is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 28, 15-07-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

365

M »8.

Ik geloof, dat dit niet het geval is geweest en dat uit de gehouden beraadslagingen is af te leiden, dat die gevolgen niet in al hun omvang zijn overzien. Men kan daarin zelfs lezen, dat de Minister Klerck het problematiek achtte of verhooging van de dijken wel noodig zoude zijn.

Xn is, nadat de wet is tot stand gekomen, eene commissie benoemd van uitnemende deskundigen, welke o. a. den invloed zou nagaan, uie de beteugeling der overlaten op de hoogte van den waterspiegel der rivier de Waal zou hebben. Deze commissie is tot de conclusie gekomen, dat na de volledige afsluiting van de Heerewaardensche overlaten en de afsluiting van de Maas te Andel, een hoogste waterstand op de Waal kan worden verwacht van 17 tot 55 centimeters hooger dan de tot dusver hoogst bekende stand van 4 Januari 1883. Het behoeft geen betoog dat dit reeds bij open water te verwachten resultaat een verhooging van de betrokken Waaldijken noodzakelijk maakt. Daaraan wordt dan ook door niemand getwijfeld. Maar waar die noodzakelijkheid vaststaat, zou het daar eigenlijk niet billijk zijn de kosten van die verhooging, dat is van een werk, waarvan de noodzakelijkheid uitsluitend voortvloeit uit den aanleg van een Rijksweg, ten nadeele van Gelderland, maar ten voordeele van een ander gedeelte van het Kijk

ondernomen, geheel en al ten taste van het ±ujk te oiengen.

Eerder zou ik dan ook verwacht hebben, dat iemand ware opgestaan, om te verdedigen dat alle kosten der verhooging ten laste van het Rijk moeten komen, dan dat daarop zou worden afgedongen. Men vergete niet dat, al worden de verhoogingskosten gedeeltelijk genomen ten"laste van het Rijk, een groot aantal andere nadeelen voor de Geldersche districten overblijft, waarvoor geen vergoeding gegeven wordt of kan worden. Komt de verhooging tot stand, dan komen bijvoorbeeld de hnizen van de aan de Waal gelegen dorpen, die langs den kruin der dijken gebouwd zijn, onder den kruin van den dijk te li"cen eu moeten de bewoners toegangswegen tot den dijk aanleggen, de°voorgevels hunner woningen veranderen en verliezen zij daarenboven licht en lucht. Hoeveel dit aan talrijke bewoners van zulke huizen kosten zal, kan ieder zelf nagaan.

Ieder gevoelt — om op een ander nadeel te wijlzen — dat de verhoogde waterspiegel van de Waal bij hoog opperwater de kwel in de binnenlanden enorm zal vergrooten, en dat juist op een oogenbhk waarop het, wegens den hoogen rivierstand, bijna onmogelijk wordt het kwelwater te loozen. Ook dit is een belangrijk nadeel dat aan de bewoners dier streken niet vergoed wordt.

Vroeger had bij ijsgang, wanneer het ijs zich zette op de benedenrivier, het water een uitgang over de Heerewaardensche overlaten; nu echter deze afgesloten worden, zullen de dijken aldus niet meer ontzet kunnen worden en zal, als het ijs zich op de benedenrivier vastzet, de strijd van den sterkste gestreden worden tusschen de dijken en 'den eventueelen ijsdam, een strijd waarvan de uitslag onzeker is en die mitsdien Gelderland aan groote risico's blootstelt.

Zóó zijn er nog talrijke andere nadeelen te noemen, die de Staat niet vergoedt en grootendeels ook niet kan vergoeden. Onder die omstandigheden zijn er echter m. i. voor deze Vergadering alleszins termen met eenigszins onbekrompen hand subsidie te geven in de direct noodzakelijke kosten van dijksverhooging, en daarop niet enkele duizenden guldens af te dingen, nu deze Regeering gezind is een schikking, vroeger tot stand gekomen tusschen Regeering en Gedeputeerde Staten van Gelderland, op royale wijze uit te voeren."

