is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 29, 22-07-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

371

Maligrammen per Liter.

Kalk . . )

Magnesia ' slechts geringe hoeveelheden. Zwavelzuur^

Chloor 7.

Salpeterzuur geen.

Salpeterige zuren d°.

Ammonia . d°.

Hardheid (in Duitsche hardheidsgraden) (1) 2.20.

Volgens deze uitkomst was niet aan te nemen, dat het water de geringste schadelijke uitwerking zou kunnen uitoefenen, en toch bleek dit het geval te zijn. Reeds weinige jaren nadat het waterwerk in exploitatie verkeerde, ontstonden ongerieven van allerlei aard, waarvan de slimste wel was, dat het water op enkele plaatsen der stad in een bruin gekleurde vloeistof veranderde, zoodat het noch tot wasschen, veel minder tot drinken kon worden gebezigd.

Herhaalde doorspoeling van het buizennet bracht hierin geenerlei verbetering teweeg.

Als verdere zeer ernstige nadeelen traden op: verstopping der pijpleidingen en beschadiging van de watermeters. Een verzinkte ijzeren buis werd mij getoond, die bij de aansluiting eener woning had gediend en een inwendige doorsnede van 25 mM. bezat. Op een plaats, waar bij den aanleg der leiding de pijp met een pijpsnijder was afgesneden, was een braampje ontstaan en hier had zich binnen eenigen tijd een incrusteering gevormd, die de buis bijna verstopte, met vrijlating van een kleine, bijna ringvormige opening in het midden van 6 a 7 mM. diameter. Deze misstanden noodzaakten de bewindvoerders de oorzaken daarvan op te sporen, die eindelijk gevonden werden in het buitengewoon hoog gehalte aan vrij koolzuur, bij afwezigheid van alkaliën.

Het vrije koolzuur gaat bij niet aanwezig zijnde alkaliën met het ijzer een in water oplosbare verbinding aan, welke zich als een fijn verdeeld, roodbruin slib in het geheele buisnet verspreid en hier aanleiding geeft tot allerlei storingen en ongeriefelijkbeden. De directie van het St. Johann's waterwerk diende hieromtrent bij den gemeenteraad — met weglating van eenige bijzaken, hier van minder aanbelang — het volgende rapportin:

«Niet alleen dat daardoor, voornamelijk bij de doode takken, het water feitelijk onbruikbaar wordt, maar de fijne, als amaril werkende neerslag vernietigt binnen korten tijd het gaande werk van de watermeters, de sluitvlakken van schuiven, hydranten en waterkranen, en eindelijk is de aantasting van het koolzuur op de wanden der buizen zoo sterk, dat de duur van het buizennet, zelfs niet benaderend de normale grenzen kan bereiken.

De hieruit voortspruitende schade door het waterwerk geleden maakt jaarlijks meerdere duizend Marken uit, ook al is dit bedrag niet direct door cijfers weer te geven, omdat, met uitzondering van de groote reparatiekosten der watermeters, die wellicht finantieel zijn te bepalen, alle andere omstandigheden aan eene berekening ontgaan. Daartoe behoort ook de vermindering van het waterverbruik, als een gevolg van zijne intermitteerende onbruikbaarheid en voorts het zeer aanzienlijk waterverlies, dat binnen zeer korte tusschenpoozen voor de spuiing en doorspoeling van het buizennet wordt gevorderd. De noodzakelijkheid tot het nemen van ingrijpende tegenmiddelen is dus als een eerste vereischte aan te zien, en het moet een punt van ernstige overweging uitmaken met het oog op de bestaande omstandigheden, uitwegen op te sporen, geschikt om dit euvel binnen de kleinst mogelijke grenzen te beperken.

Het doorpersen van gecomprimeerde lucht in den waterput, waardoor een krachtige opbruising van het water ontstond, is gedurende acht dagen beproefd geworden en heeft een kleine verbetering veroorzaakt; deze werkwijze werd echter niet verder voortgezet, omdat tengevolge van de mede opgevoerde luchtblaasjes het nuttig effect der pompen aanzienlijk daalde, welke uitkomst voor de bereids sterk aangesproken machines niet raadzaam scheen. Ook blijkt de affiniteit van het koolzuur tot het water zoo groot te zijn, dat deze momentane, zeer sterke opborreling niet toereikend' is, om de innige verwantschap op te heffen.

