is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 4, 24-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

;S6

door twee pinnen. Deze ringen klemmen niet om den kabel; men kan ze met de hand verplaatsen. Zij steunen tegen een omvlechting van c geteerd kabelgaren; de pinnen der ringen dragen elk ook een geteerd 1 draadje, dat met het omwoelsel zoo verbonden is dat gedurende de beweging van den kabel de ring op zijn plaats blijft. ( Op den kabel wordt nu een soort zadel gezet, lang 6 cM., eveneens , uit smeedbaar gietijzer. (Fig. 9,10 en 11). Dit steunt los met eemge speel- , ruimte op den kabel, die 30 mM.doorsnedeheeft,maar heeft over eemge lengte , een verwijd gedeelte, dat over den ring kan schuiven. Zit het zadel los op j den kabel, dan kan het er verticaal afgelicht worden. Heeft de rmg het evenwel gegrepen, dan kan men het alléén aflichten door het op den ring te laten basculeeren. Het zadel heeft wederzijds den kabel twee verticale gaten, waardoor de aanhanglijn of koppelhjn gestoken wordt, waarvan het eene eind peervormig is en in een spleet van het koord wordt vastgezet (fig. 12).

Aan de bovenvoorzijde heeft het zadel een gat, waardoor een ander touw van 8 a 10 mM. dikte wordt gestoken, aan één einde voorzien van een knoop. Dit koord is het ontkoppelkoord, en gaat naar bet schip Wordt aan dit koord getrokken, 'tzij direct, 'tzij door het vast te maken en de treklijn te laten vieren, dan wipt het zadel om en over den ring, en de treklijn is los; m. a. w. de kabel beweegt zich verder, zonder het schip mede te nemen, terwijl het zadel er op blijft zitten.' Door eiken volgenden ring wordt het schip weder medegenomen, indien de schipper dit verkiest; wil hij dit niet, dan heeft hij slechts het ontkoppelkoord zóó aan het schip vast te maken, dat de ringen er een trekking op uitoefenen en dus het zadel doen overwippen.

De eigenlijke treklijn, waarmede het schip wordt voortgetrokken, wordt aan 'het uiteinde van de 3.00 a 3.50 M. lange koppellijn vastgemaakt, die daartoe van een ring is voorzien.

De geheele inrichting, zadel met koppellijn, wordt aan eiken schipper ter hand gesteld; zij kost 5 a 6 francs. Wil de schipper zijne reis beginnen, dan plaatst hij — na zijn lijn aan het koppelkoord te hebben bevestigd — het zadel ergens op den kabel, steekt het losse peervormige eind van het koppelkoord in de lus, en begeeft zich weder op het schip De eerste ring neemt dan het schip mede. Is de schipper nog niet gereed, dan kan hij door middel van het ontkoppelkoord zooveel ringen laten passeeren als hij wil, op de wijze als boven is uitgelegd. ,

Het ontkoppelkoord dient ook om het schip geheel los van den kabel te maken. Men begint eerst met het laten afwippen van het zadel, eene operatie die door de trekking van het schip zelf gebeurt. Vervolgens trekt de schipper aan de lijn, waardoor het zadel tegenover het schip komt te liggen en er door de trekking verticaal op den kabel van afglijdt. Een korte ruk maakt de peer los, en de toestel kan aan boord worden gehaald.

De geheele inrichting is zóó eenvoudig, dat een man een schip kan leiden. Wat de exploitatiekosten betreft, deze zijn belangrijk minder dan bij eenige andere wijze van voortbeweging; zij bedragen op het kanaal St. Maurice slechts 0.084 cent per tonkilometer (1). Het spreekt van zelf, dat zij, in hooge mate afhangen van het vervoer, en dat machinale inrichtingen in het algemeen slechts bij druk verkeer van toepassing kunnen zijn.

