is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 11, 18-03-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\ê. 11.

128

Sampean-rivier gegeven, opgemaakt uit de beschrijving van de werken voorkomende in het verslag over het jaar 1895 van de Burgerlijke Openbare Werken in Ned. Indië.

Men ziet daaruit, dat de kruin van de stuw ongeveer 10 Meter boven den rivierbodem benedenstrooms ligt. Bij de Ngloewak-stuw is dit hoogteverschil 12 Meter, de heer van Kol noemde daarvoor ten onrechte het cijfer 21. Men heeft bij het ontwerpen van de Sampean-stuw met de ligging der benedenrivier blijkbaar geen rekening gehouden en ook bij de uitvoering daaraan niet de noodige aandacht geschonken, ofschoon moeder Natuur toen reeds een duidelijke waarschuwing gaf. Men had namelijk, ongeveer in het midden van de dam, een vak van 20 Meter breedte open gelaten voor den doortocht van het rivierwater en in dat vak was tijdens de uitvoering langzamerhand een geul geschuurd, waarvan de bodem ongeveer gelijk lag met dien van de benedenrivier. Deze geul is later ter plaatse van de stuw en over honderd meter lengte daarbeneden aangevuld en daarna is het stuwlichaam en het stortebed daaroverheen opgetrokken. Toen echter de stuw in dienst werd gesteld, herhaalde zich uit den aard der zaak hetzelfde verschijnsel beneden het gemetselde stortebed en begonnen zich geulen te vormen in de padasbank die den overgang vormt tusschen het stortebed van de stuw en den eigenlijken rivierbodem. Deze bank toch maakte feitelijk een onderdeel van de storthelling der stuw uit, doch was als zoodanig door de ontwerpers over het hoofd gezien. De consequentie van de gemaakte fout, het doortrekken van het bemetselde stortvlak tot aan den bodem van de benedenrivier, durfde men niet aanvaarden, vooreerst wegens de hooge kosten, en ook omdat het metselwerk tegen de door het water medegevoerde steenen en grind niet bestand bleek. Men behielp zich dus met het aanbrengen van gedeeltelijke bemetselingen, aanleggen van koffers dwars op de stroomrichting, maken van leimuren en dergelijke middelen, doch wat men het eene jaar maakte, sloeg het volgende jaar weder weg. Tusschen de jaren 1876 en 1882 is onder leiding van f?oo^eri_VAN KoL daaraan in heerendienst een bedrag van t 18864b besteed. In 1884 kwam een afvoerkanaal gereed, dat men inmiddels om den dam heen in den linkerrivieroever had gegraven, het zoogenaamde bandjirkanaal. Tevens werd de rivier boven de stuw door een sluis afgesloten, zoodat sedert de bandjirs niet meer over den dam worden afgevoerd.

Après coup redeneerend kan men zich er over verwonderen, dat men bij het ontwerpen van den Sampeandam blijkbaar geen rekening heeft gehouden met de hoogteligging van den rivierbodem beneden de stuw, doch men moet daarbij in het oog houden, dat het werk is gemaakt in een tijd, dat in Indië op irrigatie-gebied zoogoed als niets werd verricht. De oudere ingenieurs hadden dus geen ondervinding en de jongere hadden de woorden irrigatie en stuwdam in Delft zelfs niet hooren noemen. De wijze waarop de irrigatiebelangen in dien tijd werden behartigd wordt voldoende duidelijk uit de volgende in het verslag over de Burgelijke Openbare Werken van 1895 voorkomende zinsneden :

„De totale kosten dezer werken was bij uitvoering in vrijen arbeid begroot op f648000.

De Regeering was niet geneigd deze som dadelijk beschikbaar te stellen en won het gevoelen van den resident in, over de vraag of de uitvoering der kostbare werken niet nog gedurende eemge jaren kon worden uitgesteld en of het niet mogelijk was voorioopig met tijdelijke middelen een bevredigenden toestand te handhaven.

Het antwoord van den resident was van dien aard, dat in 1867 over de uitvoering van het ontwerp met het opperbestuur m overleg werd getreden.

De Minister van Koloniën, hoezeer van het nut der voorgestelde werken overtuigd, stelde de vraag of er geen andere bevloeiingswerken waren, bijv. die in Grobogan, waarvan de uitvoering; nog noodzakelijker was. Naar aanleiding hiervan geraakte de uitvoering van permanente werken teSitoebondo ge r rei\ een\ge jaren op den achtergrond."

Met de noodige variaties was hetzelfde op alle in dien tijd gedane voorstellen van toepassing.

Keeren wij echter tot de technische zijde van het vraagstuk terug.

Behalve het bezwaar, dat de bergrivieren in den regel door den aanvoer van steenen en grind, beschadigingen aan het stortvlak veroorzaken, zijn er nog andere factoren, die oorzaak zijn dat een stuw m zulk een rivier gebouwd in veel ongunstiger conditie verkeert, dan in een benedenrivier. Om dit

aan te toonen zij het mij vergund eenigszins meer uitvoerig mede te deelen, op welke wijze ik mij de waterbeweging bij een stuw voorstel, welke functie de stuw daarbij vervult en in het algemeen welke denkbeelden mij bij het ontwerpen van de Ngloewak-stuw hebben geleid.

