is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 11, 18-03-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

131

M 11.

bacteriën is niet verzekerd, daar de coli-bacteriën nog zeer talrijk in het filtraat voorkomen.

Een voordeel dezer inrichting bestaat zeer zeker in de geringe bedrijfskosten.

's Zomers en 's winters kan de inrichting dienst doen, terwijl van stank geen sprake is. In ieder geval verdient dit systeem alle aandacht en zijn verdere proefnemingen in deze richting sterk £tün te bevelen.

Wellicht eene combinatie, die met andere methoden hare volmaaktheid ten goede komt.

J. VAN DER BREGGEN.

Handel en scheepvaart van Hamburg en Bremen in 1898.

De gunstige ontwikkeling der zaken die 1898 voor de beide Noordzeesteden heeft gebracht, is inderdaad een der gevolgen van de algemeene uitbreiding van Duitschlands handel met het buitenland. De vermeerdering van Duitschlands bevolking, die in de jaren van tachtig gemiddeld 500,000 zielen per jaar bedroeg, is omstreeks het midden der jaren van negentig tot 800,000 zielen gestegen. In 1879, toen Bismarck de beschermende handelspolitiek invoerde, had het Duitsche Rijk 44,7 millioen bewoners, in 1898 daarentegen 54,5 millioen. De voortbrenging van levensmiddelen (met uitzondering van vee en vleesch) is sedert ongeveer gelijk gebleven. Voor rond tien millioen menschen meer dan destijds moeten dus levensmiddelen en grondstoffen voor kleeding worden ingevoerd. Geen zuchten der agrariërs kan dit feit te niet doen. De kosten van dezen invoer moeten worden gedekt door den uitvoer van Duitschen arbeid naar het buitenland. De uitvoer heeft dus ook sterk moeten toenemen en vooral is dit geschied ten gevolge der handelsverdragen. Daar echter de grondstoffen voor dezen, uit den aard der zaak bijna uitsluitend uit fabrieksgoederen bestaanden uitvoer, slechts voor een zeer klein deel in Duitschland zelf worden verkregen, heeft ook de invoer van grondstoffen voor de nijverheid een veel grooteren omvang moeten krijgen. Deze drie machtige hefboomen hebben den handel met het buitenland een zeer buitengewone ontwikkeling gegeven en moeten dien nog belangrijk doen toenemen, daar de uitbreiding der bevolking nog niet schijnt te zullen verminderen.

Dit komt wel in de eerste plaats ten goede aan den handel van de Hollandsche en Belgische zeesteden, daar de industrieele ontwikkeling van Duitschland zich in hoofdzaak voordoet in de Rijnstreek die den uitstekenden waterweg van den Rijn tot haar beschikking heeft, maar in de tweede plaats trekken Hamburg en Bremen er voordeel van.

In 1898 is de invoer van Duitschland met 613 millioen mark, de uitvoer met 215 millioen mark toegenomen. Geen enkel Europeesch land kan wijzen op zulk een vermeerdering van den uitvoer. De uitvoer van Engeland is zelfs een klein weinigje verminderd. En zulk een groote vermeerdering van den invoer vindt men nergens terug, zelfs niet bij de Vereemgde Staten. Men vergelijke slechts de cijfers (in millioenen) van onderstaande tabel.

Invoer. Uitvoer.

1898

1897

1898

1897

Groot-Brittannië . . . 451,0 470,6 234,2 233,4 £st.

Vereenigde Staten. . 742,6 633,7 1099,7 1254,9 Doll.

Duitschland 4864,6 5477,6 3786,2 4001,7 Mk.

Frankrijk 3956,0 4376,2 3598,0 3503,3 Frc.

Oostenriik-Hongarije 755,3 830,9 766,2 808,8 Flor.

Italië (11 mnd.) . . 1070,1 1212,2 989,3 1067,8 Lire.

Rusland (8 » ) . . 337,2 376,0 412,2 469,9 Rb.

De uitwerking van dezen krachtigen vooruitgang van Duitschlands buitenlandschen handel op Hamburg en Bremen kan men het gemakkelijkst afleiden uit opgaven der aangekomen schepen die hier in netto-register-tonnen (internationale maat) volgen : Hamburg. Bremen 1885 .... 3.704,000 T. 1,289,000 T. 1890 ... . 5^203,000 » 1,733,000 »

1895 ... . 6.254,000 » 2,183,000 »

1896 ... . 6,455,000 » 2,011,000 »

1897 .... 6,708,000 » 2,258,000 »

1898 .... 7,355,000 » 2,464,000 »

Wat hier voor Bremen is opgegeven, is echter niet uitsluitend

de scheepvaartbeweging van de stad Bremen. De stad is voor de zeevaart eerst geopend door de verbetering van den BenedenWeser, een werk aanvankelijk met wantrouwen beschouwd, dat de stad Breinen voor eigen rekening ten koste van 30 millioen mark heeft laten uitvoeren. Het werk is schitterend gelukt. De diepte van het vaarwater is van 2% a 23/4 meter vergroot tot 5 a 5^ meter bij gewonen waterstand en 6 a 6^4 meter bij springvloed. Dientengevolge heeft zich het verkeer van aankomende zeeschepen als volgt ontwikkeld :

1890 173,000 T.

