is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 18, 06-05-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 18.

224

wegen, bedoeld in artikel 1 der wet van 28 October 1889 (Stbl. no. 146), •vastgesteld bij Koninklijk besluit van 26 Mei 1890 (Stbl. no. 93), zooals dit laatstelijk werd gewijzigd en aangevuld bij Koninklijk besluit van 25 Juli 1894 (Stbl. no. 138), en is besloten met ingang van 1 October 1899 :

I. Artikel 90, eerste lid, van deel A van het algemeen reglement voor den dienst en het vervoer op de spoorwegen, bedoeld in artikel 1 der wet van 28 October 1889 (Stbl. no. 146), vastgesteld bij Koninklijk besluit van 26 Mei 1890 (Stbl. no. 93), gewijzigd bij Koninklijk besluit van 19 April 1892 (Stbl. no. 90), gewijzigd en aangevuld bij Koninklijk besluit van 25 Juli 1894, (Stbl. no. 138) te vervangen dooide navolgende bepalingen :

«De dienst- en rusttijden van de beambten en bedienden der spoorwegdiensten, belast met de uitoefening van den dienst of met de zorg voor het veilig verkeer worden, behoudens buitengewone omstandigheden, als volgt geregeld :

a. voor stations-beambten en -bedienden (als : wissel-, seinhuis- en overwegwachters, rangeerders, telegrafisten), wier diensten naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, medebrengen, dat zij onafgebroken inspannenden arbeid te verrichten hebben, mag:

1°. geen diensttijd meer bedragen dan tien (10) achtereenvolgende uren;

2°. in elk etmaal de gezamenlijke duur van de diensttijden niet meer bedragen dan tien (10) uren ;

b. voor alle andere mag:

1°. geen diensttijd meer bedragen dan zestien (16) achtereenvolgende uren ;

2°. in elk tijdvak van drie achtereenvolgende etmalen de gezamenlijke duur van de diensttijden niet meer bedragen dan twee en veertig (42) uren;

3°. in elk tijdvak van veertien achtereenvolgende etmalen de gezamenlijke duur van de diensttijden niet meer bedragen dan honderd acht en zestig (168) uren,

c. voor de onder a en onder b bedoelde beambten en bedienden moet tusschen elke twee opvolgende diensttijden een onafgebroken rusttijd worden gelaten van ten minste tien (10) uren, waarin zij geheel vrij zijn van eiken dienst en van elke bemoeienis met den spoorweg ;

d. boven dezen onafgebroken rusttijd moeten gedurende den diensttijd de noodige korte tijden van rust voor het gebruiken der maaltijden worden toegestaan.

«Onder diensttijd wordt in het vorige, lid verstaan de tijdruimte, gelegen tusschen het oogenblik, waarop de beambte of bediende aanwezig moet zijn om zijn dienst te beginnen, en dat, waarop hij zijn werk kan verlaten tot het genieten van den onder c genoemden onafgebroken rusttijd; onder etmaal het tijdsverloop van middernacht tot middernacht. Onder buitengewone omstandigheden worden niet begrepen zoodanige omstandigheden en bijzondere dienstverrichtingen als door bestuurders van den spoorwegdienst hadden kunnen worden voorzien.

«Behalve de onder c en d van het eerste lid bedoelde rusttijden, moeten alle in dat lid bedoelde beambten en bedienden ten minste zes en twintig (26) dienstvrije tijden in het jaar genieten, waarvan ten minste acht (8) met een Zondag of algemeen erkenden Christelijken feestdag moeten samenvallen. Behoort echter een beambte of bediende tot een kerkgenootschap, dat den wekelijkschen rustdag niet op Zondag viert, dan moeten, wanneer hij aan bestuurders van den spoorwegdienst zijn verlangen daartoe heeft te kennen gegeven, laatstbedoelde diénstvrije tijden samenvallen met den dag, welke door zijn kerkgenootschap als wekelijksche rustdag is aangenomen. De duur van elk der dienstvrije tijden moet, indien zij niet onafgebroken op elkander volgen, ten minste dertig (30) uur bedragen ; volgen eenige dienstvrije tijden elkander op, dan moet de duur van elk dier tijden ten minste vier en twintig (24) uur bedragen.

«Onze Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is bevoegd van de bepalingen van het eerste en van het derde lid geheel, ten deele of voorwaardelijk ontheffing te verleenen voor de beambten en bedienden van minder belangrijke stations, halten en posten, zoomede voor die beambten en bedienden, welke gedurende hun diensttijd niet onafgebroken werkzaam zijn of ten opzichte van wie handhaving van die bepalingen niet in het belang van de behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten of van de veiligheid van het verkeer vereischt wordt."

II. Artikel 93, tweede lid, van deel A van gemeld algemeen reglement te lezen:

«Door «gedurende den dienst en diensttijd» wordt, uitgenomen in het eerste, tweede, derde en vierde lid van art. 90 van deel A van dit reglement, verstaan de tijd verloopende van het afrijden van den vroegsten trein des voormiddags tot den laatsten des namiddags.»

De heer G. de Gelder, werktuigkundig ingenieur en benoemd adjunct-inspecteur over den arbeid heeft een voor de studie aan de Polytechnische school vrij belangrijk voorstel ingediend bij den Senaat van het Delftsche studentencorps. Voor een tiental jaren werd door het D. S. corps eene commissie ingesteld, die tot taak zou hebben het belang der studie te bevorderen; jaarlijks werd door haar in den almanak van het corps een verslag uitgebracht over de gehouden colleges. Van deze commissie konden alleen zij lid zijn, die lid waren van het D. S. C., zoodat het gevoelen van niet-corpsleden, hoewel evenveel belang hebbende bij de studie, nimmer werd geraadpleegd.

