is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 4, 28-01-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 4.

40

de werking van betrekkelijk hooge temperaturen heeft te weerstaan, weer een andere dan dat, hetwelk in het gebruik onder gewone temperaturen blijft verkeeren. Toch moet men, volgens de uitkomsten der tot heden gedane onderzoekingen, en volgens de berichten der sedert eeuwen opgedane ervaringen, toegeven, dat de zoogenaamde echte Japansche lakken, d. w. z. de uit het sap der rhus vernicifera bereide lakken en lak verven, onder de meest verschillende inwerkingen van zuren, alkaliën, zoutoplossingen, hooge warmtegraden en mechanische invloeden een groot weerstandsvermogen aanwijzen, en dat dus dergelijke deklagen als roestbeveiliging van groote beteekenis zijn; maar als een universeel-roestbeveiligingsmiddel kunnen ook deklagen uit echt Japansche lakken en lakverven, op onderstaande gronden, geenszins worden aangemerkt.

Moeten wij dus toegeven, dat een universeel-roestbeveiligend middel d. i. een beveiligend middel, dat het ijzer onder alle omstandigheden een even duurzame als deugdelijk werkzame bescherming aanbiedt, ons tot heden niet ten dienste staat, zoo is het ons tevens duidelijk, dat de beoordeeling omtrent de qualiteit en de bruikbaarheid van deklagen tot roestbeveiliging, slechts met het oog op de in het gebruik optredende omstandigheden, kan plaats hebben.

Van de grootste technische beteekenis voor de gebruikelijke bedekkingen zijn ongetwijfeld de verflagen, die dan ook het veelvuldigst worden toegepast. Zij zullen dus, zoo beknopt mogelijk, geleidelijk hier worden behandeld.

Barff-Bower-proces.

Van die deklagen waarmede het ijzer in geschikte gevallen dikwerf wordt voorzien, komen in de eerste plaats het BarffBower's proces en aanverwante methoden in beschouwing («Stahl und Eisen» 1884, no. 2, blz. 98 en no. 5, blz. 265).

De Amerikaansche berichten (zie «Transactions of the Amer. Soc. of Mechan. Engineers» Bd. XV, 1894, blz. 998) onderwerpen deze inoxydatiemethoden, waarbij men algemeen op de beste resultaten rekende, aan eene ongunstige kritiek. In vele gevallen zijn, volgens de mededeelingen van Amerikaansche ingenieurs, dunne oxydoxydulelagen niet toereikend; het aanbrengen van lagen van genoegzame dikte veroorzaakt echter een sterk moflel- en stoomverbruik en diensvolgens betrekkelijk hooge kosten.

Bij het met oxydule-deklagen van genoegzame dikte beveiligde ijzer, neemt echter de oorspronkelijke vastheid aanzienlijk af; ook wordt op het nadeel gewezen, dat bij beschadiging van de deklaag — welke bij de bewerking van het inoxydeerde ijzer nooit ten volle is te vermijden — het blootgelegde ijzer zeer sterk weg roest, omdat de oxydoxydule electro-negatief tot het ijzer staat en bij vochtigheid of neerslag galvanische waterontleding, en de bekende gevolgen door de opgewekte stroomen tevoorschijn worden geroepen. In het bovenvermelde bericht van Wood wordt aan het Barff-Bower-proces een verdere toekomst ontzegd.

Of met de methode van de Meritens (zie «Stahl u. Eis» 1886 n°. 9, blz. 628), welk eveneens in het aanbrengen van een dunne, maar vaste, op het ijzer hechtende oxydoxydulelaag bestaat, betere ervaringen dan met die van Barff-Bower en dergelijken, worden verkregen, daaromtrent heb ik, noch uit de vakliteratuur noch op andere wijzen, iets vertrouwbaars kunnen ervaren. Veel gunstiger luidt het oordeel der Amerikaansche ingenieurs («Transact, of the Am. Soc. of Mech. Eng.» Vol. XV 1894. Blz. 1006) omtrent het proces van Gessner («Stahl u. Eis» 1891 n° 11, Blz. 953), dat niet op de vorming eener oxydoxydule, maar op een koolstofverbinding als deklaag betrekking heeft. Wood wijst, ten opzichte van de goede uitkomsten dezer methode echter uitsluitend op Gessner's geschrift.

Toch moet het ons verwonderen, dat de methode van Gessner, welke meer dan tien jaren oud is, en niettegenstaande de vermelde gunstige resultaten, geen grooter burgerrecht heeft verkregen.

Hieruit is wellicht de conclusie te trekken, dat deze beveiligende werking aan de, door Wood hoog uitgemeten verwachtingen, slechts ten deele heeft voldaan.

Ongetwijfeld kan roestvorming, ja zelfs onderroesting voorkomen bij alle deklagen, die uit een materiaal bestaan, dat electronegatief tot het ijzer staat en zij, óf hier of daar beschadigd werden, óf, als zij doordringbaar zijn voor water en gassen.

