is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 22, 03-06-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

277

M. 8*.

specteur van het boorwezen, Köbrich, door den Pruisischen Minister van Handel en Nijverheid aangeschreven om te rapporteeren hoe in die gevallen bij de voor Rijksrekening verrichte steenkoolboringen gehandeld wordt.

Het naar aanleiding daarvan in 1891 uitgebrachte verslag, waarvan afschriften aan de betrokken ambtenaren werden verzonden, met bevel dit op te volgen en de ondernemers van boringen op steenkool dienovereenkomstig in te lichten, komt op het volgende neer: (1)

„De boring geschiedt binnen de steenkoolvorming met een „diamantkroon. Het spoelwater wordt door de holle boorijzers „omlaag gespoten en stijgt aan hunnen buitenwand weder naar „de oppervlakte. Elke 5 minuten wordt het effekt der boring „genoteerd; dit bedraagt gedurende dat tijdsverloop buiten de „beddingen — dus in kalk-, zand- en leigesteenten, conglomeraten, leemlei enz. — 2 a 4 c.M. Zoodra de boor plotseling „sneller daalt en de diepte — al naar gelang van de hardheid „der steenkool — toeneemt met 8, 10 a 15 cM. per 5 minuten, „moet het boren onmiddelijk gestaakt en alleen gespoeld „worden.

„Is werkelijk een steenkoolbedding aangeboord, dan komt „na zekeren tijd — afhankelijk van de diepte en den diameter „van het boorgat — in plaats van grijs, pikzwart spoelwater „met schuimvlokken, afkomstig van gas, te voorschijn. En te „gelijkertijd verschijnen kleine boormonsters, door den opstijgenden stroom medegevoerd.

,De betrokken ambtenaar, van de vondst verwittigd, meet nu nauwkeurig het boorgat en vergelijkt het verkregen resultaat „met de opgaven van het boorjournaal. De diamantkroon wordt „vervolgens vervangen door een schepboor, welke de wijdte „heeft van den put. Nadat de bovenbedoelde ingenieur zich „overtuigd heeft, dat de boor op de bepaalde diepte den bodem „bereikte, begint men uit de hand draaiend te boren en laat „daarbij spoelen, doch nu omgekeerd. De stroom daalt langs „den buitenwand der stangen en stijgt daarbinnen weder naar „den beganen grond. De met de schepboor afgesneden stuk„ken steenkool komen dan tengevolge van de grootere snelheid „van het opstijgende water, spoedig te voorschijn en dikwijls „in brokken, ter grootte van een noot. De schepboor dringt niet „in de hardere gesteenten door ; gaat zij derhalve niet dieper, j,dan is het flötz doorboord en kan zijn dikte bepaald worden. „Sommige, zeer zachte leien worden wel door deze boor aangepast, doch in dit geval neemt het spoelwater bijna onmiddelijk „weder een lichtgrijze kleur aan en voert in plaats van steen „kool, stukjes lei mede.

„Ten slotte wordt de kubieke inhoud der verzamelde hoeveelheid steenkool gemeten en deze vergeleken met dien van den Muitgeboorden steenkoolcylinder, welke laatste te berekenen is „uit de wijdte van de schepboor en de dikte der laag".

Belanghebbenden zullen weldoen zich — ten minste binnen de Pruisische grenzen — aan bovenstaand voorschrift te houden.

Voor petroleum-boringen worden verschillende systemen gevolgd. De Canadasche methode, welke zich door de sterkte en den eenvoud der machineriën (houten boorstangen) onderscheidt, ontwikkelde zich in de petroleum-distrikten daar te lande.

Het stelsel wordt bijna uitsluitend aangewend voor boringen op aardolie en heeft ook in Duitschland (Oelheim (2), Peine, Elzas), Galicië, Rumenië, Hongarije en Italië ingang gevonden.

In zachte, goed liggende, lagen gaat het boren met geoefend personeel zeer snel en is bijzonder goedkoop. Doch niettegenstaande steeds met stoomkracht gewerkt wordt, mag de grootste, daarmede te bereiken diepte, op hoogstens 300 en gemiddeld op slechts_ 200 meter gesteld worden.

Uit dien hoofde is de hier bedoelde boorinrichting niet geschikt voor het opsporen van op grooter diepte aanwezige petroleumlagen.

In Pennsylvanië en omliggende staten, waar de bodem uit afwisselende lagen van lei- en zandsteen bestaat, komt de petroleum 200—600 meter beneden de oppervlakte voor in een poreuzen zandsteen. In deze zachte, goed staande gebergten dringt de kabelboor gemakkelijk door; zij wordt dan ook overal in die streken gebezigd voor het opsporen van aardolie en natuurgas.

