is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 37, 16-09-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE INGENIEUR.

14e Jaargang.

Orgaan

457

1899. -12 37.

VEREENIGING VAN BURGERLIJKE INGENIEURS.

fiiBM BiiM aai ie Mmï a ii tBconomiB van Owto Werken n WmMl

Prijs per Jaargang: Versclijnt eiken Zaterdag. prijTTeT^UreTtTntiên:

Franco per post. ' —~~~~

Voor Nederland • ƒ8 — Abonnementen, stukken en mededeelingen, boeken Per regel ƒ 0.25

' brochures, enz. te richten aan de Redactie: Scheve- „ . 1 („.„,mtD

Voor het Buitenland mei vooruitbetaling . . . -10.50 ningsche Veer no. 7, te 's-Gravenhage. Groote letters naar plaatsruimte.

Voor leden der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs Advertentién uiterlijk Vrijdags 12 ure des voormiddags Abonnementen volgens afzonderlijke overeenkomst.

worden bovenstaande prflzen met / 2.- verminderd. Btaa^u!£.M'ïï£' 1™ tit-Zn™^/™ *" Advertentiên van Aanbellen ƒ0.15 per regel.

Men abonneert zich voor een jaargang. Bureau" Rotterdam^ Nederiand: C * "TCKE, Idem bij 2e en 3e plaatsing ƒ0.10 per regel.

Over het bedrag der abonnementen in Nederland ^Z^Zii,'u.lJL^Z^ B" abonnemmt °P Advertentiên worden bewüsnuni-

Afzonderlijke Nummers worden, voor zoover de voor- ... y v c

wordt halfjaarlijks door de Administratie beschikt. raad strekt, alléén aan Abonnés geleverd. * toegezonden.

Afzonderlijke nummers 20 cents. — Bewijsnummers ~ 0ver het hei™g ^ Abonnementen op advertentiên

10 cents. 's-Gravenhage, 16 September. wordt anemaanaeiaks beschikt.

Verantwoordelijk Redacteur: J. van Heurn, Civ.-Ing., 's-Gravenhage.

INHOUD.

Verbetering van de Schelde beneden Antwerpen. (Met plaat). — Uit de Verslagen der oommissies belast met het afnemen der examens aan de Pol. School. — Vergadering van het Kon. Instituut van Ingenieurs. — Tentoonstelling te Schiedam. — Uit de jaarverslagen der Spoor- en ïramwegmaatschappijen over 1898. — Weerkundige waarnemingen. — Rivierberichten. — Binnen- en Buitenlandsche berichten. — Benoemingen, Verpl. enz. — Open betrekkingen. — Gezochte betrekkingen.

Verbetering van de Schelde beneden Antwerpen.

(Met plaat.)

in net laatst van l»yb werden de heëren J. F. W. > Conrad en J. W. Welcker door het gemeentebestuur i van Antwerpen uitgenoodigd om gezamenlijk advies

® uit te brensren over de ontwernen tot verhetennsr

van de Schelde bij en beneden Antwerpen, en daartoe te beantwoorden de navolgende vragen :

1°. „Ingeval overgegaan werd tot de uitvoering van een „der plannen, bestempeld met den naam „Grande Coupure," „als daar zijn: dit van Stessels-Hawkshaw-Maus-Brialmont „en dit van Franzius-Pierrot, afgezien van de technische „moeilijkheden, met de onderneming verbonden, zou er alsdan „zekerheid bestaan dat het vaarwater in de nieuwe bedding „een ononderbroken diepgang van minimum 8 M. zou hebben „en dat de stroom namelijk dicht aan den rechteroever zou „vloeien en aldus direct aanlanding aan diens kaden zou „toelaten ?

2°. „Bijaldien tot de uitvoering van zulk plan wierde besloten, zou er alsdan gevaar bestaan voor aanzanding en „belemmering der scheepvaart tijdens de onvermijdelijke „periode dat de oude en de nieuwe bedding geopend zijn? „Bestaat er zekerheid dat de oude bedding zal kunnen worden „afgedamd en de nieuwe bevaren zonder onderbreking van „de scheepvaart? Bijaldien het plan mocht mislukken, bestaat „er alsdan mogelijkheid om de oude bedding weer open te „stellen voor het water en als vroeger te benuttigen zonder „nieuwe onderbreking en nog grooter gevaren dan bij cle eerste „verwisseling van de bedding?"

