is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 55, 1940, no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

Iniusschen gebeuren er onaangename dingen, kleinigheden slechts, maar die toch op iemands zenuwen werken in de abnormale omstandigheden, waarin wij leven. Een van mijn grootste zorgen blijft altijd de regelmatige voedselvoorziening; dank zij de bezoeken van Rombouts aan het riviermagazijntje, kon hij telkens weer nieuwe en kortere vrachtverbindingen door de savanne maken naar het in bewerking zijnde grensgedeelte; wij kregen dan ook steeds volop voeding. Thans echter loopt de suikervoorraad ten einde; er is suiker verdonkeremaand; een korte inspectie over de voeding geeft mij daarvan het bewijs. Suiker is steeds het meest „vervluchtigende" artikel van ons rantsoen geweest; was er op de rivier een ongeluk met een corjaal: meel en rijst werden gered, maar de suiker zonk; en nu mankeert er ongeveer 8 kilo aan onzen kleinen voorraad; in een aangebroken blik is nog ruim 5 kilo over. Als ik 's morgens het kamp verlaat, stop ik het groote blik voorzichtig in de klamboe van mijn hangmat. Alle arbeiders gaan met mij naar de grens, behalve één man, die herstellende is van een kapwond in zijn been.

Gedurende het werk op de waterscheiding worden wij getracteerd op een zware regenbui en druipnat kom ik 's middags terug in het kamp. De toestand waarin ik mijn hangmat en klamboe terugvind, tart alle beschrijving; de invalide kampbewaarder had, toen de wind opstak en de regen begon te vallen, bemerkt dat mijn tot op den grond neerhangende klamboe, dreigde geheel te doorweeken; hij had toen, niet wetend wat zij voor kostbaars bevatte, plichtsgetrouw de klamboe om de hangmat heen gerold; dat, wat ik terugvond was een nat, kleverig mengsel van zeildoek, klamboe-gaas, suiker en mieren, welke lieve diertjes blijkbaar reeds in het suikerblik waren gekropen, voordat ik het in de klamboe zette. En dit was het einde van de zuinig opgeborgen 5 kilo suiker!

8 Januari 1936 kreeg ik in het bosch eindelijk de eerste sporen van Brazilaansch grenswerk te zien en den volgenden dag vond ik Oliveira in zijn kamp op een cpengekapt grenszadel. Eenige weken tevoren had hij met zichtbaar welbehagen van onze koffie genoten; ik genoot thans met een beleefd gezicht van de zijne, maar dacht er het mijne van. Door gebrek aan arbeidskrachten werd hij reeds weken in dat kamp werkeloos vastgehouden; naar het Westen liep het grenspad echter ongeveer 15 kilometer door. Op het zadel waar wij ons bevonden, waren door zijn collega Cavalcanti astronomische waarnemingen gedaan. Ik had dus voor controle hier eveneens sterren te observeeren. Oliveira kon al dadelijk verhuizen naar het westelijke einde van zijn grenspad, van waaruit hij hoopte spoedig admiraal Kayser te zullen ontmoeten.

Later hoorde ik dat Oliveira dan ook vrijwel onmiddellijk verbinding kreeg met Van Straelen, die vanuit het Drielandenpunt ongeveer 45 kilometer grens-waterscheiding had gezocht in oostelijke richting.

Er kwam nu een periode van terugtrekken langs de reeds opge-

838