is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 11, 18-03-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M tl.

130

«Het meeningsverschil tusschen het departement der burgerlijke openbare werken en de rentabiliteits-commissie betreft in hoofdzaak de prijzen voor de onteigening uitgetrokken; over punt 2 bestaat geen verschil van meening en over punt 3 thans ook niet meer, daar de tegenwoordige directeur het inzicht der rentabiliteits-commissie deelt, blijkens een ter zake pas verschenen circulaire van het departement der burgerlijke openbare werken. Waar nu onder de tegenwoordige omstandigheden van wantrouwen in den waterstaat vóór alles moet worden voorkomen, dat een raming weêr zou worden overschreden en hiervan als 't ware geen quaestie zal mogen kunnen wezen, daar is het te begrijpen, dat het hoogere cijfer door het departement voorgesteld, ook vooral met het oog op een mogelijke, echter niet onder cijfers te brengen, tegenvaller bij het gebruik van heerendiensten. De kosten der uitvoering zullen waarschijnlijk meevallen, andere gevolgen zal de te hooge raming niet hebben; maar een aanleiding tot uitstellen der uitvoering kan daarin bezwaarlijk worden gevonden.

«In het voorgaande is meegedeeld, waarin de onzekere factor bestaat door den Minister van Koloniën in zijn memorie van antwoord bedoeld en is getracht aan te toonen, dat die feitelijk voortvloeit uit den wensch om bij eventueele uitvoering van het werk overschrijding der raming met zekerheid te voorkomen.

«Overigens bestaat er bij de Kediri-werken geen onzekerheid van kosten of anderen aard; het voorloopig ontwerp is volledig opgemaakt, de technische quaesties zijn onderzocht en van alle kanten bekeken en van de voornaamste onderdeelen van het werk heeft men zich behoorlijk rekenschap gegeven.»

De biologische klaring van rioolvocht.

Over de biologische klaring van rioolvocht zijn in de laatste tijden verschillende geschriften verschenen. In een werkje van George Thudichum «The ultimate purification of sewage», de medewerker van Dibdin, heeft deze gelegenheid gevonden om zijne ervaringen aangaande de verschillende methoden voor de klaring van rioolvocht gedurende een tijdvak van een twaalftal jaren mede te deelen. Een groot deel van zijn geschrift wordt in beslag genomen door de biologischs klaring, door Dibdin in Engeland ingevoerd, welke methode reeds in verschillende Engelsche gemeenten ingang gevonden heeft. Bij het Dibdinsysteem zijn het de bacteriën, zooals men reeds weet, die de klaring van het rioolvocht bewerkstelligen. Zij nemen de ontleding der onoplosbare samengestelde organische verbindingen voor zich, welk resultaat men alleen dacht te kunnen bereiken door de toevoeging van chemicaliën. Ten dien einde werd dan ook vroeger aan het rioolvocht te Londen chloorkalk toegevoegd, wat tot ongunstige resultaten aanleiding gegeven heeft. Later werd van natrium permanganaat gebruik gemaakt, met het doel om de rottings-bacteriën te vernietigen, hetgeen eene vuile, stinkende ontleding voorkomt. Tegelijkertijd wordt door het vrijkomen van zuurstof de ontwikkeling van die micro-organismen bevorderd, welke door oxydatie de nitrificatie en de ontleding der onoplosbare samengestelde organische verbindingen zonder stankontwikkeling bewerkstelligen.

De verschillende proeven hebben bewezen, dat een grootere toevoer van zuurstof, in den vorm van gesteriliseerde lucht, alleen deze micro-organismen ten goede komt, terwijl daardoor tevens het ontledings-proces door de rottings-bacteriën voorkomen wordt. Alle chemicaliën verdrijven de zoo zeer gewenschte eerste soort van bacteriën en werken alleen belemmerend op de rottings-bacteriën. Een matige toevoer van reeds bedorven lucht heeft dan ook steeds ten gevolge, dat eene meer stankverwekkende vervuiling intreedt.

Volgens George Thudichum berust het beginsel der vloeiweiden geheel op de biologische klaring. Daar voor de bevloeiing niet alle gronden in aanmerking kunnen komen en hiervoor tevens groote uitgestrektheden grond noodig zijn, zoo is men verplicht bij kunstmatige filters als voorwaarde te stellen, dat de salpetervormende organismen in den kortst mogelijken tijd, in eene zooveel mogelijk beperkte ruimte, tot ontwikkeling kunnen geraken.

Deze voorwaarde wordt bij het DiBDiN-systeem bereikt.

Het beste filtreermateriaal voor het DiBDiN-filter (hetwelk vooral poreus en door het rioolvocht niet aangetast mag worden) is cokesgruis, ook wel slakken enz.

Te Barking werd eene oppervlakte van 400 A. land met eene 92 cM. hooge laag cokesgruis bedekt, die met eene 7 cM. dikke laag kiezelsteenen bezwaard werd. De grond onder het filter is met geperforeerde buizen gedraineerd.

