is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 5, 31-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4o

een weverij het smeren wel steeds met stilstaande machine moet plaats hebben, aangezien zij, die smeren, tevens op de touwen moeten passen en zij moeilijk beide te gelijk kunnen doen (V. 3757); door de derde, onder opmerking «dat de machine daarop (n.1. op het smeren bij stilstand) is ingericht» (V. 8153). Bij de vierde worden de weefgetouwen onder het smeren stilgezet (V.9006). Een ander geeft te kennen dat het smeren «niet altijd» bij stilstand plaats heeft, dat zoodoende een werkman zijn arm verloren heeft, die wegens bij de wond komend koud vuur, moest worden afgezet (V. 9577).

Ten aanzien van vijf andere fabrieken wordt verklaard, dat het smeren zoowel bij stilstand (n.1. bij hoofdassen en bij moeilijk toegankelijke plaatsen) als tijdens de beweging der machines geschiedt, het laatste veelal onder opmerking, dat daaraan geen gevaar is verbonden. (V. 3545, 6363 en 11490.)

Eindelijk wordt door twee fabrikanten getuigd, dat het smeren plaats vindt bij hopende machines, door den een met het motief «dat de olie zich onder het loopen beter verdeelt» (V. 6007), door den ander, «wegens het verwerken van zware stukken» die eischen dat de machine doorloopt. (V. 9675.)

De gegrondheid van beide motieven in het midden latende (ook de commissie gaat niet verder in de zaak door) valt nog slechts te constateeren, dat van ongelukken — als gevolg van onvoldoende voorzorgen bij het smeren — in de verslagen nagenoeg geen melding wordt gemaakt (1), zoodat uit het ontbreken daarvan ook al weer kan worden afgeleid, dat — al mag aan de eischen, die men op technisch gebied zou kunnen stellen in vele opzichten niet zijn voldaan — de practijk den fabrikant in het gelijk stelt, waar deze beweert, het meeste te hebben gedaan, wat onder de bijzondere omstandigheden van zijne fabriek noodig is te doen.

Een der belangrijkste zaken bij de bespreking der middelen tot voorkoming van fabrieksongelukken, betreft de behandeling der drijfriemen. De commissie heeft — volgens mijn bescheiden meening — hare taak bij de bespreking van dit punt niet zeer breed opgevat; doch wie, die in de gelegenheid is, zulk een taak in zijn geheel te overzien, zal haar dit euvel duiden? Ook is er voor eene breedere opvatting van dit speciale punt een technische kennis noodig, die bij de commissie, zooals zij was samengesteld, bezwaarlijk kon worden ondersteld. De gestelde vragen dan, bepaalden zich hoofdzakelijk tot een van deze beide: worden er haakstangen gebruikt, of, hoe worden de riemen weder opgelegd, wanneer zij van de schijf zijn gevallen? Van de 27 textielfabrieken nu blijken niet meer dan een 6-tal slechts een facultatief o-ebruik te maken van den genoemden eenvoudigen, en naar het heet, nagenoeg onmisbaren toestel, en bij die weinigen zoekt men nog te vergeefsch naar een warme aanbeveling.

Bij den een heet het dat de riemen «soms» met de haak worden opgelegd, bij de weverij meestal met de hand; dat dienaangaande niet gemakkelijk voorschriften zijn te geven (V. 4601) 0f _ nog sterker — dat het meest niet uitvoerbaar is (V. 4817); voorts vinden wij vermeld, dat de haakstang alleen bij gevaarlijke riemen wordt gebruikt, zooals bij de sterkerij (V. 6004) en in de kraskamer (V. 10726); of, dat het opleggen met de hand wel is waar is verboden, doch dit verbod niet is aangeplakt (V. 8155) ; bij de zesde eindelijk wordt de haakstang «niet geregeld» gebruikt (V. 2853) en is een extrastang (vermoedelijk riemoplegger) aangebracht, nadat twee ernstige ongelukken door oplegging met de hand waren voorgevallen (V. 2854).

Bij twee fabrieken wordt alleen gewag gemaakt van een «riemoplegger», bij den een voor zware riemen (V. 8701), bij den ander juist niet voor zware riemen, «die er ongeschikt voor zijn» (V. 11074).

In al de overige fabrieken geschiedt het riemopleggen met de hand, en meestal door de bazen; soms uitsluitend door de bazen, «op straffe van boete» (V. 6364); bij twee daarvan zijn «vroeger» wel haakstangen gebruikt, doch zij waren «gevaarlijk» (V. 2533) vooral bij hoog reiken (V. 1581); een ander meent dat de arbeiders er geen geduld genoeg voor hebben (V. 2445) of dat ze slechts door dwang te gebruiken zijn (V. 3548) ; een der fabrikanten beweert geen haakstang noodig te hebben, «want de riemen loopen bij hem niet van de schijf af» (V. 7904).