Eene belangrijke toepassing zal van het stelsel Levv gemaakt worden op het 140 KM. lange gedeelte van den waterweg, die Parijs met België verbindt, en wel tusschen Etrun en Janville, omvattende de o-ekanaliseerde Boven-Schelde, het kanaal van St. Quentin en het zijkanaal langs de Oise, met een jaarlijksch verkeer van 3,200,000 ton. Op afstanden van 28 KM. zullen vaste machines gebouwd worden (m 5 o-roepen) waarvan telkens 2 eene kanaallengte van 14 KM. heen en terug zullen bedienen en een normalen arbeid van 100—120Pkr.zullen verrichten. De kabels, dik 30 mM., zullen 3.75 KGr. per M. wegen, en de snelheid van voortbeweging zal 0.70 M. per seconde (2K KM. per uur) bedragen, welke snelheid men evenwel hoopt tot 1 M. per seconde te zullen kunnen opvoeren.

De ondersteuningsrollen zullen ongeveer 75 M. uit elkander liggen. De aanlegkosten zijn geraamd op 18,000 francs per KM., en wel 6000 francs voor den kabel, 8000 francs voor de steunpunten en 4000 francs voor de machines.

De exploitatiekosten zijn geraamd per jaar en per kilometer op 5600 frs nam 2100 frs. voor de beweegkracht der machines, 2780 frs. voor onderhoud en amortisatie van het materieel en 720 frs. interest van het kapitaal. rtnr.

De trekkosten komen dan, bij een vervoer van 3,200,000 ton per jaar, te staan op 0.175 centimes of 0.0875 cent per tonkilometer.

(lT Reg Rath. Schromm deelt de volgende cijfers mede betreffende de trekkosten op Fransche kanalen, per tonkilometer • Met paarden: op de kanalen in Midden-Frankrijk met schepen

van 60-120 ton 0.24 -0.336 cent

Dito op de kanalen in Noord-Frankrijk, met schepen

van 250—300 ton 0-2f »

Dito, dito met relaisdienst ?;Yni«J,i B

Dito op het Oisekanaal 0.192-0.216 »

„ » de Schelde en het kanaal van St. Quentin

opwaarts 0.168-0.276 »

» » de Schelde en het kanaal van St. Quentin

afwaarts 0.115-0.19 ,

Met vrachtstoombooten . . . • • 1-032

Met touaoe. op betkanaal van St. Quentin (Staatsdienst) 0.12 _ » Met trekken door een kabel zonder eind .... 0.084 «

Een schip van 270 ton, dat thans voor het trekken met paarden over de 140 KM. 158.05 francs betaalt, zal alsdan slechts 66.15 frs. te betalen hebben, m. a. w. eene besparing van 91.90 frs. of 58 pet. genieten.

Het verbeterde stelsel Oriolle, dat in 1889 op het kanaal van St. Quentin over 3 KM. tusschen de brug van Gressy en die van Tergmer als proefin werking werd gebracht, kenmerkt zich door beweeglijk opgehangen geleidschijven. De as der schijven is nam. bevestigd op een |_|yormigen arm, die aan de bovenzijde om een scharnier kan draaien.De schijven kunnen zich hierdoor steeds plaatsen in het vlak van de trekkracht. De bevestiging van het schip aan den kabel geschiedt door metalen klemmen, bevattende drie cylindervormige ringen, in elkander verlengde, waardoor de kabel loopt, en waarvan de middelste door middel van een hefboom naar boven kan worden gedrukt, en dus den kabel vastknijpt. Die hefboom komt in werking door de aan één uiteinde bevestigde treklijn; aan het andere einde is het ontkoppelkoord bevestigd, die den hefboom terugtrekt en dus de klem los maakt.

Levy voert tegen dit stelsel aan, dat het vastklemmen den kabel op den duur vernielt, dat het passeeren der losse klemmen door de rollen steeds gevaar oplevert, dat de aanwezigheid van knoopen of verdikkingen in den kabel (die bij herstelling er stellig in zullen voorkomen) hetoverglijden van de losse klemmen kan beletten. Ten slotte acht hij het geheele systeem, van beweeglijk opgehangen rollen veel te samengesteld en te zwak, vooral wanneer men de spanning van den kabel vermeerdert. En dit is volgens Levv bepaald noodig, indien men in plaats van over 3 KM. over 15 a 20 KM. wil vervoeren, met een enkele machine, zooals uit een oogpunt van economie nuttig is (1).

# *

De proeven op het O d e r—S p r e e - k a n a a 1 betroffen zoowel het trekken door middel van een kabel zonder einde als het trekken door

locomotieven. . .

