is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 30, 29-07-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 30.

386

waarbij met het karakter van dit college als toegepaste scheikunde is rekening gehouden. De meeste technologen B4 volgden tot herhaling of aanvulling dit college. Het bezoek liep uiteen van 15 tot 27 personen, met een gemiddelde van 49. Aan het einde van den cursus werden eenige responsie-colleges gegeven, die door de technologen B4 trouw zijn bijgewoond.

Ook de analytische scheikunde voor de technologen Bj en mijneningenieurs Bj werd door dr. Hoogewerff gegeven. De wijze van behandeling was in hoofdzaak geheel als ten vorigen jare. Ook enkele microchemische reactiën werden gedemonstreerd. Dit college werd door hoogstens 44, minstens 49 en gemideld 32 toehoorders bijgewoond. Wenschelijk wordt geacht een uur meer per week tot dit deel der scheikunde te bestemmen.

De scheikunde der bouwstoffen voor de civiel-, bouwkundige, scheepsbouwkundige en werktuigkundige ingenieurs B3 door dr. Aronstein behandeld, moest in een veel te klein lokaal worden gegeven. In den aanvang van den cursus moesten meerdere worden afgewezen. Het aantal ingeschrevenen bedroeg 106. In de collegezaal, die 58 zitplaatsen aanbiedt, moesten 33 tot 78 of gemiddeld 54 personen worden geborgen. Er is dringend behoefte aan een genoegzaam ruim lokaal.

Op het college van dr. Hoogewerff over bijzondere onderwerpen der toegepaste scheikunde voor de technologen B3 en B, werden de suikers en koolhydraten behandeld. De opkomst wisselde af van 8 tot 43 personen.

Voor den practischen arbeid in het scheikundig laboratorium, onder leiding van de hoogleeraren dr. Aronstein en dr. Hoogewerff, waren 406 technologen en mijnen-ingenieurs ingeschreven. Hoogstens 90 konden eene plaats vinden, nadat de genoemde hoogleeraren hun privaat laboratorium hadden beschikbaar gesteld, zoodat de overblijvenden eerst achtereenvolgens eene plaats konden bekomen na het vertrek, van enkelen of het veranderen van studierichting van eenige anderen, Dringender nog dan te voren is thans de behoefte aan meerdere ruimte. Tal van producten als petroleum, steenkool, goud ën andere ertsen werden onderzocht en tal van praeparaten werden vervaardigd die aan de verzameling ten goede kwamen.

De practische oefeningen der ingenieurs B2, onder de leiding van dr. Aronstein, werden door 93 ingeschrevenen bezocht, dit is nog 49 meer dan ten vorigen jare, toen reeds eene splitsing noodig was, waarbij eerst alle plaatsen werden bezet • en daarna de overblijvenden eerst konden worden toegelaten, zoodra de voor vrijstelling van examen B gevorderde analyses waren verricht, waardoor plaatsen vrijkwamen. Ook dit jaar moest deze weg worden gevolgd.

Delfstofkunde, aardkunde en mijnontginning. Deze afdeeling geraakte door den ongewonen toevloed van nieuw ingeschrevenen in een gansch abnormalen toestand. Terwijl gewoonlijk 2 a 3 mijnen-ingenieurs B, werden ingeschreven, klom dat aantal thans tot 30 waarvan echter in den loop van den cursus ongeveer een tiental tot de technologen is overgegaan.

Daar de ingeschrevenen in de werkplaats zelfs geene staanplaats konden vinden, is het niet mogelijk geweest ditmaal een normalen cursus te geven.

Met de ingeschrevenen B, hield de hoogleeraar Behrens tot Kerstmis voordrachten en oefeningen in kristallographie en kristaloptica. Hierna werden de voordrachten en oefeningen gescheiden, in dier voege, dat tot het midden van Februari de chemische en physische kenmerken der mineralen werden afgehandeld en daarop de tijdruimte tot Paschen, onder medewerking van den hoogleeraar Schroeder van der Kolk uitsluitend aan oefeningen besteed werd. Na Paschen is het onderwijs door dezen hoogleeraar geheel overgenomen.