Ook de Minister stelde zich op dit standpunt. „De vraag — zeide

% die thans aan de orde is, betreft alleen of, nu eenmaal

overgegaan zal worden tot afsluiting van de Heerewaardensche overlaten een bijdrage zal gegeven worden aan de dijksdistricten langs de Waal' in de kosten van verhooging hunner dijken. Er zijn redenen om deze vraag toestemmend te beantwoorden.

In de eerste plaats de toezegging, die bij de behandeling van net wetsontwerp door den toenmaligen Minister Klerck gegeven is; in de tweede plaats de toezegging, die door een vroegeren ambtsvoorganger van mij gedaan is aan Gedeputeerde Staten van Gelderland, toen men vergunning noodig had tot het maken van een kade in den polder van°Heerewaarden. Laat ik er dadelijk bijvoegen, dat de laatste reden wel een aanleiding zou kunnen zijn voor de indiening van dit wetsontwerp, maar dat 'het mijl voorkomt dat de eisch des tijds, door Gedeputeerde Staten van Gelderland gesteld, geen voldoende reden zou zijn tot het verleenen van subsidie. Ik hecht voor de toekenning van het subsidie dan ook meer aan de toezegging van den Minister Klerck voornamelijk omdat het mij ook uit een billijkheidsoogpunt wenschelijk voorkomt, dat, waar de Staat ter verbetering van den waterstaatskundigen toestand der eene provincie werken uitvoert, dit niet moet doen ten laste van een andere. Integendeel, waar uit die verbetering nadeelige gevolgen voortvloeien voor de dijksdistricten langs de Waal, schijnt het mij ook billijk dat de Staat althans een bijdrage weeft om de daardoor ondervonden moeilijkheden uit den weg te ruimen. De eenige vraag, die naar het mij voorkwam, beantwoording eischt, is : „Welk bedrag zal de Staat geven?" Zal de Staat de totale schade vergoeden of slechts een gedeelte daarvan?

Ik moet op den voorgrond stellen dat de Staat bevoegd is, al moge het ook minder billijk zijn, die werken uit te voeren zonder eenige schadevergoeding. Verplichting om de geheele schade m deze te verwoeden, bestaat dus zeer zeker niet. Waar nu met Gedeputeerde Staten°was overeengekomen dat de Staat zou bijdragen § der kosten, benoodigd om de dijken evenveel te verhoogen als de verhooging van den waterstand zal bedragen, was ik om die reden geneigd voor het

reeds zoo dure werk zoo min mogelijk uitgaven te doen en heb ik dan ook aanvankelijk bezwaar gemaakt hooger subsidie voor te stellen dan § in de zooeven genoemde kosten. Doch ik kan niet ontkennen dat de redenen, die mij aangegeven werden om iets meer te doen, mij voorkwamen niet onjuist te zijn.

In de eerste plaats wijs ik er op, dat vroeger toegezegd is dat er zou bijgedragen worden in de kosten van de verhooging van de Waaldijken, "zonder dat destijds werd vastgesteld of dit zou zijn f of meer, zoodat het percentage dat wordt bijgedragen, slechts als een transactie moet worden beschouwd. In de tweede plaats moet men niet uit het oog verliezen, dat, wal de te verwachten verhooging van den waterspegel betreft, wij te doen hebben met een verhooging gegrond op berekening, en met hoeveel zorg die berekening ook is gemaakt, het blijft toch slechts een berekening waarbij altijd eenige onzekerheid bestaat. Het is dus niet onmogelijk dat de verhooging werkelijk iets meer zal zijn dan volgens de berekening wordt aangenomen. Daarom is het wenschelijk, na de bedoelde afsluiting der overlaten, meerdere zekerheid te hebben ten aanzien van het waterkeerend vermogen deiWaaldijken dan thans het geval is, en daarom kon ik er mij wel mede vereenigen, dat in de kosten tot het geven dier meerdere zekerheiddoor den Staat zou worden bijgedragen.

