is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 55, 1940, no 1

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

invoering van de nieuwe mijnensoort, opgegeven wordt, dat 3 trawlers en 1 sperbreker tengevolge van mijnentreffers verloren gingen en dat 3 M-booten en 1 sperbreker werden beschadigd, beliepen de verliezen in het daarop volgende tijdvak van 4 maanden (1 Febrüari tot 1 Juni 1917): 15 gezonken trawlers, 2 gezonken en 2 beschadigde sperbrekers, 3 gezonken en 1 beschadigde torpedoboot en 6 gezonken M-booten, met een gemiddelde van 6 a 7 gezonken booten per maand; 1 torpedoboot was binnen de 10 secunden en 1 trawler binnen de 5 secunden gezonken. (Men lette vooral op de groote verliezen der diepgaande trawlers).

Gedurende de eerste oorlogsjaren was het zelfs nog steeds mogelijk geweest om het opruimen aan de M-booten op te dragen. De ervaring leerde echter, dat dit werk voor die booten te gevaarlijk was geworden. De Kapt. Leutn. z. See Wolfram, Cdt. van de Ille Minensuchflottille schreef nu ook op 15-3-1917 in sein Kriegstagebuch: „Die heutigen Erfahrungen bekraftigen das, was ich schon früher in den Kriegserfahrungen 1915 betont habe, dasz die M-boote nicht geeignet sind zum Kampf gegen flachstehende, gut functionierende Minen wie unsere und die russische Bleikappenminen. Gegen solche musz man immer auf möglichst kleine Fahrzeuge zurückgreifen". Dit was inderdaad het eerste middel om uit de verliezen te geraken.

In April d.a.v. kwam het moederschip Ammon met 12 Raumbooten (19 ton, lengte 17.5 meter, diepgang 1 meter, 11 mijl), die waren uitgerust met het juist ingevoerde ontploffingstuig. Deze eerste Raumbooten waren nog te weinig stabiel voor de in de Noordzee heerschende zeegang en weersomstandigheden en moesten telkenmale reeds vrij spoedig aan boord geheschen worden. In deze maand April kon slechts op één dag, in Mei d.a.v. op zes dagen gewerkt worden.

Later werden grootere typen gebouwd; de laatste booten, welke in 1938 op stapel gezet zijn, zijn 90 ton groot bij een diepgang van ruim 1 meter en een snelheid van 18 mijl.

Een volgende verbetering was de invoering van het lichte zelfbeveiligingstuig, den „Scherbrettminenraumer". Dit tuig bestaat uit twee vliegers ter weerszijden van het schip, waarin een knipinrichting is aangebracht. De vliegers worden aan het uiteinde van een boom gesleept, welks uiteinde eenige meters vóór en onder de boot uitsteekt en zij zijn zoodanig geconstrueerd, dat zij door de vaart van het schip uitscheren. Zij worden opgehouden door twee reepen, welke via een davit binnen boord vastgezet worden. Met deze reepen kan men de vliegers tevens uit het water hijschen en aan boord nemen. De breedte van dit tuig beslaat ±15 meter, de diepteloop was ± 7.5 meter. Dit zelfbeveiligingstuig was in den

18