is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 22, 03-06-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

278

STATEN-GENERAAL.

EERSTE KAMER.

In n°. 10 van den loopenden jaargang gaven wij een overzicht van de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsontwerp tot opheffing van belemmeringen bij de uitvoering van werken in het openbaar belang bevolen en ondernomen, uit bepalingen van verordeningen voortspruitende.

De wet werd daar zonder hoofdelijke stemming aangenomen, in de Eerste Kamer ging het minder gemakkelijk : 16 leden verklaarden zich tegen het voorstel en slechts 20 er voor. De Minister had &aa ook met een sterke oppositie te kampen, maar hij werd daarin krachtig gesteund door een der corypheeën op het gebied van ons waterstaatsrecht, den heer Eöell. Tegen de wet traden de heeren Vening Meinesz, Melvil van Lynden en Rutgers van Rozenburg in het krijt. Het bezwaar van den kmsterdamschen burgemeester gold het z. i. ontbreken in het ontwerp van de noodige waarborgen voor de autonomie der gemeente- en waterschapsbesturen ; in beginsel was hij echter niet tegen voorschriften tot opheffing van belemmeringen, die uit de toepassing van verordeningen kunnen voortvloeien ; hij achtte dergelijke bepalingen zelfs wen-

Anders de heer Van Lynden, die van oordeel was, dat de bestaande wetgeving aan de Regeering voldoende macht geeft om, waar lagere besturen het tot stand komen van werken willen beletten, dit te keer te "aan. Bovendien achtte deze spreker het verkeerd, de zelfstandigheid en de wetgevende bevoegdheid van die lagere besturen verder te besnoeien.

De noodzakelijkheid van een wettelijke regeling, als hier werd voorgesteld, ontkende ook de heer Rutgers. Sedert 1869 heeft zich naar zijn opvatting geen enkel geval voorgedaan, waaruit de behoefte aan dergelijke bepalingen zou zijn gebleken — iets wat door de verdedigers der°wet met verschillende voorbeelden werd weersproken — maar vooral maakte de heer Rutgers bezwaar zijn stem aan de voordracht te geven omdat, bij het nog altijd ontbreken eener administratieve rechtspraak, de Re'geering bij toepassing der wet steeds rechter in haar eigen zaak zou zijn. . .

De meerderheid der aanwezige leden bleek, zooals gezegd is, met m deze bezwaren te deelen.

In dezelfde vergadering, den 19den Mei j.1., gingen zonder bestrijding de wetten betreffende de trammen op de Z.-H. eilanden en Hulst— Wafsoorden, alsmede het subsidie aan den Noord-Frieschen locaalspoorweg onder den hamer door. — ^

TWEEDE KAMER.

Verbetering van het Noordzeekanaal.

■Van de Memorie van Antwoord ontleenen wij het volgende: De meening dat ons land geen behoefte zou hebben aan twee zeehavens van den eersten rang wordt weerlegd door beider zelfstandige en verschillende ontwikkeling. Zonder eikaars bestaan door concurren¬

tie te bedreigen, vullen zij elkaar zoodanig aan, uau uwuc xvy«,D™»^. wegen met de door de gemeente en door particuliere krachten m het leven geroepen haveninrichtingen, dienstbaar zijn aan den bloei van het i'eheele Rijk en zijne bezittingen.

Niet de concurrentie tusschen Amsterdam en Rotterdam doet op verbetering van hunne waterwegen aandringen, maar de eischen der scheepvaart, waarnaar de havens worden ingericht van die landen, welke de eerste plaatsen in het verkeer innemen. Partij trekkende van de gunstige gesteldheid dier buitenlandsche havens en de daarvoor uitgevoerde verruimingswerken, concurreert de vrachtvaart met steeds grooter scheepstype. De Nederlandsche handelsvloot ziet zich gedwongen daarin te volgen, hetgeen bevestigd wordt door de reorganisatie die de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaartmaatschappij haar materieel doet ondergaan. ,