De lessen der mijnen-ingenieurs B2 zijn geheel volgens het programma gegeven. Eene uitbreiding van de oefeningen tot het bepalen van mineralen wordt wenschelijk geacht.

De voordrachten over aardkunde voor de mijnen-ingenieurs B2 en C2 werden tot Paschen gehouden door den hoogleeraar Behrens en daarna door zijn ambtgenoot dr. Schroeder van der Kolk. In het bijzonder werd daarbij de geologische gesteldheid van Nederland behandeld. Tevens heeft laatstgenoemde eenige lessen in het microscopisch onderzoek van gesteenten gegeven. De oefeningen der ingeschrevenen Ot konden door éénen docent niet naar behooren geleid worden.

Dr. Behrens heeft, evenals voorgaande jaren, over de beginselen van mijnbouwkunde en metallurgie, twee uur per week repetitiën gehouden.

De opkomst der leerlingen op al de lessen en oefeningen was dit jaar bijzonder trouw. Teleurstellingen, bij de examens B, B2 voorgekomen, zijn ten deele te beschouwen als het gevolg van het te groot aantal ingeschrevenen, voor welk aantal de leerkracht van één docent te kort schiet en waarvoor de localiteit en de geheele inrichting ten eenenmale onvoldoende zijn.

Scheikundige technologie. De scheikundige technologie der organische stoflen, door den hoogleeraar Aronstein voor de technologen B, en B„ behandeld, kon wegens te groote uitgebreidheid der stof in drie uren voordracht per week niet geheel volgens het programma worden gegeven. Dit college en ook dat over «bijzondere onderwerpen» van den genoemden hoogleeraar, werd door de technologen B, en B, goed bezocht. Gemiddeld waren 47 hoorders aanwezig, terwijl minstens 10 en hoogstens 25 hoorders tegenwoordig waren.

Even vóór de Paaschvacantie en tegen het einde van den cursus

werden eenige responsie-colleges gehouden, die door de technologen B% trouw werden bijgewoond.

Bacteriologie. Nadat de bacteriologie in de lente van het vorige jaar naar het nieuwe gebouw buiten de Rotterdammerpoort was overgebracht, is daarin deze geheele cursus met goed gevolg gegeven.

Overeenkomstig het programma werden door den hoogleeraar Beijerinck behandeld de «algemeene bacteriologie» voor de technologen B3, de «gistingsbedrijven» voor de technologen B3 en B„ en de «oefeningen» voor de laatstgenoemden. Door gebrek aan tijd kon het overzicht van de belangrijkste bacteriologische processen slechts voor een klein deel worden voorgedragen. Gemiddeld waren 10 technologen B3 en eveneens 10 idem B„ bij de voordrachten aanwezig en werd door 4 technologen B„ aan de oefeningen deelgenomen, voor ieder hunner gedurende ongeveer 6 weken.

Bovendien werden oefeningen gehouden met de onderstaande personen, die niet als gewone leerlingen aan de Polytechnische School waren ingeschreven :

Cohen, apotheker te Rotterdam;

Maas, apotheker te 's-Gravenhage;

Bos, te 's-Gravenhage, zuivelconsulent voor Zuidholland ; Bijlevelt, te Sommelsdijk, landbouwconculent van Overflakkee ; van 't Hoff, te Rotterdam, adjunct der Rotterdamsche waterleiding ; Bottemanne jr., te Bergen op Zoom, adjunct-opzichter der zeevisscherijen (onderzoek over de bacteriologie der oesters) ; Dumont, arakstoker, Java; Remmelts, te Vlaardingen, Rijksveearts;

Giltay, te Wageningen, leeraar in de botanie aan de Rijkslandbouwschool ;

Termeulen, te Delft, gepromoveerd technoloog; Birnie, te Deli, tabaksplanter;

Fraulein dr. N. von Sohultz. te St.-Petersburg, leerares aan het Institut für Experimentalmedizin ;

Issatschenko, te St. Petersburg, assistent aan het Bacteriologisch Laboratorium von Petersburg (Rijksdomein);

Verder bewerkte Hoijer van Rotterdam in het laboratorium eene dissertatie over «Azijnbacteriën», waarop hij te Leiden promoveerde.

