is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 55, 1940, no 5

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uitspraken Marineraad

Van de schroef 2 bladen gebroken. De kimkielen geheel verbogen.

Het middenzaadhout van spant 14 t/m 28 en van 52 t/m 68 geheel ingedrukt.

De vrangen bij spant 67 en 68 sterk ingedrukt.

De Raad is van oordeel, dat het op de Zuiderpier te Hoek van Holland loopen van Hr Ms „Mijnenveger II", naast de ongunstige omstandigheden van stroom, mist en oorlogsverlichting, is te wijten aan niet voldoende zorgvuldige navigatie, mede in verband met een onverantwoordelijke wijze van sturen door den roerganger.

Tot het passeeren van lichtboei No. 3 is de navigatie juist geweest, op deze uitzondering na, dat reeds toen de wijze, waarop de roercommando's werden gegeven, onvoldoende is geweest. Dit is in deze zaak daarom van zoo groot belang, omdat na het passeeren van genoemde boei de roerganger een groote fout heeft begaan, een fout welke hoogstwaarschijnlijk als de naaste aanleiding tot het ongeval moet worden beschouwd, een fout echter, welke wellicht achterwege ware gebleven, wanneer van den aanvang af de commandant had gezorgd, dat de roerganger strikte orders kreeg en dat op de wijze waarop hij zijn taak volbracht de noodige controle ware uitgeoefend.

Wat thans is gebeurd was tenslotte voor den commandant een volkomen verrassing. Ter zitting van den Raad verklaarde hij nog steeds voor een raadsel te staan. Volgens zijn in het vooronderzoek afgelegde verklaring schatte hij het tijdsverloop tusschen het voorliggen in den kompaskoers 288°, na het passeeren van boei 3, en het aan den grond loopen, toen het schip dus een groot aantal streken over bakboord moet zijn gedraaid, op één oogenblik. Hij had, reeds vóór het passeeren van de boei, opgemerkt, dat het schip om de Z.W. werd gezet, maar hij durfde nog niet Noordelijker dan den uitloopkoers te sturen om niet te dicht bij het Noorderhoofd te komen.

Hij liet de telegraaf, met het oog op den mist, H.K. zetten, maar hij verzuimde te bedenken, dat het niet nauwkeurig koers sturen onder de gegeven omstandigheden, geringe vaart, aanvankelijk ebstroom op het achterschip, later het Z.W. trekkend tij en bij het Zuiderhoofd het wantij — zeer gevaarlijk was.

De roerganger heeft de fout begaan om na het passeeren van boei 3, in het geheel niet meer op het kompas te kijken, doch te trachten op het voorschip te sturen. Dit laatste had niet alleen onder de gegeven omstandigheden geen zin, maar hij had zulks ook nimmer eigener beweging mogen doen. Zoo komt het, dat hij van het feit, dat het schip een groot aantal streken over bakboord draaide, hoegenaamd niets heeft bemerkt.

De Raad kan, de goede trouw van den roerganger niet in twijfel trekkende, moeilijk aannemen, dat juist is zijne verklaring, dat Hr. Ms. „Mijnenveger I" na het passeeren van de boei, inderdaad 288°, den gewonen uitloopkoers, voorlag. Vermoedelijk zal het schip toen wel bezuiden dien koers hebben gelegen. Hoe dit echter ook zij, de roerganger had op het kompas moeten blijven sturen en het bakboord uitdraaien van het schip moeten opmerken.

Zooals gezegd, hangt, naar 's Raads oordeel, de fout van den roerganger samen met het gemis aan controle op zijn handelingen en de wijze, waarop de roercommando's werden gegeven. Herhaaldelijk heeft de commandant „een beetje stuurboord" en „nog een beetje stuurboord" gecommandeerd. Naar 's Raads oordeel is dit niet de juiste methode. De commandant had beter gedaan bepaalde koersen op te geven. Voorts had hij, „stuurboord roer" commandeerende, den roerganger telkens, b.v. om de 5 of 10 graden, moeten laten uitroepen, de koersen, die het draaiende schip doorliep. Thans is aan den roerganger een veel te groote vrijheid gelaten er. de onder de ongunstige omstandigheden zoo noodige controle is achterwege gebleven.

De Raad wil hieraan de algemeene opmerking verbinden, dat het aanbeveling zoude verdienen het voorschrift, vervat in art. 232 van de „Voorschriften voor den CO. van Hr. Ms. oorlogsschepen" in voorschreven zin, overeenkomstig de op vele schepen van Hr. Ms. vloot inachtgenomen goede gewoonte, nader uit te werken.

703

2