De twijfel in het Verslag geuit of groote schepen als die, welke de zooeven genoemde maatschappij voor hare Holland-Amerika-lijn deed bouwen, Amsterdam wel zullen aandoen, is sedert opgeheven door hetgeen daaromtrent overeengekomen is, namelijk dat deze gerege d van en naar Amsterdam zullen varen, zoodra het Noordzeekanaal zulks zal toelaten. De wijze waarop de vernieuwing van het materieel van de Holland-Amerika-lijn tot stand is gekomen, kenschetst den steun, dien de beide haven- en handelssteden elkaar verkenen, als een tegenbeeld van- de gevreesde versnippering van krachten. Ook de resultaten van stoomvaartondernemingen als de „Nederland" en de „Rotterdamsche Lloyd", en de samenwerking tot oprichting van de Koninklijke .faketvaart, leveren bewijzen, dat die vrees met gegrond is.

Uit de verhouding van het aantal schepen met grooter diepgang dan 70 d M. tot het totaal twijfel te putten of het ruime profiel in de breedte zoowel als in de diepte, dat voor de veilige vaart van die zeer groote schepen onmisbaar is, wel noodig is, gaat niet aan. Die verhouding toch doet zich voor bij elke haven van den eersten rang. trouwens dat de bedoelde verhouding ook in de toekomst zoude gelden, wordt door niets bewezen. Integendeel alles wijst er op, dat het aantal zeer groote schepen toeneemt. Goederen van Britsch- en Nederlandsch-Indie ziet men reeds met groote schepen van meer diepgang dan de genoemde te Amsterdam aanvoeren.

Omdat de snelle verbindingen met zeer groote schepen (van 12000 a 13000 ton), onder eigen of vreemde vlag, met Amerika en Oost-Azië, hoewel niet de talrijkste inklaringen vormende, toch van het grootste belang voor eene haven van den eersten rang zijn, zal óf het Noordzeekanaal aan de eischen van die vaart, (waarop de sluis van IJmuiden werd berekend), moeten voldoen, öf de haven van Amsterdam hare beteekenis niet kunnen handhaven.

De vrees dat na de thans gewenschte verbeteringen wederom nieuwe — een open vaarweg bijv. — voor Amsterdam verlangd zouden worden, wordt door de voorbereiding van het aanhangige wetsvoorstel met gewettigd. Ondanks toch dat het denkbeeld van den open waterweg reeds in het jaar 1893 in een plan belichaamd werd, voor hetwelk tijd tot onderzoek niet heeft ontbroken, heeft de commissie in Juli 1894 dooide Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam, in overleg met het gemeentebestuur benoemd, ten einde een onderzoek m te stellen naar de maatregelen tot verbetering van het Noordzeekanaal, het denkbeeld niet aanvaard en zijn ook te Amsterdam geen stemmen opgegaan om de oplossing te zoeken in een open waterweg. ° Aan de bedoelde commissie, welke met instemming van de Ministers tit , ..... tt j„i — tvt;;w.„».i,«;^ ™ ,-or, TWo^no rlp vriorlichtmir

van vv aiersiaai, nauuci en ^ij""'™ c" «~ .— , 7=

van de hoofdambtenaren van den waterstaat en het loodswezen heett genoten, is niet gebleken, dat het binnenkomen in de haven te IJmuiden van schepen met grooten diepgang, die overeenkomen met de afmetingen van de nieuwe sluis, meer bezwaar zou opleveren dan de vaart door het kanaal.

Ook schijnt twijfel of het toegankelijk maken van het kanaal voor de schepen, die het thans niet of niet zonder gevaar kunnen bevaren, wel van genoegzaam belang is om daarvoor uit 'sRijks kas ongeveer 7 millioen uit te geven, niet gewettigd. Waar ook door het Rijk reeds vele millioenen voor het kanaal zijn uitgegeven, en nog onlangs, om het voor de bedoelde schepen toegankelijk te maken, ongeveer zes mil,i .i ■ „ „„i,„t„i„;o w»il tan eene uit¬

luien aan aen oouw uer merac » * -

<raaf van 7 millioen geen te groot offer zijn om het kanaal, sedert welks opening de scheepvaart van Amsterdam is verviervoudigd, op den duur aan zijne bestemming te beantwoorden.