Volgens de Duitsche methode werden in de laatste jaren

(1) Handbuch der Tiefbohrkur.de van Th. Tecklenburg, Band V.

(2) Bij Oelheim wordt de petroleum op een diepte van 60—100 meter onder een bank van vasten zandsteen aangetroffen in zand of poreuzen zandsteen.

veel boringen verricht in Galicië en andere Europeesche petroleum-districten.

Langen tijd oordeelde men het spoelsysteem ongeschikt voor het zoeken naar petroleum, wijl het stijgen dier vloeistof naar de oppervlakte door het onder druk ingespoten water belemmerd wordt. Tegenwoordig heeft de ondervinding echter geleerd, dat juist de opstijgende stroom zelfs de geringste hoeveelheid petroleum aantoont.

Om die reden worden thans in den Elzas bijna alle petroleumboringen volgens dat stelsel verricht.

{Wordt vervolgd.)

INGEZONDEN STUKKEN. Bogen in Spoorwegen.

Mijnheer de Redacteur!

Beleefd verzoeken wij U het onderstaande, geschreven naar aanleiding van het artikel betreffende bovenstaand onderwerp, voorkomende in n°. 19 dd. 13 Mei van dit Weekblad, te willen opnemen.

De schrijver van dat artikel trekt een geheel verkeerde conclusie uit onze beschouwing, geleverd in n°. 10 dd. 11 Maart, wanneer hij uit deze afleidt, dat de vervanging van den cirkelboog door de gelijkzijdige hyperbool (ter verbinding van twee rechte strekkingen) door ons wordt aanbevolen.

Wèl hebben wij betoogd, dat wanneer men andere krommen in plaats van den cirkel gaat toepassen, zooals de lemniscaat (voor den geheelen boog, niet als overgangsboog) ook nog meerdere: bijvoorbeeld de gelijkz. hyperbool te bezigen zouden zijn. Er is volstrekt niet door ons beweerd, dat de gebruikelijke cirkelboog niet de meeste aanbeveling verdient.

Bovendien hebben wij wel eenige bedenkingen tegen de beschouwingen, die de schrijver in n°. 19 aan het slot van zijn artikel geeft.

lo. Wat betreft het nemen van proeven, ten einde bij het rijden den overgang te kunnen bemerken van recht op gebogen spoor (wij kunnen verzekeren dat dergelijke proeven wel degelijk genomen zijn geworden) zijn wij het niet met hem eens, dat in het door ons genomen geval, waarbij de minimum radius van den boo°- 500 M. en minder bedraagt, met eene snelheid van 90 K.M. dient gereden te worden. Deze snelheid toch is in ons land als uiterste te beschouwen; deze moet volgens art. 86 van het K. B. van 27 Oct, 1875 «in bogten van stralen kleiner dan 1000 M.» — in ons geval dus — verminderd worden.

2°. Dat het mindere altijd het betere zou voorafgaan kunnen wij geenszins beamen.

Nemen wij als één enkel voorbeeld de ijzeren sporenoverkappingen. Vroeger werden deze van gewoon geverfd gegolfd plaatijzer gemaakt, Later is men gegalvaniseerd (ongeverfd) gegolfd plaatijzer gaan toepassen en in de laatste jaren is, na de daarvan o-edane ondervinding, gebleken dat dit materiaal achterstaat bij het eerstgenoemde. Men heeft dus hier in stede van vooruitachteruitgang.

3°. Wanneer, volgens den schrijver, de afwijking nabij de einden van een bijgeschiften verbindingsboog met 1000 M. straal zóó gering is, dat men niet constateeren kan dat een overgangsboog ontbreekt, dan kan toch evenmin geconstateerd worden dat hij er werkelijk is. Loont het dan in dit geval wel de moeite om een wiskundig zuiveren parabolischen overgangsboog uit te zetten en te onderhouden ?

4°. Ten slotte : het verwondert ons eenigermate dat door den schrijver verschil van inzicht gevonden wordt tusschen de twee alinea's § 28 sub 3 en 4 der Techn. Vereinb. Deze T. V. toch, zijn met zeer veel zorg en zaakkennis vanwege het Verein Deutscher Eisenbahn Verwaltungen samengesteld en worden herhaaldelijk herzien.

Wij vinden trouwens volstrekt niet, dat uit deze twee alinea verschillend inzicht blijkt.

H. v. B.

v. r>. S. v. O.