is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 55, 1940, no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op zoek naar Suriname''s Zuidgrens

voor. En telkens weer ontmoeten wij corjalen met Boschnegers, de Nederlandsche of Fransche vlag aan een langen stok schuin achterover aan den achtersteven bevestigd, en ook die hooren in het beeld. Een ontmoeting met een corjaal kost echter tijd: het parelen wordt gestaakt en een heele serie officieele begroetingen volgt, allemaal vaste formules, die op den duur wel wat conventioneel zijn, maar die alleraardigst klinken op zangerigen toon met een lang uitgezongen slotlettergreep; daarna even „takki" (praten) in een geheel anderen toonaard, en de parels gaan weer te water, waarop, na elkaar gepasseerd te zijn, weer officieele afscheidsgroeten volgen. Over het wijde water klinken nog lang de telkens weer herhaalde, zingende klanken na.

Er worden grapjes gewisseld met een zwarte Juno, die een kleine corjaal handig door een versnelling brengt, geholpen door een even zwarte Diana voorin de boot, die haar parel met energie hanteert.

De zeer ruime Boschnegercorjaal, waarin ik reis, heeft als bemanning een stuurman en twee roeiers. Eerst vond ik het bedenkelijk om niet met eigen arbeiders te varen, maar nu reeds ben ik enthousiast; stuurman en roeiers zijn alleraardigste kerels — vroolijk, beleefd en behulpzaam, en die bovendien hun werk verstaan. Een klein negertje van een jaar of drie, Kemissi, reist ook mee; ik kan er niet achter komen bij wien hij eigenlijk behoort; de stuurman zorgt voor het manneke, zorg die o.a. hierin bestaat, dat eiken dag eenmaal, als de boot eens stil ligt bij een soela, de dreumes bij een armpje buiten boord wordt gedompeld; meestal zit hij zachtjes zingend onder het palmblaren dakje rustig te spelen met een houtje of zilverpapiertjes van onze Kwattareepen, of hij ligt te slapen. Last geeft hij hoegenaamd niet.

Als het tijd wordt om kamp te maken, weten onze Djoeka's meestal wel een Boschnegerdorp te vinden en al krijgen zij zelf en ook onze arbeiders daar wel onderdak, mij trekt mijn tent meer aan; onze nieuwe tenten zijn grooter dan die van verleden jaar, bovendien met lijnolie ingesmeerd en voldoen zeer goed. Toch maken die dorpjes geen vuilen indruk, de harde, gladde leembodem tusschen de huizen wordt netjes geveegd.

Ook mijn veldbed is een genot en een groote verbetering op de hangmat, waarin ik slecht sliep.

Onze radio houdt de verbinding met de wereld — Paramaribo — gaande; jammer genoeg hoorden wij uit Paramaribo, dat Meuldijk reeds 14 dagen geen teeken van leven meer gaf; ik vrees dat zijn zender defect is. Onze telegrafist, kortweg Tjong genoemd, is een aardige jonge man met prettige manieren en vol ijver; hij deelt onze tafel.

Zoo is er dus veel om dankbaar voor te zijn en ik merk, dat ik mij te Paramaribo te vroeg zorgen heb gemaakt; toch zullen ook die nog wel komen.

Vanmorgen woonden wij een kapsalon-scène bij voor de huisjes waar wij overnacht hadden; de jonge heer des huizes werd door zijn ega gekapt. Eerst kamde hij zelf zijn wijd uitstaande pruik met een

847