is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 55, 1940, no 1

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de Pers

nu plotseling als een wonderbaarlijk panacee boven de marinekim zijn komen opdagen, terwijl men er tot voor kort nimmer aan gedacht heeft, alhoewel dat type van schip welhaast dertig jaar deel uitmaakt van de marines der groote zeemogendheden".

Wat moet men denken van deze argumentatie, als schr. een paar regels verder mef algeheele instemming gewag maakt van het feit, dat de Staatscommissie van 1912 vier slagschepen op haar programma had staan. Van die kim en die dertig jaar blijft alzoo niet veel over.

Schr. gaat vervolgens over tot den bouw van de kruisers ,Java" en „Sumatra" in 1915, onder het kabinet Cort van der Linden, welke kruisers 6500 ton maten, in tegenstelling met de torpedokruisers van de Staatscommissie 1912, welke een tonnage van 1200 ton hadden en ongeveer een tiende deel van „Java" en , Sumatra" kostten. Schr. noemt dat een voorbeeld hoe voorzichtig men met de raming moet zijn. Maar moeten wij dan van dezen deskundige aannemen, dat hij niet weet, dat een schip van ruim 6000 ton veel meer dan vijfmaal zooveel kost als een schip van 1200 ton? Dit is niet aan te nemen. Waar schr. bovendien verzuimt te vermelden, dat de bouw van deze groote kruisers op geheel andere inzichten berustte, dan die van de kleine torpedokuisers, daar kunnen wij deze bewijsvoering weer onmogelijk als een objectieve, daarentegen wel als een insinueerende beschouwen.

Schr. gaat vervolgens over tot de voorstellen van de Vlootcommissie 1921, welke een sterkte van 4 lichte kruisers, 24 torpedojagers en 36 onderzeebooten noodig achtte en maakt er den tegenwoordigen chef van den Marinestaf een verwijt van, dat hij toenmaals als luitenant ter zee een der warmste propagandisten was voor dit project. Waar de schr. zelf zegt, dat dit voorstel „een zeer belangrijke vooruitgang was bij hetgeen toenmaals aanwezig was", is dit van de zijde van een oud-chef van den Marinestaf een weinig ruiterlijke bestrijding. Inderdaad toch was in die jaren de toestand van onze vloot uitermate treurig. Onze marine-officieren hebben altijd voorgestaan een harmonische vloot, waarin alle scheepstypen, zooals het behoort, vertegenwoordigd waren. Tot die harmonische vloot behoorden zeker ook de soorten en aantallen schepen van de Vlootcommissie 1921, hierboven genoemd, maar bovendien ook de zwaardere schepen. Waar men echter in die jaren voor de defensie slechts weinig over had, getuige trouwens het afstemmen van die Vlootwet 1923, was het wel zeer juist gezien, dat de marine de regeering steunde in een project, dat althans een belangrijk gedeelte van het noodige materieel verschafte en niet zich koppig afzijdig hield, omdat men niet alles kreeg, wat men noodig achtte.

Het weinige, dat in die jaren op gebied van zee-, land- en luchtmacht nog verkregen werd, is mede te danken aan de houding van de deskundigen, die niet overvroegen, maar gezien de toenmalige defensie-inzichten van ons volk, instemden met hetgeen te krijgen was.

Ook bij de landmacht moest men wel genoegen nemen met onvoldoenden oefentijd, onvoldoende vliegwezen, onvoldoende luchtdoelartillerie, onvoldoende pantserafweergeschut, enz., enz., enz.

Daar de heer Jager geacht wordt volkomen op de hoogte te zijn van den strijd om de defensie, die in die dagen gestreden is, kunnen wij het weinig bewonderen, dat hij de houding van zijn oud-collega's en met name van den tegenwoordigen chef van den Marinestaf in die dagen, in een onjuist daglicht stelt. De verantwoordelijkheid van deze laatste autoriteit is in onze dagen al zwaar genoeg, gezien de funeste gevolgen van dien tijd, om nu niet nog te trachten, het vertrouwen in die autoriteit te schokken.

Het tweede artikel van mr. Jager in het „Utrechtsch Nieuwsblad" van 18 November, is al even weinig opbouwend als het tot hier toe behandelde.

Het komt in het kort hierop neer, dat de regeering de slagkruisers wenschte en

155