De eene proef met kabel zonder eind werd gedaan op het 4K KM. lange gedeelte van de Wernsdorfer sluis tot de Neuzittau'er chaussée. Bij Wernsdorf werden de drijfwerktuigen, twee locomobielen van te zamen 28 geïndiceerde paardekrachten op den oever opgesteld. Zij brachten eene groote kabelschijf, die van eene spaninnchting voorzien was, in beweging, en daardoor een kabel in omloop. Deze kabel is 19 mM. dik en bestaat uit 294 verzinkte staaldraden met hennepkern ; het gewicht er van is 0.94 KG. per meter. De kabel loopt verder op schijven, die bevestigd zijn aan houten bokken, uit twee ingeheide palen bestaande. Deze schijven hebben 60 cM. middellijn en liggen met de as 3.20 M. boven het jaagpad. Hunne afstand is 100 M. Om de aanhaaklijn zijdelings te doen uitglippen zijn de schijven van mklmkingen voorzien. In de krommingen van het kanaal werden aanvankelijk horizontale schijven gebezigd met geleidschijven in de onmiddellijke nabijheid. Later ging men over tot slingerend opgehangen schermvormige geleidschijven, die zeer goed hebben voldaan. Zulk eene schijf laat een hoek toe van 4°; bij sterkere hoeken moeten verschillende rollen achter elkander gesteld worden.

Ter bevestiging van de aanhaaklijnen werden op afstanden van 400 JV1. lijnsloten van Maurice Levy aangebracht, waarop zich een draaibare ring bevond met aanhaakoog, in welk laatste de schippers hunne treklijnen vastknoopten. Deze inrichting voldeed niet. De oorspronkelijk draaibare ring werd spoedig onbeweeglijk, zoodat de treklijn zich om den kabel wikkelde, die tijdens den dienst in voortdurend draaiende beweging verkeert. In plaats van het lijnslot van Levy werden.nu verschillende aanhaakinrichtingen met lijnsloten van Kortüm aangebracht ; het best daarvan voldeed die inrichting, waarbij op een korten bout een draaibare ring draagt, waaraan zich een schakel bevindt, die zich om een as kan draaien, en welke schakel voor het inknoopen van de treklijn dient. De ring steunt onder invoeging van twee messingschijven tegen een uitstek van den bout en wordt aan de andere zijde door een stift gehouden.

Om het wikkelen van de treklijn om den kabel nog meer volkomen te vermijden, werden in het oog voor het aanbinden 2 M. lange draadkabels ingehaakt, die aan het andere einde oogen hadden I voor het inknoopen der treklijnen. Deze inrichting heeft goed voldaan. I Proeven om op den kabel messingruiters te zetten, die steunden tegen eene op den kabel bevestigde huls en om welke de treklijn eenvoudig ) werd gewikkeld, voldeden daarentegen niet.

Als slotsom der proeven is het volgende aan te nemen : i 1° De schermschijven verdienen ook als geleidrollen in de rechte kanaalgedeelten den voorkeur. Een middellijn van 50 cM. is dan voli doende. , .

2°. Kleine brekingen in de kanaalrichting tot 3 en 4 graden kunnen door slingerend opgehangen schermschijven overwonnen worden.

3°. Bij grootere hoeken is het aanbevelenswaardig twee scherm» schijven van grooter middellijn achter elkander te plaatsen.

4°. De looprollen in de schijven moeten met elastisch materiaal, hout i of leder, omhuld worden. 1 t 5°. De afstand der draagschijven moet bij den opgaanden kabel op cc. 600 M. van de drijfmachine, van 60 M. af langzamerhand toenemend tot 100 M. worden ingericht. , , . - .

6°. De as der geleidschijven is 3.20 M. boven de kruin van het jaagpad aangebracht. Bij deze hoogte hangt de kabel in bet midden tusschen twee steunpunten tot op 1.50 M. boven den grond door, zoodat het inknoopen van de treklijnen gemakkelijk is.

(1) Men leze o. a. de uitvoerige Notice historique et technique sur le halacje funicidaire, par M. Ie Prof. Dr. Maurice Levy, overlegd aan het 4e internationale congres voor binnenlandscbe scheepvaart te Manchester in 1890; waaraan het bovenstaande voor een goed deel is ontleend.