is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 42, 21-10-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

519

M 43.

voert de nieuwe Alexandersbrug over de rivier, en aan gene zijde is de straat, aan welker beide zijden de paleizen voor de kunstnijverheid liggen, met een spitsen hoek naar het nijverheidspaleis. Deze straat, aan welker einde men den machtigen koepel van de Invalides ziet, en die met de brug samen een zeer bijzonderen indruk maakt, blijft ook later behouden.

De gevels van deze huizen gaan, als over het algemeen alles, niet hooger dan de tentoonstellingsarchitectuur van '89. Ook Oud-Parijs, aan de Seine, is niet eens zoo goed gelukt als b.v. de oude stad op de Antwerpsche tentoonstelling. Bijzonder fraai zal alleen het effect van de lichte en elegante ijzerconstructies zijn. (Dus ook naar den trant van '89.) Het indrukwekkendst in dit opzicht zal de groote hal van het groote kunstpaleis zijn, die 232 X 80 meter grondvlak heeft.

Van de beide monumentale gebouwen voor kunstnijverheid, welke door hunne afmetingen daarvoor veel beter geschikt zijn dan de gewone reuzenschuren, behoort het rechter aan de K„üQr.iQnrWQ »t Ts het, minst riïke van de twee. maar hierdoor

juist heeft Frankrijk aan de architecten van de afdeehngen meer de vrije hand gelaten tot versieringen van verschillende nationaliteit. Spreker roemde hierbij de welwillendheid der Franschen in het algemeen: ook tusschen de Duitsche en Fransche werklieden is de verhouding zeer goed.

AandenSeine-oever, tusschen het Trocadéro en de Alexandersbrug komen de huizen van de verschillende natiën. Ze staan op een cementdak boven den kiemen spoorweg langs de rivier. Er moeten leelijke kasten onder zijn. Spr. roemde het Duitsche huis met hoogen toren; het is van Joh. Ratke.

Bij de bekroningen komen niet slechts de tentoonstelier, maar ook de ontwerpende kunstenaar en de uitvoerende ambachtsman in aanmerking.

Lipkensfonds.

In het grootboek is eene som van f 6200 ten name van dit fonds ingeschreven.

In October 1898 bedroeg de inleg in de Rijkspostspaarbank

f 872.20.

De rente dezer bank over 1898 beliep f 20.69.

In Maart en September 1899 werd in deze instelling de som van f 91.60 gestort als rente van het in het grootboek ingeschreven kapitaal.

Den 16cl«" Januari 1899 werd door Mr. B. H. Pekelharing, hoogleeraar aan de Polytechnische School, in de Rijkspostspaarbank gestort de som van f 550.

De inleg in deze instelling is dus thans als volgt:

21 October 1898 . . . * «72.20

Rente der Rijkspostspaarbank » „a

Tweemaal f 91.60 » 183.20

Storting van 16 Januari 1.1 » 55°-

f 1626.09

Uitgaven werden niet gedaan.

De Raad van Bestuur:

J. M. Telders, Voorzitter.

B. H. Pekelharing, Secretaris.

Uit het verslag van den Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten over het jaar 1898.

(Vervolg van blz. 508.)

Overneming der Nederlandsche gedeelten van e e n i a e in Nederland en België gelegenspoorwegen.

In het vorige versla» werd er op gewezen, dat de voorgenomen regeling betreffende de exploitatie der over te nemen Nederiandsche «edeelten van in Nederland en België gelegen spoorwegen door de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, bezwaar ontmoette hij de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij, die vreesde, dat uit de toepassing door de Administratie der Belgische Staatsspoorwegen van het stelsel van de absoluut kortste route in verband met de exploitatie door de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen van de over te nemen spoorweggedeelten, voor haar bedrijf belangrijke benadeeling zoude voortvloeien. Om aan de bezwaren der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij tegemoet te komen, werd toen van de Exploitatie-Maatschappij verkregen eene „verklaring", waardoor zekerheid werd verkregen, dat bij het in werking treden der nieuwe regeling de bestaande concurrentie tusschen de Hollandsche IJzeren Spoorweg-

Maatschappij en de Exploitatie-Maatschappij in Belgisch—Nederlandsch en Fransen—Belgisch—Nederlandsen verkeer zoude bestendigd worden.

Be Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij was van oordeel, dat de benadeeling, welke uit dei) nieuwen toestand voor haar zou voortvloeien, door de afgegeven „verklaring" slechts gedeeltelijk zou worden ontgaan, en dat de leiding van het verkeer over de kortste route ten gevolge zou hebben, dat voor de niet-concurrentie-stations der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij het verkeer, dat vroeger via Esschen plaats had, thans via Weelde—Merxplas zoude gedirigeerd worden, waardoor het aandeel van de Hollandsche IJzeren SpoorwegMaatschappij in dit verkeer zeer zoude verminderen.

