is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 30, 29-07-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

389

bomschepen aan en acht het niet onwaarschijnlijk, dat de haven tot uitbreiding der bommenvloot kan leiden.

Evenwel is daardoor geenszins teruggenomen het advies door de • • 01 t „„; iqrk non Am Komma uitgebracht, bevestigd

uommissie vau cl jauuon . —D -0 ; . -

ii: een later schrijven van 7 November 1895 aan den Mini ster van Waterstaat, waarbij zij verklaarde m haar advies van 1885 te hebben aangetoond, dat tot den bouw van kielschepen moest worden overgedaan omdat orootere schepen meer wmst geven dan kleinere. ° En mocht nu eens de bom door grootere kielschepen worden vervangen welke is dan de toekomst der Schevemngsche haven?

E°enWoot aantal leden drong dan ook ten sterkste aan op het (verleden van bestaande adviezen van den betrokken inspecteur en hootclinlpecteur van den' Waterstaat omtrent het ingediend havenplan.

Tot vestiirinff van een zelfstandig oordeel achtten deze leden met minder noodig (inzage, al ware Ihet onder geheimhouding, van het advies van den generalen staf en van den marinestaf. De Minister van Oorlo" zelf heeft in zijn advies van 15 Juni erkend, dat dit;_ verzoek, niet onbescheiden was. De Minister beriep er zich op, dat hij m den af<'eloopen winter niet had geaarzeld de opinie mede te deelen van autoriteiten, waar deze niet met de zijne in overeenstemming waren De Minister van Waterstaat zal de tot hem gerichte vraag, naar men vertrouwde, evenmin onbescheiden achten Trouwens memgmaa ^ door de volksvertegenwoordiging met goeden uitslag de overlegging

"1,^^^^^^ -ar meer licht kwamen op tegen het verzoek om de rapporten zelve der betrokken autoriteiten over te leggen. De gedachtewisseling tusschen de Ministers en de ambtenaren onder hen werkzaam draagt, zeiden zy art haren aard een vertrouwelijk karakter, dat gehandhaafd mort blijven in het belang van den dienst. Geene andere rapporten behooren derhalve te worden openbaar gemaakt dan die, welke daarvoor naai hel oordeel der Begeering geschikt zijn. Deze leden heten ook m dit geval de beslissing dienaangaande gaarne aan haar over en verklaarden zich voldaan, wanneer aan de Kamer de hoofdinhoud en de strekking der verschillende adviezen werden medegedeeld.

MEMORIE VAN ANTWOOBD.

1 Met leedwezen vernam de ondergeteekende dat door de tegenstanders thans nog twijfel werd uitgesproken of het algemeen Rijksbelang bij den aanleg van eene visschershaven te Scheveningen in voldoende mate betrokken is, om den voorgestelden steun van nee Bijk te wettigen. . . ■•

Van de stelling wordt daarbij uitgegaan dat, mits het zeevissclieiijbedrijf over het algemeen niet achteruitging, het voor het algemeen beland onverschillig is of het aan den Maasoever, te IJmuiden, te Katwijk te Scheveningen of elders wordt uitgeoefend, terwij. voort;-, naar sommeer oordeel, dit wetsontwerp meer tot bevordering van

particuliere belangen zou sneiuven. . miAAm

De juistheid van deze stelling voor het oogenblik in het midden latende, wordt daarmede zeer zeker de meening van tegenstanders van het werk niet gemotiveerd, zoolang niet de 0 n d e r s t e 111 n g, waarop zij berust, d. i. dat het visschersbedrijf in het algemeen met acnternitgiiig, niet wordt waar gemaakt. \i. 'Anm