Slechts bij een achttal wordt — ter loops — de niet minder belangrijke vraag aangeroerd of de oplegging bij stilstand of bij beweging der schijven en assen plaats vindt; de meesten ant-

(1) Eén geneesheer (te Borne) haalt een ongeluk aan, als gevolg van het smeren bij een loopende machine, waardoor de patiënt vermoedelijk een stijve hand zal houden. (V. 8592.)

woorden in eerstbedoelden zin ; één slechts verklaart het opleggen bij beweging toe te laten wanneer de riem «onder» aan het weefgetouw afloopt (V. 7979).

Men ziet het, het zijn geen uitvoerige bijzonderheden, die de enquête op dit gebied aan den dag heeft gebracht; zelfs ten aanzien van de door de behandeling van drijfriemen veroorzaakte ongelukken zijn in den regel geen bepaalde vragen gedaan; behalve het bovenvermelde tweetal ongelukken, wordt enkel gewaagd van het bezeeren van een heup door oplegging van riemen in beweging (V. 6870), en van de verwonding door een riem, waarvan de arbeider herstelde (V. 9955); door een drietal fabrikanten wordt bepaaldelijk verklaard, dat door riemoplegging met de hand nimmer ongelukken hebben plaats gehad (V. 1581, 3759 en 10912).

Mag men nu uit de nagenoeg totale afwezigheid van ernstige ongelukken en uit de bijna eensluidende verklaringen der gehoorde getuigen, ook hier de conclusie trekken, dat het meeste, wat zoowel in de handboeken als in sommige modelfabrieken, als aanbevelenswaardig ten aanzien van riemenbehandeling wordt voorgesteld, in de praktijk verkeerd of overbodig is gebleken? Ik zou de laatste zijn om zulk een conclusie te onderschrijven; ook het nieuwe en goede moet veelal een leerschool doorloopen, alvorens het de plaats van het oude — feitelijk minder goede — kan innemen.

Iets anders is het evenwel, op het betere voorbeeld van hier en elders te wijzen, iets anders, met voorbijgaan van het — al is het ook onvolledig — licht, dat de enquête op dit gebied heeft ontstoken, tot het nieuwe te verplichten, waar het oude tot zoo weinig schromelijke gevolgen heeft aanleiding gegeven.

Tot de onderwerpen met het naast voorgaande in nauw verband staande, behoort mede de vraag, op welke wijze bij voorkomende ongelukken, de machines geheel of gedeeltelijk tot stilstand worden gébracht, en welke signaalinrichtingen voor het stopzetten of weder in den gang brengen van de verschillende toestellen worden toegepast. Jammer genoeg, heeft de commissie geen termen gevonden om haar onderzoek ook tot dit punt uit te strekken.

Evenmin zijn er ongevraagde mededeelingen door de getuigen in dit opzicht gedaan, met uitzondering van één, die verklaarde dat een electrische signaalinrichting voor het plotseling stopzetten van de machines voor elk locaal, in wording is. (V. 7901).

Een meer bijzondere aandacht is nog door de commissie geschonken aan de vraag of de droogtrommels bij de textielindustrie gebruikt, overal voldoende waarborgen aanbieden uit een oogpunt van veiligheid.

Bekend toch is het, dat onze wet op het gebruik van stoomtoestellen alleen sioomJcetels aan een voorafgaande beproeving en aan bepaalde voorschriften ten aanzien der vereischte veihgheidstoestellen onderwerpt; elke andere toestel waarin geen stoom wordt «voortgebracht», maar die niettemin aan een sterke stoomspanning onderhevig is, valt buiten dat voorafgaande onderzoek ; reeds menigmaal is op deze lancune in de wet gewezen en voorzeker niet te vergeefsch heeft ook deze enquête-commissie eenio-e °-egevens verzameld, die den aandrang tot wetsaanvulling zullen versterken. Zoo vinden wij melding gemaakt van het springen van een droogtrommel, vermoedelijk veroorzaakt door ongenoegzame oplettendheid op den maximumdruk welke door den manometer zou zijn aangewezen (V. 3293); door een anderen getuige wordt als betrouwbaar voorbehoedmiddel genoemd, de door hem bij den droogtrommel toegepaste stoomreductieklep, die met kwik werkt (V. 4815); de meeste getuigen op dit punt gehoord, verklaren, dat de spanning in den trommel door geen ander middel dan den manometer wordt aangewezen, doch dit middel dan ook voldoende kan geacht worden. (V. 2611, 3553 en 5887.)

Het springen van waterpeilglazen en een daardoor veroorzaakte brandwond, wordt slechts een enkel maal vermeld ; om herhaling te voorkomen, werd na het ongeval om het peilglas een «omhulling van mica» aangebracht, die onbeschadigd bleef toen het peilglas bij een volgende gelegenheid weder sprong. (V. 8696—8698.)

Een ander onderwerp dat bijna tegenover alle getuigen, annex aan de textielnijverheid, werd aangeroerd, en dientengevolge het verslag der Twentsche enquête — ook wegens de meerendeels bloedige gevolgen der veroorzaakte ongevallen — als een roode draad doorloopt, is dat der spoelvangers, zijnde de inrichtingen, I die ten doel hebben het uitvliegen der spoelen te beletten of de veelal schromelijke gevolgen van bet uitschieten te voorkomen.

Konden wij bij de tot nu behandelde onderwerpen het aantal