Mechanische technologie. De hoogleeraar van der Burg heeft bij zijne voordrachten voor werktuigkundige ingenieurs en technologen het programma geheel gevolgd. Alleen moest bij de behandeling der metalen het maken van buizen en munten wegens te kort komenden tijd onbesproken blijven.

Repetitiën of responsiën zijn niet gehouden.

De lessen betreffende metalen werden gemiddeld gevolgd door een veertigtal werktuigkundige ingenieurs B2 en technologen B3, die betreffende het spinbedrijf en het weven door gemiddeld vijftig werktuigkundige ingenieurs C2 en technologen B3 en B4.

De practische oefeningen in het bewerken van hout en metalen hebben regelmatig plaats gehad.

Werktuigkunde. De voordrachten en oefeningen voor deze afdeeling werden door de hoogleeraren Grundel, Heut en Ravenek in hoofdzaak volgens het programma gehouden.

De teekenzalen waren geheel onvoldoende voor het groot aantal ingeschrevenen, terwijl ook de collegezaal van den hoogleeraar Ravenek voor de meest talrijke groep van bezoekers veel te klein was. Eene afdoende verbetering van dezen toestand is in het belang van het onderwijs dringend noodig.

Kennis van werktuigen. De hoogleeraren Grundel en Ravenek achtten het bezoek der voordrachten, die betrekking hadden op den algemeenen cursus bevredigend. Bij den hoogleeraar Ravenek kwamen gemiddeld 60 ingenieurs B, en C, en technologen B3 en B3 op, welk aantal vóór de Kerstvacantie herhaaldelijk tot 100 opliep. Bij de behandeling der «Bijzondere onderwerpen» gaf de hoogleeraar Ravenek eerst eene aanvulling van enkele, den vorigen cursus niet voltooide beschouwingen over indicateurs, planimeters en dynamometers. Deze voordrachten werden door gemiddeld 16 werktuigkundige ingenieurs C2 bezocht. Door den hoogleeraar Grundel werd bijzondere aandacht gewijd aan hydraulische hijschwerktuigen, pompen voor drinkwaterleidingen, werktuigen voor stoomgemalen en hei toestellen.

Werktuigleer. De voordrachten van den hoogleeraar Grundel over «overbrenging van beweging» werden door de werktuigkundige ingenieurs Cj onregelmatig bezocht.

Bij de colleges van den hoogleeraar Ravenek over «krachtsoverbrenging» waren gemiddeld 12 werktuigkundige ingenieurs C3 aanwezig. Ongeveer even talrijk was het bezoek zijner voordrachten over de «theorie der calorische werktuigen», waarop ditmaal eene beschrijving en verklaring der stoomwerktuigen met oververhitten stoom werden toegevoegd.

Aan de teekenoefeningen onder leiding van de twee hoogleeraren werd deelgenomen door 22 werktuigkundige ingenieurs C, en 32 werktuigkundige ingenieurs C,. Ruim de helft van de ingeschrevenen nam regelmatig deel aan deze oefeningen. Door de studenten werden herhaaldelijk indicateur-diagrammen genomen van het stoomwerktuig der Polytechnische School en der glasfabriek bij «Reineveld» nabij Delft, terwijl ook voor de eerste maal door hen metingen door middel van een dynamometrischen rem werden gedaan van het effectief vermogen van de eerstgenoemde stoommachine.