is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur jrg 14, 1899, no 52, 30-12-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M as.

650

om eene subsidie te geven uit de kas van de Vereeniging».

Neen, dan acht ik het zeker te laat. Een subsidie uit de kas der Vereeniging zal door het Instituut zeker nooit worden aangevraagd en evenmin worden aangenomen; daartegen zouden eerst recht ernstige protesten opkomen.

Mijn voorstel is ook niet om een subsidie te geven uit de kas van de Vereeniging. De som van jh f 5000, die door het Instituut wordt terugbetaald aan de Vereeniging, vertegenwoordigt de verhooging der contributie van f3.— op f5.—, die van de leden der Vereeniging sinds de oprichting van het orgaan is gevorderd, om de kosten van het orgaan te bestrijden. Over die som, die de leden voor dat doel hebben bestemd, verkrijgen zij thans weer de vrije beschikking. Mijn voorstel is nu om haar gedurende 5 jaren te doen dienen tot het bestrijden van buitengewone uitgaven van het Weekblad. Het is om zoo te zeggen de derde partij in de overeenkomst, bestaande uit de lezers van het Weekblad, tevens leden van de Vereeniging, die beslissen moeten of zij aan deze som een zoodanige bestemming wil geven.

Strikt genomen blijft het Instituut geheel buiten de zaak en het bestuur van de Vereeniging evenzoo, wanneer het meent, dat het beheer van dit fonds buiten zijn werkkring ligt. De lezers van het Weekblad zouden dan zelf daartoe een commissie kunnen benoemen.

Dat de heer de Koning dit nu een bedeeling noemt, is mij niet duidelijk; vermoedelijk zal deze uitdrukking hem door den invloed van het winterseizoen uit de pen zijn gevloeid.

De heer de Koning stelt groote verwachtingen in den bekwamen Hoofdredacteur, doch over meerdere uitgaven is hij niet te spreken. Hooren wij slechts :

«De nieuwe Redactie belooft ons in hoofdzaak beter papier. Dreigt daardoor tinancieel gevaar. Dan in vredesnaam maar het oude papier». Het «oude papier», waaraan wij in n°. 41 van het "Weekblad afbeeldingen te danken hebben van de bruggen te Bonn en te Dusseldorf, slechter dan in eenig ander tijdschrift worden aangetroffen. Men vergelijke daarmede de keurige vignetten in Veenstra's Weekblad.

Gelukkig, dat het nieuwe papier bij de overeenkomst met den uitgever is bedongen en dus voor het Instituut geen meerdere kosten teweegbrengt.

Doch de uiting: «Dan in vredesnaam maar het «oude papier» kenschetst de opvatting van den heer de Koning.

Eischt het belang van het Weekblad, dat meerder geldmiddelen worden besteed, dan het Instituut kan verschaffen, dan zegt de heer de Koning : «Dan in vredesnaam maar geen meerdere uitgaven». En worden door de lezers, tevens leden der Vereeniging, daartoe de middelen aangeboden, dan noemt de heer de Koning dit eene bedeeling en protesteert daartegen rechts in het Instituut en links in de Vereeniging.

Lezers van het Weekblad, tevens leden van de Vereeniging, heb ik nu ongelijk gehad, toen ik de vraag stelde : zijn ook de belangen van het Weekblad en van zijne lezers voldoende gewaarborgd ? Is het nu niet noodig, zelf voor Uw belang op te treden ?

Nog twee punten blijven over.

De heer de Koning acht mijne argumenten voor de stelling, dat de Vereeniging de som van f 5000.— niet noodig heeft, niet zeer sterk met het oog op het ruime veld van actie. Op mijn beurt mag ik nu zeggen «laten wij ons omtrent dat ruime veld van actie ook niet bezorgd maken voor den tijd». Jaar in, jaar uit heeft het Bestuur voor dit ruime veld van actie een groot kassaldo beschikbaar gehouden, door zoo min mogelijk obligatiën uit te loten, doch met het gevolg dat gedurende de laatste vijf jaren alleen het kapitaal met f 2500.— is vermeerderd. Met zulke voorspiegeling van hooge uitgaven moet men eindelijk eens ophouden.

Het tweede punt betreft de bibliotheek van het Instituut. Uit de Jaarverslagen blijkt, dat voor aankoop van nieuwe boeken is besteed :

in 1896—97 ƒ 84.70

in 1897—98 » 8.82

in 1898—99 » 146.05, terwijl voor 1899—1900 is uitgetrokken f 150.— of, voor elke vakafdeeling f 37.50.—

Hoeveel zou dit bedrag wel te weinig zijn om de bibliotheek behoorlijk aan te vullen?

Zoowel de uitgaven noodig voor de bibliotheek, als die vereischt voor hare betere huisvesting, komen ten goede aan de redactie van het Weekblad. Het Instituut moet in staat blijven daarin

op betere wijze te voorzien, niet alles kan dus aan het Weekblad zelf worden geofferd.