Bovendien, indien men zich beperkt tot het geven van § der kosten, moet ik er op wijzen dat de werkelijke schade niet alleen bestaat m de kosten voor het verhoogen der dijken, maar dat men ook rekening moet houden met de omstandigheid, dat er onmiskenbaar aan de verhooging dier dijken voor de dijksdistricten bezwaren verbonden zijn, die moeilijk onder cijfers zijn te brengen, zooals het door de sluiting der overlaten eerder en dieper onder water geraken van bouwingen buitendijks, het hinderlijke hooger opstoepen en de moeilijker toegang tot bouwingen langs de dijken enz.

Neemt men voorts in aanmerking, dat voor het dijksdistrict Maas en Waal, waarvan de dijken reeds een hoogte van meer dan 0.80 M. en 1 M. boven den hoogsten waterstand hebben, ook door de verhooging van den waterspiegel in een eenigszins ongunstiger toestand zal komen en dat voor dit district deswege geen enkele bijdrage zal worden verleend, dan meen ik dat, waar het een transactie geldt, er alle reden is om de voorgestelde regeling als transactie aan te nemen."

De heer Eokker liet hierop zijne bedenking vallen, doch wenschte daarbij uitdrukkelijk te constateeren „dat nu de zaak met de dijksverhooging en de schadevergoeding, die Gelderland beweert te kunnen vorderen tegenover Noordbrabant. (?) wegens de sluiting der Heerewaardensche overlaten, als voor goed afgedaan moet worden beschouwd."

De wet werd hierna zonder stemming aangenomen.

In dezelfde vergadering verleende de Kamer met 54 tegen 28 stemmen het renteloos voorschot voor den tramweg Winschoten—Bellingwolde (zie n°. 17 van „De Ingenieur"), nadat de heer van Alphen zien verklaard had tegen subsidies aan paardentramwegen, de heer van der Zwaag het wetsvoorstel had bestreden van socialistisch standpunt en de heer °Schaper zijn socialistische gevoelens een beetje op zijde had gegoocheld om zijn stem voor het in zijn district niet onpopulaire voorstel te motiveeren.

Th. Six.

LIJST DER WERKEN

vanwege de Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs uitgegeven en voor het publiek beschikbaar gesteld.

Repertorium der literatuur van den Waterstaat van Nederland, bewerkt door P. H. Kemper, L. V. B. I.; uitgegeven in 1883 bij Martinus Nijhoff te 's-Gravenhage. Prijs ƒ1.

Tarief voor reis- en verblijfkosten ten behoeve van Technici; uitgegeven in 4887 bij Gebr. Belinfante voorheen A. D. Schinkel te 's-Gravenhage. Prijs f 0.25.

Honorarium-tabel voor technischen arbeid van Ingenieurs en Architecten; uitgegeven in 1892 bij Gebr. Belinfante voorheen A. D. Schinkel te 's-Gravenhage. Prijs ƒ 0.10.

Algemeene administratieve voorschriften voor het uitvoeren en onderhouden van werken ten behoeve van besturen en particulieren, uitgegeven in 1892 bij Gebr. Belinfante voorheen A. D. Schinkel te 's-Gravenhage. Prijs f 0.60.

Verslag der Commissie in zake het Technisch Onderwijs, benoemd ingevolge het besluit van de Algemeene Vergadering der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs, op 18 Juli 1891; uitgegeven in i»*" bij Gebr. Belinfante, voorheen A. D. Schinkel te VGravennage. Prijs f 2.50.

Register van «de Ingenieur» over 1886-1895, le-lO* jaarg*ing. «U» f 0.25. (Verkrijgbaar bij den Secretaris der Vereeniging van bui gen. Ingenieurs.)