De heer De Gelder oordeelt dezen toestand onbillijk en heeft daarom een voorstel ingediend om de commissie ter behartiging der studiebelangen af te scheiden van het D. S. C, zoodat ook niet-leden van dat corps daarin zitting zullen kunnen krijgen. Alvorens dit voorstel in te dienen heeft de heer de Gelder zich gewend tot de docenten der Pol. School om hun advies daarop. Twee vragen werden aan de docenten gesteld, nl. 1°. of het wenschelijk en nuttig kan zijn dat de behartiging der studiebelangen ook door de studeerenden geschiedt en 2°. of deze behartiging door alle ingeschrevenen mo et geschieden. De tot nu toe ontvangen antwoorden betuigen vrijwel alle ingenomenheid met het voorstel. Van één docent werd bericht ontvangen, dat deze quaestiën hem koud lieten. De raad van bestuur^ der Pol. School heeft zich nog niet officieel uitgesproken, doch waar de meeste hoogleeraren reeds geantwoord hebben, valt het niet te betwijfelen of ook dat advies zal gunstig zijn.

Uitvoering der onteigeningswet.

Naar aan de «Arnh. Crt.» van goede zijde wordt medegedeeld, is door den Min. van Wat., H. en N. en den directeur-generaal der Staatsspoorwegen last gegeven tot het in hooger beroep komen van het vonnis der rechtbank te Arnhem, waarbij in een viertal onteigeningszaken, ten behoeve van de brug over den Usel bij Westervoort, in strijd met de conclusie van het Openbaar Ministerie, de eisch van de onteigende partij «niet ontvankelijk» werd verklaard.

Het geldt hier een verschil van opvatting omtrent de uitvoering van art. 14 der onteigeningswet, hetwelk niet beslist aanduidt, welk register van het kadaster aan het Kon. besluit moet worden ten grondslag gelegd: dat hetwelk gediend heeft bij de verschillende te doorloopen stadiën: tervisieliggingen, de wet verklarende het algemeen nut enz., öf wel een register, zooals dit geldt op den dag der dateering van het Kon. besluit.

Eerstgenoemd beginsel, onder opvolgende Regeeringen toegepast en door den Minister Thorbecke mondeling toegelicht bij de behandeling der wet in de Staten-Generaal (Bijblad 1850/1851 verslag der commissie van rapporteurs, bladz. 498 en Regeeringsantwoord, bladz. 732) zou, naar het oordeel der rechtbank, thans onjuist en on wettig zijn. Het door de rechtbank voorgestane beginsel, den weg opende tot tallooze exceptiën van onwettigheid en stuitende op onuitvoerbaarheid der wet zou — wordt die opvatting als juist erkend — ingrijpende wijziging van de onteigeningswet noodig maken.

Het Gerechtshof te Arnhem zal alsnu in deze te beslissen hebben ; intusschen zal het gerezen geschil tot belangrijke vertraging en schade voor de werken kunnen leiden, tenzij het Hof, overeenkomstig de strekking van de onteigeningswet, termen zal vinden, om een spoedige uitspraak te bevorderen.

Door rector en senaat der Universiteit te Leiden zijn o. m. de navolgende prijsvragen uitgeschreven:

Faculteit der wis- en natuurkunde.

I. De faculteit verlangt een zooveel mogelijk volledig overzicht van de onderzoekingen, die betrekking hebben op pseudo-elliptische integralen.

Dit overzicht moet bevatten eene duidelijke uiteenzetting van de verschillende handelwijzen, die zijn aangewend om pseudo-elliptische integralen af te leiden, of om kenmerken voor bepaalde klassen van zoodanige integralen vast te stellen.

Het zal zeer op prijs gesteld worden, indien oorspronkelijke beschouwingen aan het gevraagde overzicht worden toegevoegd.

II. De faculteit verlangt een onderzoek van het werkzame bestanddeel in een of andere drogerij, bij voorkeur ontleend aan onze Indische koloniën, die nog niet of nog slechts voorloopig in die richting onderzocht is.

De vragen worden beantwoord in de taal, waarin zij gesteld zijn.

De antwoorden, geschreven met eene andere hand dan die van den auteur worden vóór 1 Mei 1900 toegezonden aan den secretaris van den senaat der Universiteit. Zij worden geteekend met eene spreuk en gaan vergezeld van een verzegeld briefje, dat dezelfde spreuk tot opschrift heeft en den naam en het adres des schrijvers bevat.

Op den derden Dinsdag van de maand September 1900 wordt het oordeel der faculteiten over de ingekomen verhandelingen afgekondigd en aan de schrijvers der meest voldoende antwoorden, die door de faculteiten der bekroning waardig zijn gekeurd, de gouden eerepenning uitgereikt.

Automobielen.

Te Amsterdam is een naamlooze vennootschap opgericht door de heeren G. W. van Barneveld Kooy Jr., D. J. van den Honert, Th. A. J. Gilissen, E. van Essen, mr. Th. G. Dentz van Schaik, W. J. Vynk, H. Oortman Gerlings als commissarissen en den heer A. de LeüR als directeur, met een kapitaal van voorloopig eén millioen gulden, ten doel hebbende het exploiteeren van vervoermiddelen door middel van mechanische beweegkracht (automobielen).

Binnen korten tijd zullen door haar proeven worden genomen met electrische rijtuigen, zoowel voor personen als voor goederenvervoer en zullen dus naast de benzinerijtuigen de electrische hun intocht in Amsterdam doen. De vennootschap zal zich voorloopig bepalen tot exploitatie van rijtuigen in Amsterdam en Den Haag, maar zij stelt