is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 11, 18-03-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

129

M 11.

gering verhang hebben, zijn de omstandigheden voor het benedenwater uitermate gunstig. Een geringe vermeerdering van afvoer veroorzaakt daar een aanmerkelijke rijzing van den rivierstand. Naarmate de afvoer over de stuw grooter wordt, vermindert dus in sterke mate de valhoogte en neemt in dezelfde mate de capaciteit van het waterbekken beneden de stuw toe.

Bij bergrivieren als de Sampean zijn de omstandigheden veel ongunstiger. De rijzing van het bovenwater boven de kruin van de stuw blijft bij een bepaalden afvoer natuurlijk dezelfde als bij de stuw in de benedenrivier, doch de waterspiegel beneden de stuw stijgt belangrijk minder als gevolg van het veel grooter rivierverhang. Bij denzelfden afvoer zal dus de valhoogte en daarmede het arbeidsvermogen van het overstortende water belangrijk grooter zijn en tegelijk het weerstandsvermogen van het benedenwater belangrijk kleiner, dan bij de stuw in de vlakterivier.

In het algemeen zal men dus de stuwhoogte moeten beperken naarmate het natuurlijke rivierverhang grooter wordt.

Stel b.v. dat bij maximum afvoer de waterstand in de Solo-rivier beneden den dam 2 Meter minder hoog steeg, dan thans werkelijk het geval is, dan zou om die reden alleen, wilde men niet in ongunstiger conditie geraken, de kruin van de stuw ook 2 Meter lager moeten liggen. Maar bovendien zou die kruin nog een tweede verlaging moeten ondergaan omdat het weerstandsvermogen van het benedenwater minder zou zijn dan vroeger, en dit dus zwaarder dan vroeger belast zou worden.

Waar dus wellicht een stuw van 12 Meter hoogte in de Sampean-rivier niet op haar plaats is, daar is dit nog geen reden, dat die in de Solo-rivier niet bestaanbaar zou zijn.

Zoolang het vraagstuk van de botsing van watermassa's niet voor theoretische behandeling vatbaar is, zal het niet mogelijk zijn de toe te laten verhoudingen in formules uit te drukken. Men moet zich dus bij het ontwerpen van een stuw bepalen tot vergelijking van de omstandigheden, waaronder het bouwwerk zal verkeeren met die, welke bij reeds uitgevoerde werken voorkomen, en dan is de Ngloewak-stuw zeer zeker niet in het nadeel. Het cijfer van 12 Meter voor de valhoogte van het water maakt oppervlakkig wel een buitengewonen indruk, doch bij die stuwhoogte wordt over den dam niets afgevoerd. Bij een afvoer van slechts 100 M3 vermindert de valhoogte al dadelijk tot 9.33 M.; (1) de dikte van den waterstraal bedraagt dan op 't punt van samenkomst met het benedenwater niet meer dan 4 cM. Bij afvoeren van respectievelijk: 250, 500, 1000 en 1500 M3 wordt die dikte van den straal resp.: 9, 19, 40 en 65 cM., terwijl de valhoogte daarbij afneemt tot respect. 8.70 M., 7.97 M., 6.90 M. en 6.03 M. Niemand die eenige practische ondervinding van stuwdammen heeft, zal geloof ik beweren, dat hier van iets buitengewoons sprake is, vooral als daarbij nog eens uitdrukkelijk wordt vermeld, dat van afvoer van steenen, zelfs van kleine over de stuw geen sprake kan zijn. Wanneer men daarbij dan tevens in het oog houdt, dat het water wordt opgevangen in een kom, die voor de genoemde gevallen een diepte heeft van reap. 7.70 M., 8.70 M., 9.90 M., 11.70 M. en 13.20 M, dan aarzel ik niet dergelijke verhoudingen zelfs zeer gunstig te noemen.

Doch ook voor de afvoeren boven 1500 M3. heerschen bij de Ngloewak-stuw volstrekt geen toestanden die niet ook elders worden aangetroffen. Bij maximum afvoer wordt de valhoogte tot 4.13 M. gereduceerd, terwijl er 3.80 M. water op de stuwkruin staat. De stuw in de Godaverij (waterbouwkunde, bevloeiingen blz. 236) heeft volgens de teekening bij hoogwater 4.90 M. water boven de kruin bij 3.75 M. verval. De Verdon-stuw heeft 7.38 M. water boven de kruin bij een valhoogte van niet minder dan vijftien Meter (Annales des ponts et chausseés 1872). Het arbeidsvermogen van het overstortende water is dus hier ruim zevenmaal grooter dan bij de Ngloewak-stuw. Zoo zullen tal van andere voorbeelden te noemen zijn, doch bij geen dezer stuwen, ja, ik durf wel haast zeggen bij geen enkele stuw ter wereld zal men onder die verhoudingen een waterbekken van ruim 16 M. diepte aan den voet van de stuw aantreffen en dus ten aanzien van dit cardinale en beslissende punt in zoo gunstige conditie verkeeren als bij de Ngloewak-stuw. Verdeeling van het

(1) Men vergelijke de teekening behoorende bij n°. 20 van dit Weekblad, jaargang 1898.

verval bij de Ngloewak-stuw is dus in geenen deele noodig te achten. De uitspraak van den Heer Van Kol, die mij in dit opzicht roekeloosheid ten laste legt, kan slechts het gevolg zijn van het zich blind staren op het cijfer van de maximum opstuwing zonder rekening te houden met de bijkomende omstandigheden, die aan dit op zich zelf niets zeggend cijfer zijn ware beteekenis verleenen.

