is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 49, 09-12-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 4».

606

geheel alleen door landrente verhooging tot een maximumbedrag van 10 pCt. der meerdere bruto opbrengst der velden. Deze opvatting maakt, dat er slechts zeer weinig werken voor uitvoering geschikt zullen worden bevonden en riekt er wel wat naar, of men onder een schijnvertoon van breed opgevat regeeringsbeleid, immers 90 pCt. der meerdere opbrengst blijft aan de bevolking, een middel heeft gevonden, om den toestand van zoete rust op] irrigatiegebied voorloopig nog wat te bestendigen.

In ieder geval is het feit, dat men eene dergelijke opvatting durft huldigen, een bewijs dat de Regeering de noodzakelijkheid van een krachtig optreden niet inziet of wil zien.

Over de staking der Solowerken is de heer H. v. d. H. volstrekt niet te spreken en noemt hij deze gebeurtenis „een onberaden daad waarbij geen rekening is gehouden met den economischen toestand en de belangen der bevolking."

Van zijn standpunt, waar hij na een ernstig onderzoek tot de overtuiging is gekomen, dat de werken er komen moeten, en hij met recht vele Indische specialiteiten, den minister en diverse kamerleden incluis, verwijt, dat zij geen waarachtig besef hebben van hetgeen op Java nog gedaan moet worden, en dat dit „irrigeeren" geene aardigheid is a prendre ou a laisser, heeft hij gelijk.

De overwegingen die tot de staking deden besluiten waren':

„De onvolledigheid der voorbereiding;

dat er nog geen volledige ontwerpen gereed s zijn en er geen werkplan is;

dat de werken een finantieele tegenvaller blijken te zijn;

en dat de deskundigen het over verschillende hoofdpunten der werken niet eens en sommige punten nog onzeker zijn."

Elk dezer motieven worden door den schrijver uitvoerig behandeld, doch aangezien de staking reeds lang een voldongen feit is, acht ik het nu van minder belang bij deze beschouwingen lang stil te staan.

De schrijver rekent ons o.a. even uit, dat indien het project voor de Solobevloeiing even uitgebreid was opgemaakt als dit voor de kleinere bevloeiingswerken op Java tot nu toe het geval is geweest, de voorbereiding 2J/4 millioen, in plaats van f 302000 zooals nu besteed werd, zou hebben gevorderd. Dergelijke nauwkeurige voorbereidingen hebben in Europa voor werken van dien omvang dan ook nimmer plaats en het blijkt dan ook dat, in Europa alsook in Nederland, eene overschrijding der ramingskosten met 50 a 100 pCt., meer regel dan uitzondering schijnt te zijn.

Om dit te bewijzen, neemt hij een zeer interessante opgave over, welke reeds in „De Ingenieur" n°. 51, jaargang 1898, heeft gestaan, en waar hij aan toevoegt onderstaande opgaven, ontleend aan het Gedenkboek van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs en van de Handelingen der Staten-Generaal.

Raming. Werkelijke kosten. Rotterdamsche Waterweg . f 6 millioen. f 43 millioen.

Noordzeekanaal ,,15 „ „32 „

Merwedekanaal „14 „ „21 „

Nieuwe sluis te IJmuiden . „ 3.5 „ „ 6 „ Verlegging v. d. Maasmond „ 13.5 „ „ 22 „

Hoe verschillend en onvoorzien de invloeden ook geweest zijn waaraan bovenstaande overschrijdingen te danken zijn, zoo komen zij toch altijd hierop neer, dat de werken blijkbaar niet voldoende waren voorbereid.

De beschouwingen over de opvattingen en de motieven van den Minister van Koloniën in zake de staking der werken, over 'tgeen de heer Conrad in de Tweede Kamer zeide aangaande het oneens zijn der technici die krachtens hunne betrekking tot voorlichting werden geroepen, over hetgeen de ingenieur in Indië, doordat hij tevens uitvoerder der werken is, op zijne schouders heeft, stip ik slechts aan maar meen nadere kennismaking aan den lezer van het werk te mogen overlaten.

Slechts vermeld ik nog het hink in de bres springen voor den gewezen leider der werken, den ingenieur Pierson, die in een der voor de gezondheid meest afmattende streken, een taak op de schouders had, grooter in omvang en verantwoordelijkheid (ook geldelijk) dan eenig ingenieur in ons land of zijne overzeesche bezittingen.

