is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 52, 30-12-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

645

M 58.

abele aardlaag met een temperatuur van + 10 0 C, 25 meter beneden den beganen grond ligt en de gemiddelde toename der warmte stellen op 1 0 C. per 35 Meter, dan blijkt dat het water der thermen aldaar, ongeveer 2125 Meter in de aardkorst moet zijn doorgedrongen. Hierbij is geen rekening gehouden met het klein bedrag der afkoeling, die het water bij het passeeren der hoogere en dus koelere lagen ondergaat.

In de nabijheid van nog werkende en reeds zoogenaamd uitgedoofde vulkanen, ja zelfs in streken, welke uit basalt en trachiet zijn opgebouwd, neemt de temperatuur van het water dikwijls veel sneller toe. Om die reden worden daar meer heete bronnen dan elders aangetroffen; kokend heete zijn zelfs tot vulkanische gebieden beperkt.

Thermen ontbreken echter in oudere noch jongere formaties, in massale noch sedimentaire gesteenten.

Soms kunnen ook chemische krachten de warmte van het bodemwater verhoogen, doch over het algemeen hebben deze slechts geringe uitwerking.

Evenals de boringen op nuttige delfstoffen, moeten ook die ter opsporing van minerale wateren vooraf gegaan worden door een grondig onderzoek van den bodem.

Als gunstigst kenteeken voor het welslagen eener dergelijke putboring, geldt het voorkomen van natuurlijke minerale bronnen op nabij gelegen terreinen, welker geologische bouw met die van het te exploreeren gebied overeenkomt.

Tevens moet gelet worden op uit de aarde opstijgende gassen (zwavel), de efflorescentie (zoutaanslag) en den plantengroei (zoutplanten).

In hoofdstuk III hebben wij nagegaan in welke formaties en gesteenten de verschillende delfstoffen voorkomen. Vele bronnen, als de staal, zwavel en zout houdende, ontleenen hare bestanddeelen aan de overeenkomstige mineralen. Jodium «n bromium neemt het water uit melafier en de gesteenten der Liasformatie op.

Ook geologische profielen, te construeeren uit de resultaten van kleine grondboringen en van de waarnemingen in natuurlijke of kunstmatige coupures, kunnen dus licht verschaffen. Zij bezitten uit den aard der zaak bescheiden vertikale afmetingen en zullen dus zelden de lagen aanwijzen, waaruit de minerale oplossingen afkomstig zijn, doch meer dienen voor het maken van gevolgtrekkingen, in verband met de vermoedelijke volgorde der verschillende vormingen en rotssoorten.

Betrekkelijk arm aan chemische stoffen is het water uit de oudere eruptieve gesteenten, de kristallijne schiefers en den Bonten zandsteen; uit deze laatste vooral, wanneer hij niet onder jongere formaties bedolven ligt en het daarin circuleerende water koud is.

Ook de tijd, die het water noodig heeft om zich een weg te banen door de gesteenten, waaraan het zijn minerale stoffen onttrekt, oefent grooten invloed uit op het gehalte dier bestanddeelen. Vormen de onderaardsche kanalen een ruime en vrije verbinding, dan stroomt het water er snel door en heeft dus weinig gelegenheid de rotsen aan te tasten. Naarmate de scheuren, spleten of poriën nauwer zijn, heeft de circulatie van het water langzamer plaats en wordt zijn chemische werking grooter.

Wij merkten reeds op, dat warm water, onder overigens gelijke omstandigheden, meer minerale bestanddeelen kan oplossen dan koud.

Om rijke minerale bronnen te voorschijn te roepen, zal de trepaan dus veelal diep in de aardkorst moeten doordringen en wel voornamelijk dan, wanneer het minder goed oplosbare mineralen betreft.

Den weg, welken het water der natuurlijke thermen uit de diepte naar de oppervlakte volgt, kan zoowel een vertikale als meer schuine zijn. In dit laatste geval heeft ook een minder diepe boring kans van slagen. Ten einde niet in herhalingen te vervallen, verwijzen wij voor de uitvoering van dergelijke werken naar de hoofdstukken I en III.

Op een paar punten meenen wij evenwel nog' de aandacht te moeten vestigen.

Een putboring zal natuurlijk alleen dan een gunstig resultaat opleveren, wanneer zij boven een waterader wordt uitgevoerd. Die kansen zijn zelfs na een nauwkeurig geologisch onderzoek niet groot en hoogstens te stellen op 10 procent; nog geringer zijn zij waar het de meest productieve kanalen geldt.