En het is juist op allerlei wijze betoogd en aangetoond, eii dooi de belanghebbenden, èn door de betrokken besturen, en door de ±te•reering °dat het visschersbedrijf 'te Scheveningen m al zijne ondeideelen door den langdurigen ongunstigen toestand achteruit moet gaan en werkelijk achteruitgaat, en eenmaal zal moeten verloopen en uitsterven indien geen voorziening plaats vindt, zonder dat daar egenover eene gelijke uitbreiding elders kan worden geconstateerd, die op de ^ze lis hierboven bedoeld, aan dien achteruitgang zou te gemoet

k°Neemt men nu met hen die aldus redeneeren, mettemin de mogelijkheid aan dat het geheele visschersbedrijf van Schevemng n zich naar andere havens aan de Maas, te IJmuiden of naar Katwijk ka verplaatsen, dan zou het hier toch eene zeer gevaarlijke mfMWXU .velden op oeconomisch gebied, waar de ondervinding tot heden neeiu Treleerd dat handel en bedrijf in het algemeen — en het visscherijbedrijf in het bijzonder — zich niet verplaatst maar verloopt, als zijne levensvoorwaarden zich in ongunstigen zin wijzigen. .

En wanneer nu hier, waar het geldt het behoud en zelfs den bloei van een hoogst belangrijken tak van volksbestaan, met recht gesproken zou kunnen worden van particuliere belangen, dan zou de Minister niet weten wat in het vervolg richtsnoer zou moeten zijn voor de beoordeeling van de talrijke openbare werken, uit alle oorden des lands waarvoor een beroep wordt gedaan op steun uit sliijKs schatkist.

Voorts werden bezwaren geopperd uit een oeconomisch standpunt.

Dat de haven zou zijn een palliatief, een eerste stap om tot eene grootere en diepere haven te komen, moet de Mimster nadrukkelijk ontkennen Zoowel de inhoud van het wetsontwerp, a s hetgeen te dier zake in de gewisselde stukken en bi, behandeling inde Tweede Kamer is gezegd, weerspreken dit ten stelligste De haven, waarvan do toegang of buitenhaven, blijkens art. 2 van het wetsontwerp, gehouden zal worden op eene blijvenle diepte van 2 M. j A.F zal naar het eenparig gevoelen van alle geraadpleegde deskundige belanghebbenden voor de bommenvloot van Scheveningen, en voor de vaartuigen der kustvisschers van andere plaatsen eene veilige lig- en los¬

plaats opleveren. En aangezien nu die haven aldus aan hare bestemming, d. i. in de eerste plaats het behoud en bevordering der Scheveningsche visscherij', zal beantwoorden, is er geene reden om haar dieper te maken. ..', '', , ,

Met betrekking tot de soort van vaartuigen, hetzij platboomde, hetzij kielschepen, weerspreken alle berichten van den laatsten tijd dat de bomschuit als visschersvaartuig zou hebben afgedaan. Integendeel blijkt dat de bouw van bomschuiten blijft aanhouden, en dat men er zich op toeleot door doelmatiger vorm en inrichting het bomsclnp steeds meer aan de eischen van den tijd 'te doen beantwoorden, zoodat van verouderd materieel, gelijk in het Voorloopig Verslag wordt gezegd,

Met betrekkin"' tot het bezwaar uit het oogpunt der defensie, wordt door den Minister van Oorlog het volgende in het midden gebracht ;

Terwijl als vaststaande kan worden aangenomen, dat niet elke op'enind in de kust als gevaarlijk voor de defensie moet worden geacht en dus door een fort behoort te worden verdedigd spreekt het vanzelf, dat er eene grens bestaat, binnen welke een fort onnoodig kan worden geacht, terwijl daarbuiten het omgekeerde het geval is ; hec komt er dus slechts op aan, die grens te bepalen maar dit is zeer moeilijk, ten minste waar het als het ware om slechts eenige centinieters gaat. 7 f ,

, De Minister van Oorlog is van meening, dat eerst dan een lort noodig zal zijn om den toegang tot de haven te beletten, wanneer die haven voor werkelijke zeeschepen met volle lading, dat is bijv ïooi schepen van 3 tot 5 meter diepgang, toegankelijk is, maar dat eene bommenhaven aan die voorwaarde niet voldoet.

„Het blijft dan ook zijne stellige overtuiging, dat de thans ontworpen haven «'een ernstig gevaar voor de defensie oplevert, en dat de kwade kansen die — naar de meening van sommige leden — nog mochten blijven bestaan, opgeheven worden door de voorbereide maatregelen, die reeds in vredestijd zullen genomen worden om de haven in tijd 'van oorlog onbruikbaar te maken.