Gelijke nadeelen bezitten ook alle deklagen, welke uit andere metalen bestaan, die zich, zooals koper en lood, electro-negatief

tot het ijzer verhouden, of als het tin in de spanningsrij het ijzer zeer nabij komen. Zekere metalen, zooals zilver, goud en platina, zijn reeds met het oog op de hooge kosten, in de meeste gevallen van het gebruik bij technische doeleinden, buitengesloten. Dit kan ook voor eene methode gelden, waarvan de uitkomsten in het besproken bericht van Wood zeer geroemd worden, en die in eene verkopering en daarop volgende alumineering van het te beveiligen ijzer bestaat.

Galvaniseering. De meest gebruikelijke, goede uitkomsten opleverende methode is het bekende verzinken van ijzer; intusschen nemen ook de moeielijkheden der verzinking met de afmetingen der te verzinken voorwerpen toe, en eene voldoende beveiliging van groote constructiedeelen in den bruggen- en scheepsbouw kan tot heden hiermede niet plaats hebben.

Emailleering van groote voorwerpen ontmoet nog steeds onoverwinnelijke technische moeielijkheden, terwijl het aanbrengen van witte of gekleurde emaille-lagen ter beveiliging van kleinere of middelmatige voorwerpen in den jongsten tijd eene uitgebreide toepassing vond. Ook zijn de vroegere klachten over gebreken van aan de lucht weerstand biedende, geschikte, op ijzer aangebrachte glazuren zeldzamer geworden, zoodat wel is aan te nemen, dat de emailleerwerken in dit opzicht vorderingen hebben gemaakt.

Cement. Deklagen uit cement, welke sedert geruimen tijd gebruikelijk zijn, worden in het bericht van Wood juist niet geroemd, en de beveiligende werking, wegens hare doordringbaarheid voor water en gassen betwijfeld, (zie : Wenckebach, Roesten van ijzeren bruggen).

In den laatsten tijd heeft men eene verweering van de kettingen der Niagarabrug waargenomen («Stahl u. Eis. 1898, n° 18, blz. 876). Deze kabels waren in een mengsel van cement en kalksteen gelegd, en de vernieling is waarschijnlijk aan het voorkomen van zwavelverbindingen in het mengsel toe te schrijven. Overigens moet uit het bericht van Wood worden vermeld, dat cement ter beveiliging van ijzer, dat aan de werking van zoet- en zeewater was blootgesteld, vroeger dikwijls met het beste gevolg werd gebezigd. Men mag intusschen niet uit het oog verliezen, dat het weerstandsvermogen van onderscheidene cementsoorten, speciaal tegen de inwerking van zeewater zeer verschillend is, en dat verontreinigingen van.het materiaal of het slechte aanbrengen der cementlaag ongunstige uitkomsten kunnen opleveren.

Nauwverwant aan de cementbedekkingen, zijn lagen uit dikke verven van allerlei aard, zoo als onder anderen door Welsh, in den vorm van loodoxyde-lagen van verschillende samenstelling, reeds voor twintig jaren bij ijzeren scheepsbodems met goed gevolg zijn toegepast. Maar ook hier wordt het gebruik beperkt, eerstens door de bezwaren, waarmede het aanbrengen van de deklaag soms gepaard gaat, anderzijds door de hooge prijzen van het te bezigen materiaal.

Ter beveiliging van groote voorwerpen wordt dan ook het gewone verven in de meeste gevallen, toegepast. Dikwerf is echter het resultaat in de practijk, van twijfelachtige waarde; met het oog op de hooge kosten, willen wij verder op de zaak ingaan.

Het begrip, een beschermende verfdeklaag, is veel omvattend. Het sluit al het materiaal in, dat met behulp van de verf kwast op het ijzer moet worden gebracht, het materiaal, dat uitsluitend uit een vloeistof bestaat, het materiaal dat dikvettig is, en voor het uitsmeren eerst moet worden verwarmd, en eindelijk de bekende tot üitsmering gereed zijnde olieverven en lakverven, d. z. mengsels van vaste substantiën, in het bijzonder van verflichamen en olie, resp. olie- of lakvernis.

Tweeërlei verfbedekkingen, uitsluitend uit vloeistoffen bestaande, willen wij hier bespreken.

Reeds voor vele jaren bezigde men teersoorten en zekere daaruit gewonnen distillaten, tot beveiliging. Dat ruwteer water, houtteer, vrije zuren en als zuren werkende lichamen, steenkolenteer ammoniakzouten bevat, welke het ijzer benadeelen en direct of indirect tot rustvorming aanleiding geven, is sedert lang bekend. Daarom werd later het teer en zijne distillaten zorgvuldig ontwatert en van de voor ijzer schadelijke bestanddeelen bevrijd. Toch komen nu en dan weer, onder hoogdravende namen, producten aan de markt, welke door verhitting van teer, hoofdzakelijk uit olie- of vetgas-fabrieken afkomstig, met zwavel zijn bereid. Het ongunstige resultaat, dat men aan dergelijke «beveiliging», volgens de samenstelling reeds vooraf i kan voorspellen, blijkt dan ook meestal juist te zijn, de deklaag j droogt zeer langzaam ; als zij echter is doorgedroogd, scheurt | zij gemakkelijk en geeft het ijzer op de ontbloote plaatsen aan