is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 4, 24-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

:5l

buis minder zwaar was dan het vastgestelde minimumgewicht, dan werd zij ter zijde gelegd om te worden stukgeslagen en bij eene andere gieting wederom te worden omgesmolten.

Het persen geschiedt overeenkomstig de instructie, den fabrikant door den afnemer gegeven. De buizen voor hoogdrukwaterleidingen worden in den regel geperst tot 10 a 20 atmosfeeren, terwijl buizen voor gasleidingen zelden aan eene hoogere drukproef of persing worden onderworpen dan van 10 atmosfeeren. Voor stoomgeleidingen of andere leidingen welke onder zeer hoogen druk moeten werken, perst men de speciaal daarvoor gegoten buizen tot op 180 a 200 atmosfeeren. Hiervoor bedient men zich evenwel van eene speciaal daarvoor ingerichte pers, daar de voor de gewone buizen gebruikte persen geen hoogeren druk dan van 50 atmosfeeren toelaten.

De buizen welke onder het persen geene gebreken vertoonen, worden, indien zulks door den afnemer verlangd is, naar de asphalteer-inrichtingen getransporteerd om aldaar de laatste bewerking te ondergaan.

Deze asphalteer-inrichtingen zijn 4 in getal, waarvan, zooals in den aanvang reeds is opgemerkt, één naar Engelsch systeem.

De drie andere inrichtingen zijn zeer eenvoudig en bestaan alleen in een horizontalen ijzeren bak van 5 tot 12 M2 oppervlakte bij eene diepte van 30 cM. Onder deze bakken bevinden zich gemetselde ovens ter verwarming van het asphalt. Vóélde genoemde asphaltkuipen bevinden zich de verwarmingsovens voor de buizen, welke eenen zekeren warmtegraad moeten hebben om met succes geasphalteerd te kunnen worden.

De Enyelsche installatie voor het asphalteeren der buizen, ingericht overeenkomstig mijne aanwijzingen en de gegevens door mij verzameld op eene studiereis in Engeland in April 1888, bestaat uit vier verticaal gemetselde, cylindervormige ovens, welke gelegen zijn om een bemetselden put of kelder waarin de mondingen der ovens zich bevinden. Deze kelder zoude dus de stookplaats kunnen worden genoemd. Van de vier gemetselde, verticale ovens zijn er twee van binnen voorzien van gegoten ijzeren wanden ter bescherming van het metselwerk, terwijl de twee overigen voorzien zijn van een cylindervormigen ketel of bak, juist in het gemetselde werk passende.

Van alle vier ovens steekt de ijzeren binnenwand ongeveer 40 of 50 cM. boven het metselwerk of den beganen grond uit. De ovens hebben allen eene diepte van 4.50 M., zoodat de langste buizen daarin kunnen worden neergelaten.

Twee der ovens dienen tot verwarming der buizen, en wel die, welk van binnen voorzien zijn van gegoten ijzeren wanden, fig. 8, bij A ; de twee ovens, voorzien van de geslagen ijzeren ketels B, worden gevuld met zoogenaamd Dr. Angus Smith's Patent Asphalt (1), hetwelk in vaten wordt aangevoerd uit de fabrieken van Sadlek & Co., Limited, Chemical Manufacturers te Middlesbrough on Tees.

Onder ieder der ovens en der asphaltkuipen bevindt zich een ruime vuurhaard welke uitmondt in vier tegen de ijzeren wanden der ovens oploopende vuurkanalen, die voor iederen oven afzonderlijk van boven vereenigd, in den schoorsteen uitloopen.

In den bodem der gegoten ijzeren verwarmingsovens zijn bovendien groote gaten opengelaten, zoodat bij deze ovens de warmte, welke zich in den vuurhaard ontwikkelt, ook opstijgt tot in den oven, waardoor de buizen, welke zich in den oven bevinden, overal gelijkmatig verwarmd worden. Van boven zijn deze ovens, met uitsparing van eene kleine opening, afgesloten door een plaatijzeren deksel, waardoor de hitte nagenoeg geheel in den oven blijft opgesloten.

De asphaltkuipen B, fig. 8, hebben een ietwat bolvormigen bodem; het zich in die kuipen bevindende asphalt wordt verwarmd door de hitte van den vuurhaard, welke, door het vuurvaste

(1) Door mijne patent-agenten te Londen, heb ik onderzoek laten instellen naar dit patent en daarop het volgende ten antwoord ontvangen: «We have searched the patent-office at great length buthave been unable to find any patent granted to Dr. Angus Smith, for asphalt for pipes.» Waarschijnlijk heeft dit patent dus nooit bestaan en is het in ieder geval thans niet meer geldig.

In W. M. Ripley Nichols werk, getiteld: «Water Supply», wordt ook op bladz. 208 niet gesproken van het patent maar van het procédé van Dr. R. Angus Smith. Het bedoelde mengsel werd op mijne order door den buizenfabrikant besteld als: «Tar prepared as Dr. Angus Smith's composition for pipe coating». Behalve het bovengenoemde adres werd mij dat van de heeren C. ü. Körner & Co. 137, West Regent Street, Glasgow, van bevoegde zijde voor de levering van Dr. Angus Smith's composition zeer aanbevolen. Over de samenstelling van dit mengsel heb ik in Engeland vele inlichtingen ingewonnen, die ik mij voorstel later in een speciaal vakblad, bijv. het «Journal für Gasbeleuchtung und Wasserversorgung" te publiceeren.

gewelf, op den bodem der kuip werkt en overigens door de heete gassen, welke langs de vier oploopende vuurkanalen opstijgen en aldus den ijzeren wand der kuip verhitten.