De Minister meende, dat ook ten aanzien van het verkeer met de niet-gelijknamige stations der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij, door de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen eene concessie zoude moeten worden gedaan en gaf zulks aan laatstgenoemde Maatschappij te kennen.

Deze bleek genegen ook in deze aan het bezwaar der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij tegemoet te komen en gaf harerzijds

ue Keuze tussclien iwee voorsienen, ueweueuuc wuv ~~ - «~™.

af te leuren verklaring. Volgens het eerste voorstel zoude behouden blijven het verkeer der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij naar België van de niet-gelijknamige stations dier Maatschappij via Esschen, voor zoover het ook vroeger geheel in handen der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij was. In de omgekeerde richting, d. 1. van België naar de niet-gelijknamige stations zou echter steeds de kortste route zijn te volgen. Daar vervoer in ééne hand vooral wenschelijk werd ireacht voor verzending van licht bederfelijke waren en deze — voornamelijk visch en groenten — worden verzonden van Nederland naar België, scheen deze concessie aan de bedoeling te beantwoorden.

Het tweede voorstel had de strekking, dat het verkeer der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij via Esschen behouden bleef, voor zoover het vroeger geheel in handen der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij was, zoowel van als naar de niet-gelijknamige stations, derhalve de handhaving van het verkeer dier Maatschappij op den voet van hetgeen bestond vóór het sluiten van de overeenkomst tot exploitatie van de Belgische spoorwegtakken door de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen. Doch indien van de zijde van de Exploitatie-Maatschappij deze concessie werd gedaan, moest anderzijds op een deel der vroeger afgelegde eerste verklaring worden teruggekomen. De Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen verlangde namelijk, dat het verkeer der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij van de in de verklaring genoemde concurrentiestations met de tegenwoordige Grand Central Beige-stations, hetgeen via Weelde—Merxplas of Achél instradeert, in transit der Exploitatie-Maatschappij zal moeten blijven gaan, tenzij de kortste route leidt via Esschen.

De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij had bedenking tegen het tweede voorstel der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, doch erkende, dat door het eerste voorstel aan hare grieven ten aanzien Van het verkeer naar België zoude zijn tegemoet gekomen, met echter aan die ten aanzien van het vervoer van België.

De benoemde Maatschappij deed daarom eene aanvulling van het eerste voorstel van de Exploitatie-Maatschappij aan de hand, welke ten doel had dat de status quo ten aanzien van het bestaande verkeer nu, België Jok zoude gehandhaafd worden, door in de verklaring op te nemen dat het verkeer naar en van België met de met-gelijknamige station's der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij, dat vroeger via Esschen ging, langs die route zoude worden gehandhaafd doch voor het verkeer met de niet-concurrentiestations van den Grand Central Behre met alle stations der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maaischappij °zoude worden bepaald, dat de kortste route zoude worden aangenomen, zoowel van als naar België. • ■»«- j

De Baad kon zich met het eerste voorstel van de Exploitatie-Maatschappij vereenigen, en oordeelde, dat ook op het aanvullmgsvoorstel der Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij behoorde gelet te

worden , , , i ± - i

Het daarop gevolgd overleg had ten slotte het gevolg, dat aoor de Exploitatie-Maatschappij de verklaring werd afgelegd, waaimede dooiden Minister genoegen genomen werd en welke is openbaar gemaakt bij de Memorie van Antwoord op het Voorloopig verslag van de Tweede Kamer der Staten-Generaal over het wetsvoorstel tot goedkeuring van de met België en de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen gesloten overeenkomsten, welke verklaring luidt als volgt:

„De Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen verbindt zich

..tegenover Zipie Uxivilenlie den minister van »«M»»««, ~" ..Nijverheid om —indien zoowel de overeenkomst tusschen den Staat „en haar dd. 29 October 1897, bij de wet goedgekeurd, als het op don „23sten April 1897 tusschen Nederland en België gesloten tracta.n „bekrachtigd zal zijn, - bij de omwerking van het Belgisch-Ncder„landsch tarief en het Fransch-Belgisch-Nederlandsch tarief voor tui „vervoer via Achel, Esschen, Hamont, Lanaeken, Visé en Weeioe..Meixolas van goederen, geld- en geldswaarden, rijtuigen men „w^ens naarden en vee, van den lsten October 1887" aan de Adim..ïiistratiê der Belgische Staatsspoorwegen mede te deelen :

„dat zij - mits vaststa, dat het geheele verdere g^Sds wordt „schen Nederland eenerzijds en België en Frankrijk ^^lnnn,n , geleid uitsluitend langs de kortste route — bereid is toe te stemmen „in de volgende afwijkingen van dit beginsel t ^ncurrentiestations

I. „dat voor het vervoer tusschen de volgende c<■■" A „vanS.S., respectievelijk N. O S. met H IJ Doetin„Amersfoort,, Amsterdam, Arnhem, Borne, JJevciu ,