is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 55, 1940, no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Discussies

„bende", Hr. Kist! Wanneer ik het woord „bende" had willen gebruiken, dan zou ik de geheele vuile wasch buiten de eigen familie hebben moeten wasschen.

En indien het U lust, mij nogmaals te hooren verklaren, dat ook ik het een voorrecht vond, als leider dezer mannen met hen te hebben mogen samenwerken bij de verdediging van ons Vaderland, welaan! dan gaarne. En indien Gij mij vraagt, hoe ik de mannen heb geliefd, waarmede ik 16 jaren lang ten onderzeedienst de zee bevoer, welaan! ook dan gaarne.

Maar mij in een onvruchtbare polemiek begeven met U „en vele anderen", die mijn ervaring sinds 15 Mei mist, daartoe laat ik mij dwingen, noch verleiden.

Betreffende het stuk van den heer Quant kan ik kort zijn. Zijn ervaringen zijn anders dan de mijne. Ik heb wel officieren gesproken, die slechts 4 weken geleden mij verklaarden, dat onze diensttijd van 5 maanden meer dan voldoende was om goede soldaten te maken en die zeiden, dat wij er wonderen mee wisten te bereiken. Een kwestie van appreciatie en een kwestie van norm. Zijn tevredenheid zou mij misschien minder bevredigd hebben.

Dat de kwestie van de Inwendige Dienst van de Marine zoo goed bleek te voldoen is interessant. Ook mijn ervaring is diergelijk, 't Heeft met mijn artikel echter niets te maken. Dat de mannen bij het 38e Korps met de schop „gewapend" op post stonden was normaal, indien men ervan uitgaat, dat orders moeten worden opgevolgd. De uitvinding was niet van mij. Overigens was onze ondervinding deze: „Ongewapend" slungelde elke schildwacht zoon beetje en had hij het gevoel van machteloosheid onder omstandigheden, die hem wel eens hadden kunnen dwingen tot optreden tegen politieke huisvredebreuk (historisch). Vanaf het moment, dat hij iets in den arm droeg, werd zijn houding kanter en gedisciplineerder, zelf-bewuster en mannelijker, al kostte het hem eenige moeite, zijn schroom te overwinnen. Leg hem uit, dat Holland zijn beste overwinningen met de spade bevocht in een eeuwigen strijd tegen het water, en hij vindt dit „wapen" nier oneervol. En zaagt Gij, Hr. Quant, wel eens een afbeelding van Pruisische boeren, die met dorschvlegels en zeisen de troepen van Napoleon attaqueerden?

Dat de schrijver nooit kennis nam van het oordeel van het buitenland omtrent het algemeene gebrek aan tucht van den Nederlander, spijt mij diep. Ik raad hem aan eens het hoofdstuk te lezen „Jeugd en Lectuur" uit „Tegen den stroom op" van Dr. J. Smit. Of wat Fransche en Amerikaansche auteurs hebben op te merken. Heeft dat nu iets te

927