Wel kan men trachten door het laten springen van torpedo's den put met die gangen in verbinding te brengen, doch niet altijd zal dit middel een goede uitwerking hebben. Zelfs

krachtige, tot boven beganen grond stijgende, warme minerale bronnen (artesische putten) kunnen door een kolom van koud, zoet water als met een stop gesloten en geheel tot rust gebracht worden, gelijk de sterk koolzuurhoudende, vroeger ruim 16 meter hoog springende zoutbron van Bad Nauheim.

Wanneer de putten niet geheel bekleed zijn, is het zeer goed mogelijk dat het aangeboorde warme mineraalwater door koud water uit hoogere lagen, verhinderd wordt op te stijgen en zoodoende onopgemerkt blijft.

Het is dus zaak een doorloopende cuvelage aan te brengen en de poreuze lagen, welke zoet water van lage temperatuur bevatten, af te sluiten.

Over het algemeen is het boren met waterdoorspoeling en dus tevens de diamant-boormethode voor ons doel minder geschikt, wijl ook het onder hooge drukking ingespoten spoelwater, het te voorschijn treden van warm mineraalwater belemmert.

In Wiesbaden en andere badplaatsen wordt het water der heete minerale bronnen tevens gebezigd voor verwarming.

VIL Het opsporen van drinkwater.

In den laatsten tijd neemt het aantal putboringen ter verkrijging van gezond en koel drinkwater van jaar tot jaar toe. Terwijl vroeger in Europa de meeste boringen dienden om ertsen, kolen, zout of petroleum op te sporen, beoogen zij tegenwoordig reeds voor het grootste gedeelte het verstrekken van goed water aan steden, dorpen, fabrieken en particuliere gebouwen.

Aangezien het doel in de meeste gevallen bereikt wordt en het op zoo'n wijze verschafte water ook uit een hygiënisch oogpunt te verkiezen is, mag aangenomen worden dat voor de boortechniek in de naaste toekomst een ruim arbeidsveld geopend is.

De ingenieur, met de uitvoering van zulke werken belast, moet de noodige kennis der geologie en physische geographie bezitten of, zoo hij deze mist, zich door deskundigen laten voorlichten. Want alleen met behulp van nauwkeurige geologische kaarten en profielen, verkregen door een degelijk bodemonderzoek, kan voorkomen worden, dat op de éene plaats groote sommen onnoodig worden uitgegeven en andere streken — waar op geringe diepte, water van uitstekende qualiteit voorhanden is — van exploitatie verstoken blijven.

Ook kunnen boringen door onkunde mislukken op punten, waar gunstige resultaten te verkrijgen waren.

Wij weten dat de oorsprong van al het bodemwater dezelfde is, doch tevens dat de wijzen, waarop het zich door de aardkorst een weg baant en daarin wordt aangetroffen, zeer uiteenloopen.

Hier is vooral onderscheid te maken tusschen het water, circuleerende in min of meer ruime kanalen en aderen der vaste rots en het water der puingesteenten, dat alle poriën en holten der geheele laag vult. Beide soorten kunnen zoowel boven als tusschen impermeabele banken optreden. In beddingen, welke uit zand, grint en dergelijke onsamenhangende rotssoorten bestaan, heeft een putboring verreweg de meeste kans van slagen. (Zie hoofdstuk VI.)

Geologische profielen nu, leeren de architektonische gesteldheid der aardkorst en de aard der haar samenstellende gesteenten kennen. Zij wijzen de plaats aan, waar de permeabele lagen aan de oppervlakte liggen en het hemelwater opnemen.

Met behulp van geologische en hypsometrische kaarten is de grootte van dit verzamelgebied bij benadering te bepalen. Wanneer ook de cijfers voor neerslag en verdamping op die terreinen bekend zijn, heeft men dus voldoende gegevens voor de berekening van de beschikbare hoeveelheid bodemwater.

Op sommige terreinen is het boren naar water een onbegonnen werk.

In de Zwabische Alb bijv. zijn de haar samenstellende kalkrotsen zoo vol scheuren, spleten en kanalen, welke zich tot op groote diepte uitstrekken, dat alle neerslag daarin onmiddellijk wordt opgenomen. Eerst op den bodem van enkele zeer diep ingesneden dalen, doch meer aan den rand der hoogvlakte komt het boven geïnfiltreerde water weder te voorschijn in den vorm van bronnen, welke evenwel zelden bestendig zijn.

Ook in het Karstgebergte, Normandië, een gedeelte van de Zwitsersche Jura en talrijke andere kalk- en dolomiet-streken komen dezelfde verschijnselen voor.