De schadelijke werking van het chemisch proces op het buizennet wordt zeer begunstigd, doordien het water van het pompstation tot het hoogreservoir, zonder vertakkingen direct voortloopend met den 7863 M. langen perspijp naar de stad in aanraking blijft, en aan het gevormde ijzeroxyde, aan het einde van dien weg, geen gelegenheid is gegeven in een verzamelbak zich neer te zetten, maar direct in het stadsbuizennet wordt

(1) '1 Duitsche hardheidsgraad — 1 deel kalk (Ca O) in 100.000 deelen water of 10 Gr. per 1 W.

geperst. Het hoog- en verzamelreservoir is slechts als een aan de buisleiding overeenkomstig vergaderbassin gebouwd. Zijn inhoud werd nu drievoudig vergroot, op 1750 M3. gebracht en het buizennet zoodanig gewijzigd, dat al het van het pompstation komende water eerst het waterbekken moet passeeren, waardoor de vroegere snelheid van 0,3 M. per sec. op 0,000,007 M. per sec. wordt verminderd. Daar nu het water gemiddeld 10 uren in het reservoir verzameld blijft, hoopt men, dat het op deze wijze het overtollig actieve koolzuur zal verliezen.»

Het proefstation van de technische hoogeschool te Karlsruhe was intusschen om advies aangezocht en om middelen tot verbetering te beramen; het onderwierp het water op verschillende punten der leiding aan een onderzoek en sprak in hoofdzaak onderstaand gevoelen uit:

«De proeven waren als volgt genomen:

I. Water uit de leiding der electiïciteitswerkplaatsen.

II en III. » » de bron van het pompstation in Rentrisch.

IV en V. » » het hoogreservoir.

VI en VII. » aan het einde der leiding bij den Volkstuin. VIII. » uit een huisleiding. IX. » » » stadshydrant.

Van deze proeven No. I tot V en No. IX was het water helder. No. VI en VII vertoonden een donkerbruinen neerslag. No. VIII bezat een geringer geelbruin precipitaat.

Om allereerst over de geaardheid van het water in het algemeen en den aard der opgeloste mineraalzouten te kunnen oordeelen, werd proef IV aan een analyse onderworpen, welke het volgende resultaat opleverde:

Uiterlijke geaardheid: klaar, zeer helder, zonder neerslag.

Reactie: neutraal.

Residu der verdamping 98 milligr.

Hiervan gemakkelijk oplosbare bestanddeelen 60 » (Zie verder de bereids vermelde analyse.)

Door een qualitatieve onderzoeking van het overblijfsel der verdamping werd geconstateerd, dat het water slechts zeer geringe hoeveelheden koolzure zouten bevatte (10 milligr. koolzure kalk per 1 Liter) en dat bovengenoemde hoeveelheden kalk en magnesia hoofdzakelijk zwavelzure zouten (gips en magnesia) vertegen woordigen.

Diensvolgens is het water zeer zacht en zuiver en bevat geen opgeloste minerale bestanddeelen, welke eenige verroesting van het ijzer veroorzaken of buitenmate ondersteunen konden.

De waargenomen verroesting van de buizen moet derhalve wel aan de in het water opgeloste gassen, koolzuur en zuurstof, worden geweten. Daarom werd, om na te gaan of deze meening juist is, van alle 9 proeven het gehalte aan vrij en half gebonden koolzuur bepaald. Daarbij vond men het volgende gehalte aan koolzuur:

Gemiddeld 248 m.Gr. of 126 kub. cM. vrij en half gebonden koolzuur (C02) in 1 Liter, met niet noemenswaardige verschillen in de proeven onderling. Wordt hiervan het aan de koolzure kalk gebonden, zoogenaamd «halfgebonden koolzuur» afgetrokken, dan blijven omstreeks 240 m.Gr. of 122 kub. cM. vrij koolzuur per 1 Liter water over. Dit gehalte aan vrij koolzuur is voor water van zoo geringe hardheid buitengewoon hoog. Volgens de ervaring roest ijzer in rijk koolzuurhoudend water zeer

sterk als tevens — zooals dit met eiK nronwater net geval is — nog zuurstof in het water opgelost is.

Het kan dus niet aan twijfel onderhevig zijn, zooals reeds werd vermoed, dat het koolzuur, in het water aanwezig, als hoofdzaak der verroesting van het buizennet is aan te merken.

Om nu verbetering hierin teweeg te brengen, moet dus getracht worden, het koolzuurgehalte zooveel mogelijk te verminderen. Dit opgelost koolzuur wordt intusschen door het water vrij hardnekkig vastgehouden en het eenvoudig persen van lucht door het water, zooals reeds werd beproefd, is niet toereikend om een afdoende verbetering te doen optreden.

Wij mochten dus ter vermijding, resp. ter vermindering van het euvel voorstellen, het water, alvorens in het stadsbuizennet te worden geleid, energisch te luchten, door het fijn verdeeld in het hoogreservoir te brengen, om op die wijze het koolzuur «it te drijven. Daartoe zou het noodig zijn het hoogreservoir door twee leidingen, waarvan de eene als toevoer, de andere als uitlaat dient, met de hoofdleiding te verbinden en tusschen de beide aansluitingen een afsluitkraan aan te brengen. Al het aangevoerde water moet dan het reservoir passeeren, terwijl het thans slechts als effen-vergaderbak dient.

Voorts zou de drukleiding enkele meters boven het niveau van het reservoir moeten reiken om het water als «regen» daarin te doen neervallen, zoodat het in dezen fijn verdeelden