, De Minister van Oorlog betuigt voorts zijne erkentelijkheid voor het' «reutelde in de laatste zinsnede onder aan bladz. 3 van het V oorloopftr Versla", en zulks te meer, omdat hij dikwijls voor de moeilijke vraaa gesteld" wordt, of hij gerechtigd is de uitvoering van eemg werk van 'erkend openbaar nut tegen te houden, op grond van de met altijd even sterk op den voorgrond tredende eischen van defensie."

2 Terwijl de Mimster met waardeering heeft kennis genomen van de uiteenzetting der gronden die, volgens de voorstanders van het wetsontwerp, vóór de aanneming daarvan pleiten, moet hij de vraag betreffende den invloed der werken van den Botterdamschen Waterwee op den toestand van het strand tusschen Hoek van Holland en Scheveningen ontkennend beantwoorden. Intusschen, moge ook de af„.,. ■ . ° i.„i „i.™„j „tosko nipt asm rlp.n aanleer van de hoofdên

neming vau neu suuiu — :- — P

van den Waterweg te wijten zijn, de achteruitgang is zeer zeker een gevold van de werking van natuurkrachten, waarop niemand bij machte is invloed uit te oefenen. De werken, aangelegd om dien achteruitgang te beteugelen - de Delflandsche hoofden en de strandmuur — strekken tot verdediging van 'slands grondgebied tegen de zee; zij zijr de onmiddellijke oorzaak dat het strand als los.- en ligplaats voor de Scheveningsche bommenvloot onhoudbaar is geworden en deze omstandigheid kan niet anders dan de gronden van billijkheid versterken die er voor pleiten om aan de pogingen van het gemeentebestuur, van 's-Gravenhage en het gewestelijk bestuur den steun van het Kijk met te onthouden.

3 Een derde groep leden wenscht eenige nadere inlichtingen te ontvangen. Ten volle overtuigd dat er alleszins grond is om voor het behoud der Scheveningsche visscherij van Bijkswege oflers te brengen, zijn deze leden van meening, dat ztdks slechts gemotiveerd ware onder voorwaarde dat de maatregelen, welke daartoe zullen worden genomen, uit een technisch oogpunt, alsmede in dat van eene behoorlijke uitoefening van het visschersbedrijf, voldoende zijn te achten.

De Minister deelt dit gevoelen volkomen en het is dan ook op grond van zijne overtuiging, dat de door het gemeentebestuur van 's-Gravenhage ontworpen haven aan het bovengestelde criterium ten volle voldoet dat hij vrijheid heeft gevonden het voorstel te doen om aan het, tol stand brengen van dat werk, met en benevens den reeds door de provincie verleenden steun, ook dien van het Bijk te verzekeren..

Niet juist is het, dat, terwijl men vroeger het oog had op eene haven voor kielvaartuigen, de Begeering het denkbeeld van eene haven alleen <reschikt voor bomvaartuigen aan de belanghebbenden zou heb-

0 1 - - - T_ j~ ii«-„„™;„ „«« Tnoi;»h+.in<r tot liet WCl»-

Den 0 pge ar o ng en. 111 ue mwuuno »~v,»^v«-& ~~ -

ontwerp is op bladz. 2 de gang van zaken in haar geheel medeg^eeia

en daaruit blij Kt net tegenaeei. ±oen ue m»»» fol,t kennen gegeven dat, zijns erachtens, de eisch van aanleg van een br eene haven van niet meer diepte dan 2 M. - A.P. met behoett worden gesteld, is aan het gemeentebestuur de vraag ger^ _ haven geschikt voor vaartuigen, niet dieper gaande dan de ^ , dige bomschuiten, in het belang van het visschersbedrijf weiisc j werd geoordeeld; en zoo ja, on welke wijze die zou moeten ingericht en tot stand gebracht? „^reenkomstig hei-

Na ingesteld onderzoek heeft de gemeenteled ov ^o g advies van eene uit zijn midden benoemde^ commiss e instemming van hen die de haven moeten gebitu » vestigend beantwoord met alleen, maar bovenalen , ,