is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 55, 1940, no 2

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

gedisloceerd aan de hand der boven sub 17e t/m 20e gegeven overwegingen.

25e. De overwegingen voor het indeelen van voorstoomverbanden worden sub 10e aangegeven.

26e. De ervaring van de Duitsche Marine heeft geleerd, dat de zoek- en voorstoomdivisies regelmatig over beide diensten moeten rouleeren.

27e. In hoeverre in dit opzicht kan volstaan worden met aan de schepen, welke bestemd zijn voor de uitoefening van den zoekdienst tevens het voorstoomen op te dragen, hangt ook af van de verhouding van het aantal zoekdivisies, dat in een bepaald zeegebied is gestationeerd, tot de totale afmetingen van het door deze verbanden te beveiligen zeegebied. Of met andere woorden: het hangt er van af, of de indeeling van zoekdivisies zóó ruim is genomen, dat er naast het normale zoekwerk voldoende gelegenheid voor het voorstoomen overblijft.

28e. Aan het hoofd van alle anti-sperdienststrijdkrachten in iedere zóne wordt een zóne-commandant gesteld. Deze behoort aan boord van een eigen schip geplaatst te zijn. Hij behoort daar te zijn, waar zijn tegenwoordigheid het meest vereischt wordt; hij moet in staat zijn het commando daadwerkelijk op zich te nemen, waar dit noodig is. Hij is dus flottillecommandant in den meest-uitgebreiden zin van dit begrip. Hij staat rechtstreeks onder de bevelen van de autoriteit, die de verantwoording draagt voor de veiligheid in het geheele zeegebied, waarvan de zóne een onderdeel vormt.

29e. De samenwerking tusschen de verschillende zones onderling wordt verzorgd door de centrale Marineleiding.

30e. De vredesoefeningen van den anti-sperdienst, zoowel van den mijnenzoek- als opruimdienst, behooren in de eerste plaats gericht te zijn op een uiterst nauwkeurig posthouden en varen in een zeei nauw verband der schepen onderling. Het opvoeren der manoeuvreervaardigheid onder alle omstandigheden is eerste vereischte. Hiervan is de efficiency van dezen dienst algeheel afhankelijk en hiermede staat of valt iedere mogelijkheid van actie.

Is deze eenmaal bereikt, dan wordt daarna gewendheid verkregen in het werken op versperringen. Deze is voor het personeel van den mijnenzoekdienst minder noodig, dan voor dat van den mijnenopruimdienst.

31e. Hieruit volgt dus, dat de mate van geoefendheid eener divisie grootendeels bepaald wordt door de geoefendheid der officieren; de officieren behooren over een goeden aanleg voor zeemanschap, een snel reactievermogen en durf (geen waaghalzerij) te beschikken.

Maar er is meer.

178