1895 651,000 «

1897 723,000 «

1898 848,000 «

In deze belangrijke ontwikkeling heeft de betrekkelijk kleine

t»,.,*™™ -x v.aaft maar -150 000 inwoners —nietnllppn

de kracht maar ook het zelfvertrouwen gevonden om nog 43 millioen te wagen aan de kanalisatie van den Boven-Weser, welke haar de vurig verlangde binnenvaartverbinding met den Rijn en de Elbe door het Middelland-kanaal zal geven. Rekent men alles samen wat Bremen voor havenwerken, vaarwaterverbeteringen en kanaalwerken met inbegrip van de nog uitte geven onkosten voor de kanalisatie van den Boven-Wezer, heeft besteed in twaalf jaren tijd, dan komt men tot de reusachtige som van 120 millioen mark. Ook Hamburg heeft grootsche haveninrichtingen aangelegd en gaat nu over tot de verdieping van de Elbe beneden Hamburg.

STATEN-GENERAAL.

Onder den titel „Bevordering der verhooging van de Waaldijken, in verband met de afsluiting der Heerewaardensche overlaten" is bij Kon. Boodschap van 10 Maart ji. bij de Tweede Kamer een wetsontwerp ingekomen, dat de volgende bepalingen inhoudt:

Art. 1. Uit 's Rijks schatkist worden bijdragen verleend voor de verhooging van de dijken langs de rivier de Waal, voor zooveel deze is gebleken noodig te zijn in verband met de afsluiting der Heerewaardensche overlaten, bedoeld in de wet van 26 Januari 1883 (Stbl. no. 4).

Art. 2. De in art. 1 bedoelde bijdragen worden verleend aan de polderdistricten Tielerwaard, Bommelerwaard boven den Meidijk en Bommelerwaard beneden den Meidijk, tot een bedrag van twee derden der kosten van de verhooging hunner dijken, en wel:

aan het polderdistrict Tielerwaard twee derden van ten hoogste f351 000;

aan het polderdistrict Bommelerwaard boven den Meidijk twee derden van ten hoogste f 412 000;

en aan het polderdistrict Bommelerwaard beneden den Meidijk twee derden van ten hoogste f 137 000 ;

onder voorwaarde, dat de ontwerpen en bestekken vooraf door Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid worden goedgekeurd.

Art. 3. Voor de betaling van de in art. 1 bedoelde bijdragen worden te zijner tijd de vermoedelijk uit te keeren gedeelten op de Staatsbegrooting beschikbaar gesteld.

In de M. v. T., die de geschiedenis dezer zaak met betrekking tot de vnrmiiiÊf van den nieuwen Maasmond uitvoerig behandelt en ook

omtrent laatsgenoemd werk belangrijke mededeelingen doet, leest men het volgende:

«De wet van 26 Januari 1883 {Stbl. n°. 4), tot het verleggen van de uitmonding van de rivier de Maas, bepaalt dat tot eene geleidelijke beteugeling der Heerewaardensche overlaten zal worden overgegaan, met dien "verstande, dat de volledige afsluiting niet zal plaats hebben dan gelijktijdig met de opening van het nieuwe riviervak.

Het aanvankelijk aan de Staten-Generaal voorgelegde wetsontwerp bevatte deze bepaling niet. De Regeering had zich toch op het standpunt geplaatst dat de afsluiting van de Heerewaardensche overlaten niet in rechts tree ksch verband stond met de vorming van de nieuwe rivier, en dat die door de rivierbelangen gevorderde afsluiting in ieder geval ook zonder dat tot de verlegging van den Maasmond werd besloten, zou moeten plaats hebben. In de zitting der Tweede Kamer van 29 November 1882 werd de bepaling bij amendement in het wetsontwerp opgenomen. . .

Bij de bespreking over de gevolgen, die de afsluiting der ovena» zou hebben voor de Waaldijken, verklaarde de Minister Klerck in zitting der Tweede Kamer van 28 November 1882 dat eene tegemoet koming in de kosten eener verhooging van de Waaldijken wa""Bde die noodig mocht zijn gebleken als een welbewezen gevolg va

dichting der overlaten, m overweging zou kunnen woiueu e*"*

de beteugeling van de

Tnpn in verband met de vorderina van de Maasmonuw ,

1888 een begin moest worden gemaakt met de beteu?£,'ng _ den

Hfiwpwnardensche overlaten, door het leggen van een a'J

buitenpolder van Heerewaarden, werd de daartoe noodige ve g van het bestuur van dien polder gevraagd en verkrege Deze vergunning moest krachtens net regiemen* r