is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 48, 02-12-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

595

M 48.

dezer leidingen is n.1. steeds open en kan bij hooge rivierstanden de toevoer niet voorkomen of beteugeld worden. De groote massa water, die de leiding dan binnendringt, tracht men door zijdelingsche overlaten in de leiding wel te verminderen, doch is dikwijls nog zóó belangrijk, dat de dammen welke de waterverdeeling in het bevloeiingsgebied moeten tot stand brengen, wegslaan, waardoor in dit gebied op de eene plaats gebrek en op de andere waterbezwaar wordt ondervonden.

In de geaccidenteerde gedeelten van het gebied zal waterbezwaar niet licht voorkomen, doch in de vlakkere streken, waar de grootste uitgestrektheden der bouwvelden liggen, des te meer, want ook daar zal men de natuurlijke afvoerwegen van het water steeds door opdammingen versperd vinden. De bevolking toch, is, met het oog op de waterdoorlatende constructie harer dammen, verplicht meerdere malen tot opdamming over te gaan, ten einde de benoodigde hoeveelheid bevloeiingswater machtig te worden, terwijl zij, blijkbaar met het oog op de waterverdeeling, ook liever een eigen dam. in de rivier onderhoudt, dan afhankelijk te zijn van eene leiding welke dikwijls reeds bovenwaarts wordt leeggetapt.

Ook bouwen de inlanders geene aquaducten om, bij kruising der leiding met een waterloop, de eerste over de tweede heen te voeren, maar nemen het water van dezen afvoerweg in hunne leiding op. Hierdoor wordt wel is waar eene debietsvermeerdering der leiding verkregen, maar tevens bij zwaren regenval een veel grooteren toevoer dan de leiding kan verzwelgen of zijdelings kan worden afgevoerd, zoodat de dijken der leiding dikwijls doorslaan of ook wel eene gedeeltelijke opslibbing plaats heeft.

Reeds verschillende malen is de Regeering de bevolking te hulp moeten komen. Van 1850—1859 werden groote werken in Soerabaya en Demak uitgevoerd, terwijl deze laatste in 1882 opnieuw werden ter hand genomen en tot een groot bevloeiingsstelsel uitgewerkt.

Van 1876—1885 werden diverse opnemingen verricht en voorbereidingen voor bevloeiingswerken getroffen. In 1885 eindelijk werd met de uitvoering van eenige werken begonnen en successievelijk ten einde gebracht. Ondertusschen was in 1890 door den Directeur der B. O. W. een algemeen irrigatieplan, dat de verbetering van 16 bevloeiingsgebieden met een totaal oppervlak van 600.000 bouws beoogde, ontworpen en door de Regeering aanvaard. Langzamerhand zijn deze plannen uitgedijd tot een oppervlak van 1 millioen bouws, zijnde nagenoeg '/.r gedeelte der sawahgronden op Java.

Gaat men nu na wat tot nu toe is verricht, dan blijkt dat voor ongeveer 70.000 bouws de werken geheel of nagenoegvoltooid zijn en dat voor 340.000, de Solo vallei-werken ter grootte van 223.000 bouws inbegrepen, de werken onder handen en misschien voor % gedeelte zijn voltooid. Daarenboven zijn voor ongeveer 500.000 bouws de opnemingen voltooid, de projecten in bewerking dan wel reeds tot uitvoering gereed, maar in advies gehouden of in archieven gedeponeerd. Nieuwe opnemingen zijn ondertusschen gaande in de residenties Krawang, Bantam en Japara.

De wijze waarop tot nu toe is gewerkt, is den schrijver veel te langzaam, want hij rekent uit, dat, indien aldus wordt voortgegaan, het nog een eeuw zal duren eer voor al de sawahgronden in de gouvernementslanden eene goede bevloeiing is tot stand gebracht, terwijl de bevolking zich in dien tijd weer verdrievoudigd zal hebben. Wil de verhooging deiproductie gelijken tred houden met de toename der bevolking, dan zal de verbetering in ongeveer 20 jaar moeten worden tot stand gebracht.

De heer Homa^ v. d. Heide zet vervolgens in het kort uiteen, wat er alzoo te doen valt om de gebrekkige bevloeiingen der bevolking te verbeteren, dan wel om nieuwe tot stand te brengen.

In de rivieren zullen daartoe permanente stuwen de dammen der bevolking moeten vervangen, de inlaten der leidingen, moeten, tot regeling der voeding, van sluizen en de daarbij behoorende afsluitinrichtingen worden voorzien ; in de leidingen moeten stuwwerken en inrichtingen tot verdeeling van het water worden gebouwd, en bij kruising der leidingen met waterloopen, wordt de bouw van aquaducten vereischt waarbij dan dikwijls inrichtingen zullen worden gemaakt om uit de leidingen overtollig water, dan wel door spuien zinkstoffen, te verwijderen. Voor leidingen die een sterk hellend terrein volgen, komt hierbij het maken van werken om de leiding tegen uitschuring te beschermen.