Ook over de samenstelling der commissie, door den Minister van Koloniën benoemd om in zake de Solovallei advies uit te brengen, is de schrijver blijkbaar ontstemd en dat wel „omdat het grootste gedeelte bestaat uit Nederlandsche ingenieurs die, hoe bekwaam overigens ook, nooit gelegenheid of

aanleiding gehad hebben om zich speciaal op irrigatie-gelegenheden toe te leggen", doch hij eindigt met te zeggen; „men moet het daarom in de commissie ten zeerste waardeeren, dat zij haars ondanks een dergelijke taak aanvaard heeft, waardoor erger voorkomen kan worden."

Met dit erger, bedoelt de schrijver zeker eene definitieve staking der werken. Ik geloof echter dat niemand, juist na kennisname van des heeren H. v. d. H.'s werk, daarvoor nog bevreesd zal wezen want het zal toch hoop ik niet te veel verwacht zijn dat men hier in Nederland eens tot het besef moge komen dat men zelfs met niets doen, op Java nog niet Gods water over Gods akker zal kunnen laten loopen.

Aan het einde van zijn werk maakt de schrijver nog eene vergelijking tusschen Britsch en Nederlandsch Indië en helaas 1 wat zijn wij weer achterlijk. Van eene absolute vergelijking van cijfers is hier natuurlijk geen sprake, doch ook de relatieve vallen zeer in ons nadeel uit. De schrijver komt dan tot de slotsom, dat de verhouding tusschen de bevloeide oppervlakte en de bevolking in Britsch-Indië bijna dezelfde is als op Java; dat de verhouding tusschen de in cultuur zijnde oppervlakte en de bevolking in Britsch-Indië veel gunstiger is; dat het beschikbare graan-quantum in Britsch-Indië anderhalf maal grooter is dan op Java; en verder,

dat de economische verhouding van Britsch-Indië ten opzichte van het Buitenland, en de stand der Staatsinkomsten in de laatste jaren gunstiger is geworden.

Waarom komen wij Nederlanders ook weer hierin achteraan? Ik vrees dat wij de oorzaak wel geheel in ons zelf zullen moeten zoeken doordat te veel wordt gehouden aan het gezegde: het hemd is nader dan de rok Daarbij wordt echter vergeten, dat indien Nederland zijn rok (koloniën) laat verslijten, het in zijn dun hemdje al een heel pover figuur tegenover Europa zal maken. Men leze daartoe de bladzijden 160 en 161 van des schrijvers werk eens na, alwaar hij weergeeft, wat door den Kapitein Luitenant t. z. Slot in het Marineblad van 4 Maart 1899 over een mogelijk verlies onzer Oost-Indische bezittingen werd geschreven.

Na aldus den hoofdinhoud van des heeren Homan v. d. Heide's werk te hebben weergegeven, verklaar ik gaarne met de algemeene strekking van zijn arbeid geheel in te stemmen en de meening uit te spreken, dat hem daarvoor dank en waardeering toekomen.

D. A. KOSTER.

VERGr ADEEINGr

Yereeniging van Burgerlijke Ingenieurs.

De buitengewone algemeene vergadering der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs, gehouden op Zaterdag '2 December 1899 te 's Gravenhage in het Zuid-Hollandsche koffiehuis, werd bijgewoond door 35 leden.

Met een beroep op de welwillendheid van de leden, opende de heer Ph. W. van der Sleijden, voor de eerste maal als Voorzitter optredende, de vergadering, en hoopte dat de goede toon, die steeds hier heeft geheerscht, gehandhaafd moge blijven.

Nadat de notulen der algemeene vergadering van 24 Juni van dit jaar zonder beraadslaging waren goedgekeurd en vastgesteld' kwam al dadelijk het punt aan de orde, waarvoor deze buitengewone vergadering was belegd, n.1. de behandeling van de ontwerp-overeenkomst met het Koninklijk Instituut, betreffende het weekblad »De Ingenieur".

Met een enkel woord leidde de Voorzitter deze behandeling in, waarna de heer Pohlman, als eerste spreker, scheen te vragen of met het oog op de leden-technologen ook niet uitdrukkelijk eene plaats voor de chemie in »de Ingenieur» zou kunnen worden gereserveerd, welke vraag den Voorzitter de gelegenheid bood er op te wijzen, dat de overeenkomst, zooals zij daar lag, kon worden aangenomen of verworpen, maar niet gewijzigd.

De heer Schroeder van der Kolk vroeg naar de beteekenis van het feit, dat de Vereeniging in de Commissie van Redactie een gelijken invloed zal verkrijgen als het Instituut, dat toch alle lasten en risico's voor zich neemt.

De Voorzitter antwoordde dat de regeling der redactie volgens de ontwerp-overeenkomst slechts beoogt eene Commissie van Redactie te verkrijgen, die op de hoogte is van de onderwerpen, die in het weekblad worden behandeld en die een goed denkbeeld heeft van datgene, waaraan het weekblad behoort te beantwoorden.