De raming van de kosten der verschillende werken is met zorg opgemaakt. . " ,. , , , ,

Dit geldt ook voor de boordvoorziening die, zooals nader zal worden aangetoond, in verband met de plaatselijke gesteldheid voldoende sterk is ontworpen om ook bij eene grootere vaarsnelheid tegen de werking van den golfslag bestand te zijn.

Met de gestelde eischen om het kanaal voor groote schepen veilig bevaarbaar te maken en voor alle het tijdverlies te beperken, is met vereenio-baar het denkbeeld om door wijkplaatsen, voor het voorbijvaren van «roote schepen, tot besparing op de verbetering te geraken. De groote bezwaren verbonden aan het vastmaken van groote schepen, die op de gezette tijden de geopende spoorwegbruggen moeten passeeren, zouden den waterweg van Amsterdam voor zeeverbindingen met sne varende schepen ongeschikt maken. Te laat zoude men tot de ervaring komen dat de beperkte opvatting omtrent verbetering wel eene betrekkelijk geringe bezuiniging zoude gegeven hebben, maar dat zij levens de vooraf reeds aangewezen oorzaak zoude zijn dat het volle bedrag aan de kanaalwerken besteed, nimmer tot zijn recht kon komen.

Het denkbeeld om de handelsartikelen te IJmuiden te doen overladen kan — afgescheiden van de kosten en nadeelen, aan dergelijke overlading verbonden, welke zeker binnenkort tot grooten achteruitgang van het verkeer zouden leiden — kwalijk-als een maatregel van bezuiniging worden aanbevolen. IJmuiden is wel eene veilige buitenhaven, doch eene ligplaats tot lossen en laden bij de afwisselende gesteldheid van wind en zee is het niet. Dusdanige ligplaatsen met de daaraan verbonden inrichtingen tot heffen, bergen en verzenden per spoor en te water van de goederen te IJmuiden te maken zoude aanzienlijke uitgaven vorderen in verband met de alsdan benoodigde ruimte. Meet men deze uitgaven af naar de kosten der werken die de gemeente Amsterdam heeft aangelegd en ter uitbreiding ontworpen, waarvoor nu weer tot een bedrag van enkele millioenen m uitvoering is, dan schijnt deze oplossing voor den Staat niet de minst kostbare.

Wanneer enkele leden wezen op de groote behoefte aan ^ibeterin van sociale toestanden en meenden dat het met aangaat groote sommen uit 's Rijks schatkist te besteden voor werken die, naar hun g« 0^' door de gemeente Amsterdam kunnen worden betaald, dan Minister,Szonder in het minst de behoefte ^/^«^^T^h toestanden, als waarop deze leden het oog hadden te^^^"èrk^n de aandacht er op vestigen dat het zeer zeker niet a ngaat* werk:en

tot welker uitvoering uil «°™"™~f?""T> sociale toestanden. In tegenover maatregelen tot verbetering van _ r, egeno\ ei L^aau 0 middel als meer doel-

het algemeen toch is er wel te allen tijde geen

treffend erkend, om de welvaart ook der werkende k asse te doen toe nemen dan, nevens de bevordering van afwatermgs en iandbouwbe fa~ den'bloei van handel en scheepvaart te bevorderen en een zoo

froot mogelijk deel van het wereldverkeer tot ach te trekken

^Tafste mag ook opgemerkt worden aan hen, die betoogden dat de wat zij noemden voortdurende uitbreiding van het aantal groote

verken die tegelijk ondernomen worden, te bezwarend zou worden ™TTT'-RtH™ financiën De werken die thans worden voorgesteld, zijn Z:^ I^L11ZX aan zijn doel te doen beantwoorden en noooig °"' , . „elegde aanzienlijke uitgaven de daarmede

van de daaraan te^koste^- J een Rijkswerk, den ge-