_ Door het aanleggen van een stuw op eenig punt a eener rivier verkrijgt het water een zeker arbeidsvermogen. Dat vermogen is op eenig punt b beneden de stuw weder verdwenen. Op dat punt stroomt het water weder op dezelfde wijze en met dezelfde snelheid alsof de stuw niet aanwezig ware. Dat arbeidsvermogen moet dus tusschen de punten a en b zijn verbruikt. De stuw zelf nu kan aan de uitputting van dat arbeidsvermogen slechts een zeer gering aandeel nemen. Door de wrijving van het water langs het stortvlak gaat zoo weinig daarvan verloren, dat men dit deel wel geheel kan verwaarloozen. Brengt men het arbeidsvermogen in cijfers, dan maken de enorme getallen het ons verder ook zonder meer wel duidelijk dat, althans bij de grootere stuwen, evenmin door botsing van het water met de constructie-deelen van de stuw een eenigszins noemenswaard gedeelte van dien arbeid zou kunnen worden verbruikt. De beschadigingen, die waargenomen worden bij de stortkommen van betrekkelijk kleine stuwen met vertikalen val, wijzen er op, dat het moedwillig concentreeren van de opgewekte natuurkrachten op het kunstwerk zelf zonder nadeelige gevolgen slechts binnen zeer enge grenzen mogelijk is. Vooral bij de grootere stuwen is het dus wel niet anders mogelijk, dan dat de uitputting van het arbeidsvermogen bezorgd wordt door het in beroering brengen van de beneden de stuw tusschen de punten a en b aanwezige watermassa.

De stuw zelf kan dus niet veel anders zijn en behoeft ook niet veel anders te zijn, dan de schakel die de beide kampioenen, het boven- en het benedenwater met elkander in contact brengt. De inrichting van de stuw moet zoodanig zijn, dat dat contact zoo volledig mogelijk zij, dat beide massa's elkaar op zoo volledig mogelijke wijze doordringen en zooveel mogelijk punten van aanraking met elkaar krijgen. De gewoonlijk voor het benedenwater gebezigde uitdrukking van „waterkussen" is dus oneigenlijk omdat de werking van het benedenwater met die van een kussen hoegenaamd niets gemeen heeft. Het is alleen de innige vermenging en de daardoor ontstaande wrijving en botsing van de waterdeelen onderling, die de uitputting van de levende kracht van het water tot stand kan brengen. Die vermenging nu kan bevorderd worden door de helling van het stortvlak zoo flauw mogelijk te maken. Bij steile helling toch wordt de overstortende waterstraal geconcentreerd op een klein deel van het benedenwater aan den voet van de stuw, bij flauwe helling geeft men daarentegen het bovenwater een zoo groot mogelijk veld van aanval.

Aan de andere zijde is het wenschelijk het benedenwater zoodanig toe te rusten, dat het den aanval, zonder in al te heftige beweging te geraken, kan weerstaan, want van die beweging ondervinden de stuw en de rivierbodem en wanden daarbeneden den terugslag. Dit bereikt men door de watermassa zoo groot mogelijk te maken, dus door aan de stortkom beneden de stuw een zoo groot mogelijken inhoud te geven. Die kom moet dus breed en diep zijn. De natuur wijst hier trouwens den weg, want overal waar men in de bergrivieren belangrijke plaatselijke opstuwingen aantreft tengevolge van zijdelingsche vernauwing van het profiel of door een rotsbank in den bodem, daar vindt men ook beneden die opstuwing zulk een breede en diepe kom. Het verdient daarom aanbeveling de leimuren beneden de stuw zooveel mogelijk spreidend aan te leggen en den voet van de storthelling door te trekken tot beneden den gemiddelden rivierbodem. Hoever men hierin moet gaan zal van omstandigheden afhangen en is niet door berekening te bepalen, doch een weinig overdrijving kan zeker geen kwaad, want dat wordt vanzelf door aanslibbing geredresseerd, terwijl karigheid op dit punt wordt gestraft door aantasting van bodem en oevers.

Hoe gunstiger nu de omstandigheden zijn om beneden de stuw een ruim en diep waterbekken te verkrijgen en te handhaven, m. a. w. hoe grooter dus het weerstandsvermogen van het benedenwater is, des te grooter zal ook de aanvallende kracht kunnen zijn, die men bij het bovenwater mag toelaten, des te grooter verval zal er dus tusschen boven- en benedenwater kunnen bestaan, zonder dat de bewegingen van het benedenwater al te heftig worden.

Bij de vlakterivieren, die zooals de Solo-rivier, slechts een

«nrtnikt bii F. i. BELINFANTE voorn

A. D. SCHINKJÜL,