De middelste, groote put, de stookruimte, is van boven afgesloten.; door troggewelven tusschen ijzeren liggers, met uitsparing evenwel van een ruim mangat, waarin een ladder geplaatst is tot toegang en aanvoer van brandstoffen. Op deze overwelving, welke met den bovenkant gelijk ligt met den beganen grond, is eene draaibare stoomkraan geplaatst.

De asphaltage geschiedt als volgt:

De buizen, welke in den regel direct van de pers komen, worden door de stoomkraan opgenomen en neergelaten in de verwarmingsovens A.

Naar gelang van de lengte der buizen komen zij in deze ovens op den bodem te staan of worden zij aan den ketting, waarmee zij zijn opgeheschen, in de ovens opgehangen, en wel eenvoudig door eene dwarsstaaf door een strop van den ketting te steken en deze op den rand van den oven te leggen.

De beide ovens worden beurtelings van buizen voorzien. Als de buizen verwarmd zijn tot op een warmtegraad van 145 a 155° Celsius, hetwelk men gemakkelijk waarneemt door daarvoor eene metaalcompositie samen te stellen van b.v. 24 deelen tin, 22 deelen lood en 8 deelen bismuth, welk mengsel op 150° Celsius smelt, dan worden zij door de stoomkraan uit den oven geheschen. Tijdens het optrekken der buizen worden zij door middel van bezems of borstels schoongemaakt, daar zich door de opstijgende heete gassen eenig stof, zij het dan ook weinig wegens het stoken met cokes, op de buizen gevormd heeft.

Terstond nadat de buis den vereischten warmtegraad heeft bereikt, uit den oven gelicht en afgeveegd is, wordt zij neergelaten in de asphaltkuipen B.

Deze kuipen of baden zijn bijna geheel gevuld met het genoemde asphalt en zijn dermate gestookt dat ook dit eene temperatuur van ongeveer 150° Celsius heeft. In dit zacht kokende mengsel wordt de buis omstreeks 15 minuten onder dezelfde temperatuur gelaten.

Worden de buizen daarna door de stoomkraan weer opgeheschen, zoo hebben zij eene effen gladzwarte kleur. Het overtollige asphalt druipt af terwijl de buizen worden opgeheschen en bovendien wordt het tijdens het wegrollen hier en daar nog afgeborsteld. Het overblijvende asphalt, dat in de poriën van het gietijzer is gedrongen, droogt nu zeer spoedig op en de asphaltage der buis is gereed.

Zal de asphaltage aan het doel beantwoorden, d. w. z. zal zij de buis voor roesten vrijwaren, zonder reuk, kleur of smaak te geven aan het door de buis stroomende water, dan is het van belang dat de buis, alvorens geasphalteerd te worden, volkomen roestvrij zij, daar op de roestplekken het asphalt niet te houden is en deze plekken altoos eenigen tijd later weder te voorschijn komen. Ook moet de buisoppervlakte overigens zuiver schoon zijn, alvorens de buis in het asphaltbad mag worden gedompeld.

Het oliën van vooruit gefabriceerde buizen werkt zelfs na de meest zorgvuldige bewerking, steeds min of meer nadeelig op de asphaltage; bij eventuëele vooruitwerking der gieterij is het meer geraden de buizen, na de persing, zuiver af te drogen en onder een bekapping op hooge onderleggers op te stapelen.

Indien het evenwel mogelijk is, zal het steeds te prefereeren zijn de buizen direct na de persing te asphalteeren, daar dan het water waarmede de buis geperst is en waarvan natuurlijk altijd iets aan de buis blijft hangen nog geene roestvorming heeft kunnen veroorzaken en de poriën van het gietijzer nog open zijn, terwijl deze bij lang liggen of oliën, door stof, olie enz. verstopt geraken.

Omtrent den warmtegraad der buizen en van het asphaltbad zij nog opgemerkt dat voor beide eene hitte van 150° Celsius, d. i. 302° Fahrenheit of 120° Réaumur, als norm kan worden aangenomen. Het asphalt kan eene hoogere temperatuur verdragen zonder gevaar voor ontbranding op te leveren, doch eene grootere hitte dan 165° Celsius is niet aan te bevelen. Bij eene hitte van 140° Celsius kan het asphaltbad reeds goed werken.

De buizen kunnen eveneens geene hoogere temperatuur hebben dan 165° Celsius, daar zich alsdan, bij indompeling in het asphaltbad, bruingele dampen vormen, welke bewijzen dat het asphalt, waar dit de buis raakt, gaat branden of verkolen.

Over het algemeen geeft de kleur der dampen welke zich bij de indompeling der buizen ontwikkelen, eene zeer goede controle op de hitte van het asphalt of van de buis tijdens deze indompeling. Ontwikkelt het bad door de indompeling der heete buis, witgrijze dampen, dan hebben buis noch bad eene te hooge temperatuur; zijn echter de dampen bruingeel, dan is zooals gezegd is, de buis te heet en dient men deze eerst iets te laten afkoelen alvorens tot de asphaltage over te gaan.