Om nu nog eens op de Sampean-stuw terug te komen: de lezer heeft al gezien, dat de daar ondervonden teleurstellingen in geenen deele grond geven om de deugdelijkheid van het ontwerp van de Ngloewakstuw te betwisten. Het grootste deel van de storthelling had men niet bekleed en dat men er later niet toe overging die bekleeding aan te brengen was zeker te verdedigen wegens de beschadigingen, die het metselwerk van de medegevoerde rolsteenen en grind voortdurend had te lijden.

Een afdoende voorziening door middel van graniet, ijzer of dergelijk meer weerstandbiedend materiaal had voor het groote te bekleeden oppervlak zeker enorme uitgaven medegebracht. Ik geloof echter niet dat men daarom wijs gedaan heeft de stuw geheel te abandonneeren, tenzij deze nog andere gebreken had die daartoe hebben genoopt. Men had alleen dat onbekleede stortvlak en ook een groot deel van het wel bemetselde stortebed kunnen laten vervallen, daarbij tegelijkertijd zorgend, dat het eigenlijke stuwlichaam geen schade kon beloopen door den koffermuur aan den teen van het te behouden gedeelte van het stortvlak dieper aan te leggen. De padasbank beneden de stuw zou dan langzamerhand vanzelf zijn opgeruimd en de benedenrivier daarmede geleidelijk genaderd zijn tot aan den voet van de stuw. Naarmate de diepte aan den voet grooter werd, had ook de ondermetseling van den voetmuur moeten worden voortgezet. Gegeven de vaste padasgrond had deze muur wegens afwezigheid van gronddruk geen groote dikte behoeven te hebben. Men was dan langzamerhand gekomen tot het type van de Buitenzorgsche dammen met watersprong, dat in de zeer belangrijke voordracht van den ingenieur Homan van der Heide, opgenomen in het instituutstijdschrift afd. Ned. Indië over 1898, is beschreven.

Een dezer dammen, de stuwdam Tandjong-oost, die omstreeks 1845 werd gebouwd, is op de bijgaande plaat als type aangegeven. Vooral de zeer lichte constructie van deze soort dammen, die reeds meer dan 50 jaren dienst doen, is uiterst merkwaardig. Wij verwijzen daarvoor echter naar het genoemde tijdschrift en bevelen de lezing daarvan aan, ook omdat de daarin ontwikkelde denkbeelden blijkbaar geheel parallel loopen met de onze.

De ondermetselingen bij de Sampean-stuw zouden vermoedelijk niet de som van f 138646 hebben gekost, die thans tot tijdelijk behoud van de stuw is besteed. In elk geval zou dat doel daarmede evengoed zijn bereikt. Men had het middel zonder meerdere kosten kunnen probeeren en zeer waarschijnlijk op deze wijze de stuw geheel kunnen behouden en daardoor de kosten van het Bandjirkanaal ad f 324322 uitgespaard.

Het is hier niet de plaats dit denkbeeld verder uit te werken. Ik heb slechts willen aanstippen, dat men naar het mij voorkomt de Sampean-stuw wel wat al te spoedig geheel heeft opgegeven. De heer Van Kol heeft de toestanden daar wat te donker ingezien, doch hoe dit ook zij, in geen geval gaat het aan deze maar klakkeloos van toepassing te verklaren op de stuw te Ngloewak.

Of door den heer Van Kol te stoute uitdrukkingen zijn gebezigd, laat ik dan ook met vertrouwen over aan het oordeel van „de ingenieurs", waarop hij zich beroept. Sidajoe-Lawas, 4 Februari 1899.

W. B. van Goob.

Irrigatiewerken in Kediri.

In een tweetal artikelen in «De Locomotief» van 30 en 31 Jan. betoogt de heer A. G. Lamminga te Tegai, dat uitstel van de bevloeiingswerken in Kediri werkelijk niet noodig is.

De schrijver wijst er op, dat de Minister niet hoofdzakelijk om den tegenslag der Solo-werken, maar wel hoofdzakelijk om de oneenigheid der adviseerende autoriteiten teruggeschrikt is van het vragen van de noodige gelden bij de begrooting voor 1899. En nadat hij vervolgens de plannen der werken uiteen heeft gezet, geeft hij een overzicht van de meeningsverschillen welke tusschen de adviseerende autoriteiten bestonden, doen die thans tot één punt zijn teruggebracht.