is toegevoegd aan je favorieten.

Marineblad jrg 55, 1940, no 1

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mijnenveegdienst in den oorlog 1914—1918

beginne zeer gevoelig voor zeegang. Toen dit eenmaal verholpen was, voldeed het zeer goed. Alle schepen, die, in welken vorm dan ook, aan antimijnacties deelnamen, werden hiermede uitgerust in de volgorde: diepstekende trawlers, sperbrekers, torpedobooten, M-booten. Er is zelfs een periode geweest, waarin men schepen van den MVD., welke nog niet van dit tuig waren voorzien, tijdelijk aan de sterkte onttrok en dus eerst na gereedheid wederom aan de werkzaamheden liet deelnemen. „Das Bugschutzgerat der Scherbrettminenraumer entwickelte sich aber, wenn auch zunachst noch etwas unvollkommen, zur Gegenwaffe, die über die Mine triumphierte, uns den Kampf wieder erfolgverheiszend aufnehmen liesz und ein Sinken der Verlustziffer der Minensuchfahrzeuge zur Folge hatte".

Met het oog op de groote lengte der wegen en de groote afstanden, waarop de zoekverbanden zich nu van de basis moesten verwijderen, vond een algeheele reorganisatie onder het materiaal plaats, waarmede de efficiency van den dienst in hooge mate zou worden opgevoerd. Volgens opgave van Admiraal Scheer waren voor het mijnenzoek- en mijnenopruimwerk op de Noordzeewegen in 1918 in dienst: 27 A-booten (210 tot 345 ton, 23 a 25 mijl, 1.9 meter diepgang, 2 X 8.8 cm), 17 torpedobooten, 71 M-booten, 4 FM-booten (Ned. Ind. mijnenvegers A t/m D), 23 visschersvaartuigen, 58 motorbooten voor opruimdoeleinden en communicatie, 4 moederschepen, een werkschip en verder nog nettenleggers, sperbrekers en wat klein materiaal. Het personeel voor de speciale schepen kwam geheel uit de Marine. Sedert Maart 1918 werd de Kapt. z. S. Nerger, beter bekend als cdt van den hulpkruiser Wolff, met het bevel over het geheel belast.

Onder den drang der omstandigheden zien wij dus hier, in afwijking van hetgeen bij de Britsche Marine geschiedde, het zwaartepunt leggen in het gebruik van speciale schepen. De langzame trawlers, die ook om hun grooten diepgang weinig geschikt waren voor het werk, waren grootendeels uit de organisatie verdwenen. Hun aantal nam van 84 op 1-6-1916 af tot 23 aan het einde van den oorlog. Zij werden hoofdzakelijk door M-booten vervangen, wier sterkte in hetzelfde tijdvak aangroeide van 24 tot 71. De eveneens betrekkelijk diepstekende torpedobooten kon men om hun groote vaart en gevechtswaarde aan den spergordel niet missen; het aantal werd zelfs van 27 nog tot 44 uitgebreid.

Al deze maatregelen bleken echter niet tot het gewenschte resultaat te leiden. „Die Krafte genügten kaum um fest zu stellen wo überhaupt Minen lagen". Garantie voor een veilige passage kon in geen enkel opzicht meer gegeven worden. De veelvuldige activiteit der Engelsche strijdkrachten maakte iedere doorvaart der

19