is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 20, 20-05-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M «O.

250

Om de treinen -van den wal naar de veerboot te doen overgaan en omgekeerd bezigt men drijvende aanlegplaatsen. Zij bestaan uit een ponton en eene toeleidende brug, beide uit staal vervaardigd. De ponton beeft een rechthoekvorm ; zij is lang 100', breed 40' en hoog 6'8".

Door 3 waterdichte langs- en vier dwarsschotten is zij in 20 vakken verdeeld. De afstand der spanten en der dekbalken is 2', de plaatdikte der huid 1/4". Aan de bovenstroomsche zijde liggen twee ankers van 38 cwt. met 13/4" kettingen; benedenstrooms is de ponton verankerd met twee kettingen van lH" aan ankers van 26 cwt.

De brug is 70' lang van hart tot hart der oplegrollen en 13' breed; zij is samengesteld uit staalplaat, dik Vé"- Door 2 waterdichte langsen 6 dwarsschotten is de brug, die drijfvermogen bezit, in 21 vakken verdeeld.

De schets in fig. 32 geeft eenig denkbeeld van de inrichting dezer aanlegplaats.

III. Opmerkingen.

Eene drijvende aanlegplaats bestaat uit de volgende drie hoofdonderdeelen: a. het drijvende gedeelte;

6. de inrichtingen, waarmede dit drijvende gedeelte op zijn plaats wordt gehouden;

c. de gemeenschapsmiddelen tusschen het drijvende gedeelte en den wal.

a. Hoewel in enkele gevallen vlotten van balken of plaatijzeren cylinders met goed gevolg zijn toegepast, zoo wordt in den regel het drijvende gedeelte eener aanlegplaats gevormd door eene ponton, die óf wel uit een enkele drijfkist kan bestaan öf uit een samenstel van meerdere drijfkisten.

Enkele malen heeft men ter besparing van aanlegkosten, zooals b.v. te Glasgow, of om andere redenen, houten drijfkisten gebezigd. Deze uitzonderingen zullen verder buiten bespreking blijven en hetgeen verder volgen zal heeft uitsluitend betrekking op pontons die uit ijzer geconstrueerd zijn.

Wanneer de ponton eener aanlegplaats uit een enkele drijfkist bestaat, dan moet de dienst gestaakt worden telkens wanneer de drijfkist zware herstellingen moet ondergaan of onder de waterlijn geverfd moet worden, tenzij er een reserveponton voorhanden is.

Tegenover het voordeel, dat bij gelijk deksoppervlak, de aanlegkosten van een enkele drijfkist minder bedragen 'dan die van een samenstel van kleinere drijfkisten, staan dus overwegende nadeelen. Om deze redenen 'en om andere van constructieven aard, bestaan de belangrijke aanlegplaatsen dan ook bijna alle uit meerdere drijfkisten. Wordt eene er van lek, dan houden de andere de aanlegplaats nog drijvende. Zij kunnen beurtelings verwijderd worden voor belangrijke herstellingen, al of niet tijdelijk vervangen door een reservedrijfkist.

Een ijzeren drijfkist, 't zij deze op zich zelve alleen als ponton dienst doet, of wel met andere deel uitmaakt van een pontoninrichting, is een platbodemd drijvend lichaam van een vorm, die meestal overeenkomt met een parallelopipedum. Bij de meeste drijfkisten zijn de benedenhoeken der dwarsdoorsnede afgerond (fig. 33) en veelal ook een paar hoeken in den platten grond.

Zulk een drijfkist is in hoofdzaak geconstrueerd als alle bakvormige vaartuigen. Op onderlinge afstanden van 0.50 a 0.60 M. zijn volgens het beloop der dwarsdoorsnede spanten gesteld, bestaande uit enkel of dubbel hoekijzer, zoo noodig verstijfd met plaatijzer. Aan den bodem doet een opstaand plaatijzer, — een wrangplaat — over de volle breedte doorloopende, als zoodanig dienst (zie fig. 34). Aan de bovenzijde dezer wrangplaat is veelal een hoekijzer als keerspant geklonken. Meestal zijn driehoekige platen aangebracht ter versterking van den hoek tusschen de ijzeren dekbalken en het verticale spantgedeelte.

Door waterdichte schotten over de geheele hoogte in de dwarsrichting, en veelal bovendien ook in de lengterichting, worden de grootere drijfkisten in eenige compartimenten verdeeld, zoodat het drijfvermogen betrekkelijk weinig vermindert als er een lek ontstaat. Zoo deze schotten zeer gewenscht zijn bij drijfkisten, die met andere deel uitmaken van eene drijvende aanlegplaats, zij zijn onmisbaar bij eene ponton, die uit slechts een enkele drijfkist bestaat. Anders zou een lek, dat bij aanvaring zoo licht voorkomt, onmiddellijk gevaar voor het zinken der ponton doen ontstaan.

De waterdichte schotten dragen bovendien bij tot versterking van het verband in de drijfkist. Tot dit doel zijn bovendien soms dwarsschotten ter halve hoogte aangebracht (b.v. te Seacombe), en in de lengterichting over het midden van

den bodem profielijzers of geconstrueerd I-ijzer, evenals bij kielschepen „zaatijzers".

