 15 nummers, waaronder tweemaal Verdi en Flotow, eenmaal Rossini, Mercadente , Appolini, Donizelli en Bellini voor het vocale gedeelte. De instrumentaalwerken waren ouder gewoonte niet genoemd. Het waren ouvertures van van Bree en Heinze.

De heer Kompel speelde de Gesangscene van Spohr , Chaconne van Bach en variatiën van F. David en heeft zich als een uitstekend violist doen kennen, die aan vollen toon eene volkomene beheersching der techniek van zijn instrument paart en daarbij door degelijke keuie en geacheveerde uitvoering zich als een waardig kunstenaar heeft doen kennen.

Mad. P irola en de heer Mea hebben krachtvolle stemmen. De eerste overschrijdt door overdrevene krachtsinspanning zeer dikwijls de grenzen van het schoone. Zulke Italiaansche zangkunst zal toch met de goede traditie wel niets gemeen hebben. De heer Mea heeft eene tenorstem van zeldzame schoonheid, weet daarbij te zingen en mogt teregt veel bijval verwerven.

Mlle P o 1 a c h i en de heer B o n o r a hebben bescheidene middelen. Men moet hun echter lof toezwaaijen voor de werkelijk fraaije manier, waarop zij welen te zingen. Wij hopen den beer Kompel nog dikwijls te hooren, doch kan het zijn op een beter georganiseerd programma.

De lezers der Caecilia die ook het kunstnieuws in het Handels- en Effectenblad volgen , zullen zich misschien verwonderen, dat wij met onze beoordeeling zoo zeer verschillen met dit blad, waarin het programma rijk en keurig wordt genoemd. Intusschen vindt de verslaggever dat de keuze van den heer Kompel gelukkiger had kunnen zijn. In stede van klassische studiën (]SB. concert van Spohr enz.) verkoos hij salonstukken, waardoor den heer Kompel grooter bijval zou gehad hebben.

Eene dusdanige beoordeeling is waarlijk al te belagcbelijk ; het rijke en keurige programma waar niets aan ontbreekt als salonstukken wordt dus al dadelijk gelogenstraft en zoo niet reeds vroeger, dan worden wij thans hoe langer zoo meer overtuigd dat de verslagen in genoemd blad geen ander doel kunnen hebben dan bet kunstminnend publiek (uit onwetendheid?) om den tuin te leiden. Degelijke musici, zoowel meesters als dilettanten stemmen met ons oordeel volkomen in , wanneer de verslaggever van het H. en E. blad zich dus van de woorden kunstminnend auditorium bedient, dan gelooven wij dat hij bedoelt onwetend auditorium , dal juist door de dagbladen moest worden voorgelicht. Wij hebben ons echter in de opmerking verheugd , dat de stukken, die de bewuste criticus als ongepast beschouwde, door het waarachtig kunstminnend auditorium niet alleen met de diepste stilte werden aangehoord maar ook levendig toegejuicht.

Wij houden het er voor dat referent van genoemd blad tot dat gedeelte van het publiek behoort, uit wiens midden wij eens bij de uitvoering van eene onbeteekenende wals den uitroep boorden: »Peu m'imporle, je

m'amuse." Voor een criticus is dat standpunt niet voldoende en wij beklagen den kunstenaar, die door zulk eene slem lof wordt toegezwaaid.

T.

Het 43e concert door de Maatschappij Caecilia gegeven op 21 dezer , werd door een buitengewoon talrijk en uitgelezen publiek bijgewoond, hetgeen ons des te aangenamer was, omdat wij daaruit konden opmaken dat de kunstzin in onze hoofdstad, verre van te verminderen , eerder toeneemt. Het programma was als volgt: Eerste deel Kerkelijke feesl-ouverture (Op. 31), van O. Nicolai. Symphonie in B-dur (Op. 98), van J. Haydn. a)Largo, allegro vivace; b) Adagio; c) Menuetto (allegro); d) Finale (presto). Ouverture bij het treurspel Athalia, van l. Mendelssohn-Bartholdy.' Tweede deel. Symphonie N°. IX , van L. van Beethoven. (De drie eerste gedeelten). a) Allegro ma non troppo; b) Molto vivace; c) Adagio molto e cantabile. Ouverture der opera Obèron, van C. M. von Weber.

Ofschoon wij over de zamenstelling van dit programma wel eenige aanmerkingen kunnen maken (altijd omdat wij bij de voorhanden zijnde middelen dezer maatschappij hoogere eischen mogen doen) willen wij gaarne de moeijelijkheid daarvan erkennen, omdat men daarmede een gedeelte van het publiek te voldoen heeft, dal zich ook vertoont tot instandhouding van eene maatschappij die tegelijk weldadigheid ten doel heeft en uitsluitend daarom, stellen wij onze gevoelens daarover ter zijde en bepalen wij ons alleen tot de uitvoering der aangekondigde werken.

Bij de kerkelijke ouverture van O. Nicolai trof ons bijzonder de zuivere stemming der blaasinstrumenten , hefeen vroeger zeer dikwijls, vooral bij de Huilen en hobo's, ontbrak; de uitvoering dezer ouverture was zeer goed, ofschoon deze compositie weinig of niet voldeed; op ons maakte zij den indruk van eenen tamelijk droogen arbeid. Geheel anders gelegen was het met de symphonie van Haydn die het publiek als in verrukking scheen te brengen ; het largo en allegro vivace werden goed voorgedragen; het adagio liet echter, wat gelijkheid betreft, veel le wenschen overig; het menuetto werd flink afgespeeld , inzonderheid was hel finale zeer goed en wij vereenigden ons gaarne met den algemeenen wensch om eene herhaling, waaraan welwillend werd voldaan en wij mogen niet ontveinzen dat het geheel orchest als met verdubbeld vuur bezield werd en de uitvoering nog schooner dan de eerste maal, bijna onberispelijk was. Wanneer wij echter de zamenstelling van het orchest nagaan , kunnen wij niel nalaten op te merken dat wij over het geheel meer eenheid inogten verwachten ; het overnemen door de tweede violen van het zoo dikwijls voorkomend klein figuur in het finale was veel te sterk. De ouverture van Mendelssohn is onzens inziens ongelukkig van uitvoering geweest, de koper-inslrumenten stemden niel alleen slecht, maar de intouatiën waren bij velen onzeker. — Wat zullen wij nu van het meesterstuk van v. Beethoven zeggen? Hoezeer wij het bejammeren deze symphonie niet in haar geheel wordt uitgevoerd, waren wij , overtuigd %an de onmogelijkheid daarvan , toch in gespannen verwachting. Was die welligt te groot? 't Is mogelijk, maar de uitvoering bevredigde ons niet; van dit orchest mogten wij iels beters verwachten. Het allegro werd tamelijk goed uitgevoerd, doch miste daarbij de noodzakelijke eenheid. Ware het hoofdmotief van het molto vivace door alle medewerkenden zoodanig teruggegeven als door den pankenist (wien daarvoor allen lof toekomt) wij zouden alleen kunnen volstaan met de opmerking dat bij de strijk-instrumenten het zooveel effect-