is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 5, 31-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

kundige, als het vertoeven aan het ziekbed voor den medicus.

Ik verbaas mij er over, dat juist de heer De Koning bij zijne vergelijking het teekenen niet beschouwt. Want ik ben zeker niet de eenige onder de Delftsche tijdgenooten, die zich nog herinnert, in welk ' een benijdenswaardig korten tijd de heer De Koning eene teekening af kon maken. En hij zal zeker zelf de laatste zijn om niet toe te geven, dat hij veel waterbouwkunde door dat «vele teekenen» heeft geleerd.

Daar nu de tijd, aan teekenen gewijd, op de verschillende polytechnische scholen zeker evengoed verschilt als het overige, is zijne beschouwing eenzijdig. Ook de verhouding tusschen theoretische (wiskundige) en technische vakken is niet juist. De practische oefeningen op wiskundig gebied strekken zich bij ons slechts uit tot de beschrijvende meetkunde; maar bestaan er in Duitschland niet ook voor analyse en analytische meetkunde «Uebungen im mathematischen Seminar»?

Ik druk daarom, zeker uit naam van vele lezers, den wensch uit, dat de heer De Koning zijne interessante vergelijking met het buitenland nog eens spoedig zal hervatten en ons een meer volledig beeld zal schenken van de geestelijke spijs, die den aanstaanden civiel-ingenieur te Delft en in Duitschland wordt voortgezet.

Deventer, 21 Jan. 1891. R. A. van Sandick.

Uit het Verslag van den Raad van Toezicht op de spoorwegdiensten over het jaar 1889.

In dit verslag, (uitgebracht aan den Minister van Waterstaat, H. en N.), dat als bijvoegsel tot de Ned. Staats-Ct. van 18 October 1890 is verschenen, wordt o. a. het volgende medegedeeld omtrent de Beperking van den spoorwegdienst op Zondag.

In 'sRaads jaarverslag van 1888 (*) werden de bezwaren medegedeeld tegen de beperking van den spoorwegdienst en het verkeer met treinen op Zondag; eensdeels voor het binnenlandsch reizigersverkeer, omdat feitelijk op een aantal plaatsen, voornamelijk in de groote steden, dit verkeer op Zondag veel belangrijker is dan gedurende de dagen der week; anderdeels voor het internationaal goederenverkeer, omdat alleen bij eene. internationale regeling, waarbij in Duitschland en België dezelfde denkbeelden tot uitvoering zouden kunnen komen, de verwezenlijking mogelijk zoude zijn.

Echter was met de besturen der Nederlandsche spoorwegmaatschappijen overeengekomen, dat eene proefneming voor het binnenlandsch verkeer zoude worden voorbereid. Door het hoofdbestuur der Posterijen zou daarom aan de spoorwegbesturen worden opgegeven welke treinen voor het postverkeer des Zondags kunnen worden gemist en daarna zouden de besturen der spoorwegmaatschappijen met elkander in overleg treden om nieuwe ontwerpen voor een beperkten Zondagsdienst samen te stellen. Deze wijze van voorbereiding was te meer noodig, omdat vooral de administratie der Posterijen bezwaar had geopperd tegen de aanvankelijke ontwerpen voor eene beperkte Zondagsdienstregeling, welke, op aandrang der Regeering voor den winterdienst 1888/89 opgemaakt, ter goedkeuring waren ingezonden.

Een nauwkeuriger onderzoek van dit vraagstuk leidde echter tot de slotsom, dat ook langs dezen weg eene bevredigende oplossing niet te vinden was ; en alle bedenkingen van algemeenen aard tegen de invoering van eene dergelijke regeling, door ons in het vorige jaarverslag aangevoerd, bleken door de uitkomsten van dit onderzoek te worden bevestigd.

Terwijl bij de eerste proeve de maatschappijen die treinen hadden geschrapt, welke de postdienst onmisbaar achtte, had op haar beurt de administratie der Posterijen, te rade gaande met de speciale belangen van haren dienst, de opheffing voorgesteld juist van die treinen, welke onmisbaar zijn voor het reizigersverkeer; bijna zonder uitzondering toch moeten voor den postdienst alle morgentreinen worden behouden, terwijl de avondtreinen meerendeels konden worden gemist. Het sterkst kwam dit uit bij de lijnen Utrecht—Boxtel, Nijmegen— 's Bosch en Nijmegen—Venlo, alwaar na 3 u. 30 m. 's namiddags geen enkele trein voor den postdienst behoefde te worden gehandhaafd, terwijl daarentegen op de lijnen Nijmegen—Venlo en Utrecht—Boxtel vóór '1 u. 30 m. 's namiddags geen enkele trein, voor het postvervoer aangewezen, kon worden opgeheven.

Dat aldus een dienst zou ontstaan, die onuitvoerbaar voor de Maatschappij zou worden, zonder dat zelfs het aanvankelijke doel van de beperking, het verschaffen van Zondagsrust aan het personeel, zou worden bereikt, springt in het oog ; daar een trein alleen voor de heenen terugreis kan worden opgeheven, en het allerminst uitvoerbaar is, juist des Zondagsavonds het reizigersverkeer te staken.

