is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 55, 1940, no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marineblad

waarde der erfenis, die de Vaderen ons lieten. Zóó moer de schrijver het hebben gevoeld, toen hij zich zette aan zijn Vaderlandschen arbeid. Zoo zij het!

Kr.

De rechtsvoorschriften voor de Vaart op Oost-Indië 1592—1620,

door Mr. H. Hoogenberk; een academisch proefschrift 307 blz.; uitgave Kemink en Zoon N.V. Over den Dom te Utrecht; prijs ing. ƒ 3.90, geb. ƒ 4.90.

Eerst laat komt bovengenoemd boek tot een recensie in het Marineblad. Het vond door den oorlog niet de aandacht, welke het verdiende. Het is ons daarom een voorrecht het alsnog in den jaargang 1940 te kunnen aankondigen. Wanneer deze dagen van rampspoed voorbij zullen zijn en de openbare verzamelingen weder kunnen worden aangevuld, zal dit boek, geschreven voor historici, juristen, zeelieden en belangstellende Vaderlandsche leeken niet ontbreken mogen. Teneinde den draad voor den lezer dezer bespreking vast te stellen, nemen wij over, wat de schrijver o.a. in zijn inleiding zegt

In de oudere zoowel als in de nieuwere koloniale literatuur is meermalen sprake van Commissiën, Patenten- en Artikel-brieven voor de Vaart op Oost-Indië. De schrijvers gaan blijkbaar van de gedachte uit, dat de daarmede aangeduide bescheiden en rechtsvoorschriften naar hunne beteekenis en functie van een dergelijke bekendheid zijn, dat een nadere verklaring daarvan zonder bezwaar achterwege gelaten kan worden

De schrijver betoogt echter dat zulks onjuist is, omdat

„deze bescheiden en rechtsvoorschriften een fundamenteele waarde hebben, niet alleen voor de regeling van het rechtsleven en van de rechtspraak aan boord van de Oostinjevaarders, doch eveneens voor de introductie onzer kooplieden in den Archipel, de totstandkoming van de eerste handelsrelaties met de Inheemschen en de vorming van het eerste Nederlandsche recht in eigen comptoiren en forten aldaar enz."

Hiermede is de algemeene lijn van dit boek aangegeven. Maar buiten deze, ook voor den leek, met vlotte pen geschreven gedeelten, bevat het boek een brok geschiedenis, die een dieper inzicht geeft in het wezen van de Compagniesvaart en van de vestiging in OostIndië, de verhouding tusschen opdrachtgever en kapitein, kapitein en koopman-aan-boord, enz. Het geeft een dieper inzicht in de menschelijkheid in het verkeer der volkeren, welke menschelijkheid zoo dikwijls door woorden als „hongitochten" wordt verondersteld niet aanwezig te zijn geweest. Voortdurend spreken de Hollandsche Heeren van „eerlijke en geoorloofde middelen" en in de instructie van Balthasar de Moucheron voor Cornelis De Houtman stond geschreven:

932