Ik meen dat mijn voorstel iets kan bijdragen tot het verkrijgen van een uitstekend technisch weekblad. Mochten na dit schrijven nog meer leden van de Vereeniging mij hun naamkaartje zenden als bewijs, dat zij met mijn voorstel instemmen, dan ben ik mijn vriend de Koning dankbaar voor zijn indirecte medewerking en stuur ik hem als bewijs daarvan — mijn naamkaartje.

Het voorstel dat wij voornemens zijn aan het Bestuur der Vereeniging in te zenden, luidt als volgt:

De som van ƒ 49S2.425, die door het Instituut krachtens Art. 7 van de overeenkomst met de Vereeniging aan deze moet worden uitgekeerd, zal, naarmate zij inkomt, door het Bestuur der Vereeniging afzonderlijk worden beheerd, om met de daarbij gekweekte rente ter beschikking te worden gesteld van de Commissie van Redactie tot het bestrijden van buitengewone uitgaven van het weekblad «De Ingenieur».

Na vijf jaar, te rekenen van af 1 Januari 1900, houdt deze beschikking op en kan het restant met het nog verschuldigde voor andere doeleinden worden aangewend, tenzij de vergadering op voorsfel van de Commissie van Redactie anders beslisse.

De Commissie van Redactie doet jaarlijks mededeeling aan het Bestuur der Vereeniging van de wijze van besteding der in het afgeloopen jaar beschikbaar gestelde gelden. 's-Gravenhage, 27 Dec. '99. J. Schroeder v. d. Kolk. 175 Laan van Meerdervoort.

STATEN-GENERAAL.

WATERSTAATSBEGR00TING VOOR 1900.

(Vervolg van blz. 637.)

Vernieuwing kaaimuur langs de spoorweghaven t e F e y e n o o r d.

Art. 129. De gezamenlijke kosten der vernieuwing van den kaaimuur langs de spoorweghaven teFeyenoord zullen bedragen f 1,060,000, alzoo f 170,000 minder dan blijkens de Memorie van Toelichting van het IXde hoofdstuk der ontwerp-Staatsbegrooting voor 1896, ad art. 128 daarvoor werd geraamd.

Het laatste gedeelte der kosten, dat op de ontwerp-begrooting voor 1901 zal worden uitgetrokken, zal, behoudens onvoorziene omstandigheden, niet meer dan f 90,000 bedragen.

Brug bij Westervoort. Art. 130. Het uitgetrokken bedrag dient voor den bovenbouw der brug en de aansluitende spoorwegbanen. De stand der werkzaamheden is deze, dat de onderbouw van de brug met een gedeelte der aansluitende spoorwegbanen gereed zijn, alsmede een groot gedeelte der werken tot wijziging van het fort, en dat de rest der aansluitende banen en de bovenbouw van de brug in uitvoering zijn en vermoedelijk, indien geen buitengewone omstandigheden tusschenbeide komen, in het laatst van 1900 zoover gereed zullen zijn, dat de exploitatie zal kunnen geschieden.

De bewering dat bij dit werk de gepaste zuinigheid niet in acht wordt genomen en dat tal van uitgaven worden gedaan, die zonder eenige schade voor de deugdelijkheid van het werk achterwege konden blijven, is zonder nadere toelichting, niet voor wederlegging vatbaar en aeeft dan ook geen aanleiding te dier zake een onderzoek in te stellen.

Nadat del hiervoor -vermelde werken, die nog onderhanden zijn, zullen zijn opgeleverd, zullen nog zijn uit te voeren de werken in verband staande met de normaliseering van de rivier, alsmede de voltooiing der werken aan het fort en het afbreken der bestaande brug, welke werken de in gebruikneming van de brug in 1900 niet in den weg staan en die geraamd zijn op f 315,000.

W e s t e 1 ij k viaduct te Amsterdam.

Art. 133. Aangezien bij de vernieuwing van de viaduct rekening zal zijn te houden met eene eventueele uitbreiding van het station te Amsterdam, zal het werk eenigszins westelijk verplaatst moeten worden, terwijl de constructie van den bovenbouw zoodanig zal zijn in te richten, dat de sporen daarop in willekeurige richting kunnen worden gelegd. Dientengevolge moet omtrent een door de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij opgemaakt voorloopig ontwerp overleg plaats hebben met het gemeentebestuur van Amsterdam.

Het gemeentebestuur heeft zich met de verplaatsing en de voorgestelde hoofdafmetingen van het werk kunnen vereenigen, maar de studie van het belangrijke ontwerp is nog met zoo ver gevorderd, dat daarvan een plan is kunnen opgemaakt worden, dat tot grondslag zou kunnen dienen voor eene eenigszins vertrouwbare raming.

Hoewel de toestand van de bestaande viaduct niet op den duur zou kunnen worden bestendigd, zoo bestaat geen reden om oogenblikkelijk