Na een aandachtig onderzoek van de ter hunner beschikking gestelde rapporten, boekwerken, verhandelingen, kaarten en teekeningen hebben genoemde heeren aan die opdracht voldaan, en verscheen reeds in Maart van het volgende jaar van hun een hoogst belangrijk rapport vergezeld van 10 teekeningen waarvan wij hier een uittreksel geven.

De rapporteurs beginnen met erop te wijzen dat zij zich strikt hebben gehouden binnen den omvang'en de strekking der gestelde vragen en zich derhalve niet hebben begeven in eene beoordeeling of zelfs ook maar in een onderzoek ofeene beschouwing van de talrijke ontwerpen, die voor de verbetering van de geheele Schelde beneden Antwerpen achtereenvolgens door verschillende deskundigen zijn opgesteld en openbaar gemaakt.

Ook meenen zij dat het niet binnen de grenzen van hunne

bovenomschreven opdracht lag om hunne meening te uiten over de meerdere of mindere zekerheid, dat de overige in de vragen niet aangeroerde hydrotechnische en nautische uitkomsten, welke meer bijzonder de ontwerpers der „Grande Coupure" verwachten van de uitvoering van dit plan, allen of voor een deel zullen worden verwezenlijkt bij de uitvoering, en in welke mate die verwezenlijking alsdan voor elk dier uitkomsten is te verwachten.

Op deze wijze kon naar hunne meening aan de bedoeling der opdracht binnen de daardoor bepaalde grenzen worden voldaan zonder eene wetenschappelijke verhandeling over doel, wijze en middelen der Scheldeverbetering over hare geheele lengte te schrijven, hetwelk buiten de grenzen dier opdracht ligt. Zoowel de Scheldeverbetering beneden Liefkenshoek als die boven Antwerpen moeten beschouwd worden van een geheel ander standpunt dan het vraagstuk, dat thans aan hunne beoordeeling was onderworpen en met de verbetering van die beide riviergedeelten in geen verband staat.

De opdracht bracht van zelf mede dat zij hunne beschouwingen konden bepalen tot de zoogenaamde „groote doorsnijding", of het „ontwerp-Stessels" voor zooverre die opdracht aanleiding geeft om dat ontwerp van sommige gezichtspunten te behandelen of te onderzoeken.

De eerste vraag splitste zich van zelve in twee deelen, namelijk:

a. Zal eene hoofdstroomgeul, diep minstens 8 M. onder laag water, onafgebroken in de oostelijke of rechterhelft over de volle lengte der groote doorsnijding onstaan en zich daar blijven handhaven door de werking der getijstroomen ?

b. Zal die hoofdstroomgeul overal zóó dicht op den nieuwen rechteroever aandringen en aansluiten, dat de groote transatlantische stoombooten van dezen tijd rechtstreeks tegen aan dien oever te bouwen kaden kunnen aanleggen om te lossen en te laden?

Ad a. De plaats der hoofdstroomgeul in de horizontale projectie eener tijrivier wordt, afgezien van de grondsoort, die den rivierbodem vormt, bijna geheel bepaald door den kromtestraal, de lengte der bocht, de breedte op den waterspiegel en het vermogen der getijstroomen. Zij hangt dus voor elke rivier af van factoren, die haar uitsluitend eigen zijn. Is van de betrekking en wisselwerking tusschen die factoren weinig met zekerheid bekend, nog bezwaarlijker moet het uit den aard der zaak zijn om, ten aanzien van de hoofdstroomgeul in een nog niet bestaand riviervak, in getallen aan te geven welke plaats deze in de stroombaan zal innemen en welke diepte zij zal verkrijgen.

De vergelijking met andere getijrivieren eischt derhalve wegens het verschil in toestanden voorzichtigheid bij het trekken van conclusiën uit die vergelijking. De veiligste weg ié dan ook om zich te houden aan hetgeen de rivier zelve, die het geldt, in deze de Schelde, op de verschillende gedeelten van haren loop dienaangaande leert kennen.

Wat leert nu de Schelde zelve daaromtrent beneden Ant¬

werpen? Want om voor de groote doorsnijding te kunnen

De Vereenieimj Tan Bnreerlijk-e Inireniears stelt zien ia geenen deele Yeraniwooröelïlic voor de denkbeelden in de enderscneldene Mldragen ontwiffild ot toeselicnt