De plaatijzeren huid of beplating, waaruit de zijwanden en de bodem bestaan, en veelal ook het bovenvlak of dek, hoewel daartoe soms uitsluitend hout gebezigd wordt, heeft meestal eene dikte van V' & 5/ie"- Op zeer verschillende wijzen kunnen de huidplaten worden aaneengeklonken bij langs- en dwarsnaden.

De meest gebruikelijke constructie van de verbinding bij de „stuiken", — zijnde de naden tusschen de platen van een ,,gang'_' of rij in de lengterichting, — is afgebeeld in fig. 35. Zij bestaat uit een enkele laschplaat of strip aan de binnenzijde, die de stuik dekt welke tusschen twee spanten valt. De beste wijze om de opvolgende gangen aan elkander en aan de spanten te bevestigen stelt fig. 36 voor. De gangen sluiten om den anderen op de spanten; de bovenliggende overdekken de onderliggende aan beide zijden, ter voldoende breedte voor het aaneenklinken. Minder goed is de oudere constructie, waarbij iedere gang aan de eene zijde door den voorgaanden gedekt wordt, en aan de andere zijde den volgenden dekt — zie fig. 37. De aansluiting met de spanten laat hierbij te wenschen over. Zeer aan te bevelen is evenwel deze constructie bij de dekbeplating met het oog op de afwatering, toegepast zooals fig. 38 aangeeft. Men verkrijgt hiermee tevens eenige tonrondte. Dubbele strippen of laschplaten worden ook wel aangewend (fig. 39). Het klinkwerk, veelal enkel, wordt ook wel dubbel gemaakt.

Wanneer het spant aan de bodemhoeken is afgerond, wordt meestal de in fig. 33 aangegeven constructie gevolgd. Heeft echter de ontmoeting van de bodemplaten met die van de wanden onder een rechten hoek plaats, dan wordt tot verbinding der platen in den regel een hoekijzer aangebracht. Dit kan op verschillende wijzen geschieden. De meest gebruikelijke zijn die volgens de fig. 40 en 41. Vrij algemeen wordt de eerste, waarbij het hoekijzer aan de binnenzijde is geklonken, de beste geacht.

Bij de ontmoeting der korte zijwanden met de lange, die meestal _ rechthoekig, soms stomphoekig, soms gebogen is, vinden in 't eerste geval dezelfde verbindingen toepassing.

Er moet worden zorg gedragen dat het water, 't welk door de eene of andere oorzaak in de drijf kist is gedrongen, daaruit gemakkelijk verwijderd kan worden. Het moet dus gelegenheid hebben om vrij naar de pomp te stroomen en tot dit deel worden kanaaltjes opengehouden tusschen de spantvakken. Fig. 42 geeft een voorbeeld hoe dit o. a. bij een rechthoekig spant kan geschieden.

Alle compartimenten moeten behoorlijk toegankelijk zijn voor inspectie en onderhoud. Daarom zijn luiken noodig en mangaten in het dek en in de waterdichte schotten. Luchtcirculatie is zeer gewenscht om het inwendige droog te houden en roestvorming tegen te gaan. Deze luchtcirculatie kan bewerkstelligd worden door het aanbrengen van minstens twee mangaten op geschikte plaatsen in iedere drijfkist. Op goed gekozen punten moeten kokers zijn aangebracht of pomppompgaten in het dek.

Bij een deugdelijk onderhoud wordt al het ijzer behoorlijk roestvrij en in de verf gehouden, terwijl de aangroeisels onder de waterlijn, die het drijfvermogen verminderen en roestvorming bevorderen, periodiek worden verwijderd. Maar behalve de verfbekleeding is voor den bodem, die in zeer ongunstige omstandigheden verkeert, een betere bescherming noodig. In den regel bekleedt men den bodem met een laag Fortlandcement; enkele malen wordt asphalt gebezigd. Deze cementlaag, waarvan het zandgehalte hoogstens de helft mag bedragen en die nergens dunner mag zijn dan IV2 & ,2 vult alle gedeelten op, waar anders water zou kunnen stilstaan en roest veroorzaken. Zij bevordert tevens de waterdichtheid van den bodem, zoodat een enkele kleine opening in het ijzer niet dadelijk lek doet ontstaan.

Het ijzeren dek — een uitsluitend houten dek is, zooals boven gezegd, uitzondering — dient tot waterdichte afdekking van het drijflichaam. De beplating van dit dek kan lichter genomen worden dan die van bodem en wanden.

Daarboven is het opperdek aangebracht, waarop het verkeer plaats heeft. Het kan bestaan uit dezelfde materialen als bij de bruggedekken, in steden veelal gebezigd, n.1. hout — grenen, eiken, groenhart — enkel of dubbel; asphalt of cement op gegolfd ijzer.

Bestaat de ponton uit een enkele drijfkist, dan kan dit boven- of opperdek rechtstreeks op de dekbeplating worden