Bij eene voortdurende werkzaamheid verslibt het filter spoedig. Daarom moet dit dan ook van tijd tot tijd aan zich zelf overgelaten worden. Na eene langzame vulling vertoeft het rioolvocht ongeveer twee uren lang op het filter. Gedurende dit tijdsverloop moeten de in het rioolvocht aanwezige salpetervormende en ontledende organismen hun werk verrichten. Daarna wordt het filter langzaam geledigd, waarna het weder, na enkele uren aan de lucht blootgesteld te zijn, gevuld wordt. Na een tijdsverloop van zes dagen treedt een rustperiode voor het filter in. De duur van zulk een rustperiode moet voor elk rioolvocht proefondervindelijk bepaald worden.

De klaarinrichting volgens het DiBDiN-systeem werkt reukeloos en het filtreermateriaal blijft vrij van slib. Eene vernieuwing van het filtreermateriaal is onnoodig. Het filter zal dus zeer lang zijne functiën kunnen verrichten, mits voor de noodzakelijke luchtverversching zorg gedragen wordt.

Dat de klaring door micro-organismen bewerkstelligd wordt, wordt algemeen aangenomen, doch ten stelligste bewezen is dit nog niet.

Het geklaarde rioolvocht kan zonder eenige bedenking in de openbare wateren geleid worden.

Verschillende Engelsche gemeenten hebben het DiBDiN-systeem ingevoerd.

Wanneer de klaring van het rioolwater te Barking bevredigend te noemen is, hetgeen volgens de meening van verschillende deskundigen nog niet als geheel zeker aan te nemen is, dan moet men toch met de beoordeeling der bruikbaarheid dezer inrichting voorzichtig zijn, daar de graad van verdunning van het rioolvocht van grooten invloed is. Het rioolvocht waarmede Dibdin zijne proeven nam, is zeer van samenstelling veranderd, alvorens het het filter bereikt. Van zijne zwevende bestanddeelen is het voor een groot deel reeds bevrijd, terwijl zijne samenstelling door de toevoeging van chemicaliën eene andere is geworden.

Ook in Duitschland telt men eenige inrichtingen volgens het DiBDiN-systeem, gecombineerd met het Septisch-Tan A-systeem, berustende op hetzelfde grondbeginsel. Aangaande het systeem van Schweder hebben wij reeds een en ander in dit Weekblad van 4 Maart 1899 medegedeeld.

Onlangs heeft Th. Weijl de resultaten van zijne onderzoekingen bekendgemaakt. Deze zijn genomen met een filter van 0.1 M2 doorsnede en 0.036 M3 inhoud. Moeielijk is het, deze uitkomsten als maatstaf aan te nemen voor die welke met groote inrichtingen te verkrijgen zijn. Hij komt tot de slotsom, dat het oxydatievermogen van het filter door verblibbing afneemt en dat de Altraten nog een zeer groot aantal bacteriën bevatten. Een DiBDiN-filter kan de ontleding van organische stikstofhoudende verbindingen zonder de vorming van salpeterzuur of salpeterige zuren bewerkstelligen, doch het is moeielijk zijn oxydatie-vermogen afhankelijk te stellen van het al of niet vormen van deze verbindingen.

Schumberg heeft verschillende proeven genomen met rioolvocht, dat volgens de methode van Schweder geklaard wordt.

Daar het in deze inrichting te klaren rioolvocht uit Berlijn afkomstig is, hetwelk voor verschillende dagen eene andere samenstelling bezit, en daar bovendien tengevolge van de eigenaardige constructie het niet mogelijk is, met een zelfde soort rioolvocht proeven te nemen en voor iedere ruimte afzonderlijk, trachtte Schumberg deze fout te ontgaan, door het gemiddelde van verschillende uitkomsten te nemen. Deze gemiddelde gegevens wei-den voor verschillende dagen onderling vergeleken.

Daar het rioolvocht reeds in zeer vervuilden toestand de klaarinrichting bereikt, mag dus niet als zeker aangenomen worden, dat het ontledingsproces alleen in de klaarinrichting zelve plaats heeft.

Daarom nam Schumberg proeven in het klein met faecahën, die pas afgescheiden waren. Het bleek hem nu, dat deze zich binnen een tijdsverloop van twee dagen ontleden, en dat deze ontleding voor een bepaalden graad van verdunning het snelst geschiedt. Zijne conclusie is dan ook, dat ieder rioolvocht niet voor dit systeem geschikt is. Door de biologische klaring wordt slechts voor een deel de ontleding der onoplosbare meer samengestelde organische verbindingen verkregen. Eene zeer belangrijke hoeveelheid onopgeloste bestanddeelen blijft achter. Het wegvloeiende water is reukeloos en bevat geen tot ontbinding geneigde zwevende bestanddeelen. De luchtruimte is als doelloos te beschouwen.

Het bacteriëngehalte wordt niet in die mate verminderd, dat het o-eklaarde rioolvocht zonder verdere desinfectie in de openbare ^wateren geloosd kan worden. De afwezigheid van pathogene