Bij geheel nieuwe bevloeiingen komt behalve het bovenstaande, het graven der leidingen en het maken der werken tot kruising met de verkeerswegen.

Voor zoover de afwatering betreft, doen zich gewoonlijk voor: het aanleggen of verbeteren van afvoerkanalen, het verleggen, normaliseeren of verbreeden van rivieren, dijksaanleg, bouw van duikers, sluizen, bruggen enz.

De voorbereidende werkzaamheden van het bevloeiingswerk omvatten debietsmetingen in de rivieren bij verschillende standen, een en ander om te weten hoeveel water voor de bevloeiing beschikbaar is en hoe groot het te bevloeien gebied dus kan worden, alsmede om te weten op hoeveel water moet gerekend worden bij de werken met de afwatering in verband staand.

Tevens zal een goed overzicht moeten worden verkregen van de wijze waarop met het beschikbare water zal worden gewerkt en hoe dit zal moeten worden geleid, waarvoor eene uitgebreide terreinopname noodig is, welke niet zooals bij wegaanleg of kanaal een enkele strook, maar eene geheele landstreek moet omvatten.

De voorbereiding van een bevloeiingswerk is dus bewerkelijk en kostbaar, doch volgt men dien weg niet, zoo loopt men groote kans „monuments of bad engineering and wasted money" te stichten, waarvan in de landen van Zuid-Europa zoomin als in Voor-Indië de voorbeelden ontbreken.

De schrijver zegt vervolgens dat men hieraan op Java grootendeels is ontkomen niet alleen door beter technisch beleid, doch doordat, zooals hij sarcastisch opmerkt, men zich vroeger zoowel als thans zooveel mogelijk van het maken van werken heeft onthouden en van het voorbereiden eene hoofdzaak heeft gemaakt.

Zal het met het oog op de beschikbare waterhoeveelheid mogelijk zijn de door den schrijver noodzakelijk geachte bevloeiingsuitbreiding tot stand te brengen? Deze vraag is niet absoluut te beantwoorden, doch het antwoord mag wel als zeer bemoedigend beschouwd worden. In de tot nu toe op Java in observatie genomen rivieren, wordt in den regentijd per 100 □ K.M. stroomgebied ongeveer 4 M3 water per secunde aangetroffen.

Uit de oppervlakte van Java, welke hij als stroomgebied meent in rekening te mogen stellen, komt hij tot de gevolgtrekking dat 3000 M3 per secunde voor bevloeiing beschikbaar zullen zijn, hetgeen voldoende geacht kan worden voor de bevloeiing van 3 millioen bouws sawah.

Hij acht het dan ook zeer waarschijnlijk, dat in de rivieren een normaal debiet zal worden aangetroffen, voldoende om de 1715000 bouws bevloeide en de 954000 bouws van regen afhankelijke sawahs der gouvernementslanden zoowel als de 450,0000 bouws bevloeide of van regen afhankelijke rijstvelden der Vorstenlanden en der particuliere landerijen, eene goede bevloeiing te kunnen geven.

(Wordt vervolgd.)

Het korps van den Rijks Waterstaat.

Dat conlenter tout le monde et son père moeilijk is, is wellicht in de gedachten gekomen van sommige lezers der korte beschouwing van den heer C. A. Jolles in het nummer van dit blad van den 18™ dezer naar aanleiding van het artikel in dat van den llei1 te voren.

De bedoeling van dat artikel ging niet verder dan in dit vakblad te wijzen op de ongunstige verhoudingen in het korps, wat promotie 'betreft, en eene vergelijking met den toestand van een overeenkomstig korps strekte om die verhoudingen beter te doen uitkomen.

Dat het niet tot het beoogde doel — betere promotie — kan leiden, daarop in een veel gelezen technisch blad te wijzen, is eene persoonlijke opvatting van dien heer, die, naar wij met zekerheid weten, door verschillende leden van het korps niet gedeeld wordt.

Hetgeen wij tot stand gebracht wenschten te zien, is minder eene vermeerdering van bezoldiging met enkele honderden guldens, dan wel het vroeger verkrijgen van een belangrijker werkkring eenerzijds en het tevens aan hen ontnemen van administratieven arbeid, waardoor zij overstelpt zijn, anderzijds.

Wij achten dit wenschelijk minder nog voor hen persoonlijk, dan wel in 's Rijks belang.

De late leeftijd, waarop de hoogere betrekkingen door sommigen bereikt worden, kan alsdan oorzaak zijn van minder werkkracht, minder zelfvertrouwen, minder initiatief. Al zijn de