Dezelfde bezwaren werden ondervonden bij de opgaven, welke aan de overige spoorwegmaatschappijen door de postadministratie werden ingezonden. Zoo werd van sommige locale treinen op den Nederlandschen Rhijnspoorweg, die de Maatschappij bereid was op te heffen, door het bestuur der Posterijen het behoud verlangd. Bij de inrichting van den dienst dezer Maatschappij, welke eveneens eischt dat zooveel mogelijk treinen op de heen- en terugreis zullen uitvallen, om niet alleen het materieel maar ook het personeel buiten dienst te kunnen

(*) Zie blz. 50, jaargang 1890.

stellen, zouden de mogelijke beperkingen veeleer verzwaring dan verlichting in den dienst te weeg brengen. Wanneer toch zou uitvallen een trein in de eene richting, bijv. van Amsterdam naar Rotterdam, die volgens de gewone dienstregeling in zijn geheel met hetzelfde begeleidend personeel pleegt terug te keeren, doch daarentegen de trein in de tegenovergestelde richting moest behouden blijven, dus van Rotterdam naai' Amsterdam, dan zou daarvoor te Rotterdam gestationeerd personeel extra dienst moeten doen, waaraan het niet gewoon was. Het bezwaar hieraan verbonden zou grooter zijn dan het voordeel, behaald met het uitvallen van den trein in de eene richting ; want de dienst van het materieel en het personeel zoude gedesorganiseerd worden, en vooral dit laatste, dat men rust wenschte te verzekeren, in minder gunstigen toestand gebracht worden dan wanneer de gewone dienst gehandhaafd bleef: omdat het zoude gedwongen worden den rusttijd door te brengen buiten zijn woon- en standplaats.

Deze bezwaren bij de voorbereiding ondervonden waren oorzaak, dat een beperkte Zondagsdienst voor het reizigersverkeer in den winter van 1889/90 niet kon worden ingevoerd, en wanneer langs internationalen weg in dit opzicht geene wijziging zal kunnen worden aangebracht, zoodat het regel wordt, dat op Zondag overal in de aangrenzende Rijken het verkeer stil ligt of althans zooveel mogelijk wordt beperkt, vreezen wij, dat bezwaarlijk, bij het bestaan van zooveel tegenstrijdige belangen, eene oplossing voor het vraagstuk zal worden gevonden, waarbij die belangen niet te veel geschaad en tegelijkertijd het beoogde doel, verzekering' van Zondagsrust aan het spoorwegpersoneel, zal worden bereikt.

Wij mogen er ten slotte nog de aandacht op vestigen, dat ook in Zwitserland naar eene oplossing van het vraagstuk gezocht is en dat men daar ongeveer op gelijke bezwaren stuitende, er naar streeft tot eene bevredigende oplossing te geraken, door het personeel een grooter aantal rustdagen in het algemeen te verzekeren, waarvan een zeker aantal in het jaar op Zondagen, en dit niet door eene inkrimping van den dienst der treinen, maar door eene wijziging in de organisatie van den dienst, waarvan evenwel het gevolg zal zijn, dat het dienstpersoneel moet worden uitgebreid. Wij meenen dat ook hier te lande in die richting eene oplossing zal zijn te vinden; hetgeen echter alleen op volkomen bevredigende wijze zou kunnen geschieden, indien de exploitatie zoowel van de groote als van de. kleinere spoorwegen zal zijn overgegaan in handen van den Staat, of de spoorwegwet wordt aangevuld met een voorschrift, waarin deze verplichting aan de exploiteerende maatschappijen wordt opgelegd.

Gedeeltelijk zal echter reeds de Zondagsdienst kunnen worden ingekrompen door de invoering van de maatregelen, die thans zijn voorgesteld tot beperking van het ijl- en stukgoederenverkeer op Zondag en erkende Christelijke feestdagen. In ons vorig verslag werd er op gewezen dat daardoor eene tweeledige vereenvoudiging van den dienst op Zondag zou kunnen worden verkregen, namelijk de opheffing des Zondags van de binnenlandsche goederentreinen en vereenvoudiging van den stationsdienst, omdat die goederen dan niet meer ten vervoer zouden worden aangenomen, noch worden besteld aan de geadresseerden.

Ook over de verwezenlijking van dit denkbeeld werd overleg' gepleegd met de besturen der voornaamste spoorwegondernemingen. De meeningen bleken verdeeld. De Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen toonde zich voorstander van den maatregel, om het goederenverkeer op Zon- en feestdagen in zijnen geheelen omvang te staken, omdat het daardoor mogelijk zoude worden aan het administratieve personeel bij dezen dienst werkzaam, althans om de 14 dagen, een geheel vrijen Zondag te verzekeren. De Hollandsche IJzeren en Nederlandsche Rhijnspoorwegmaatschappijen echter bleken geen voorstanders van den maatregel te zijn, daar reeds thans deze dienst beperkt is, doch de vrijheid der besturen te zeer aan banden gelegd en de, belangen van den handel geschaad zouden worden door een stellig verbod. Reeds dadelijk toch zoude, naar het inzicht van een der besturen, eene uitzondering op den regel moeten worden gemaakt ten aanzien van goederen en waren, die spoedig aan bederf onderhevig zijn. De Raad achtte evenwel de gemaakte opmerkingen niet van overwegend belang en heeft gemeend aan Uwe Excellentie een voorstel te mogen doen, om zoowel in het nieuwe Algemeene Reglement voor de locaalspoorwegen, als in het bestaande Algemeene Reglement voor het vervoer op de hoofdspoorwegen, eenige bepalingen op te nemen, waardoor in het vervolg aanneming ten vervoer, verzending' en bestelling van ijl- en stukgoederen op Zon- en algemeen erkende Christelijke feestdagen zal zijn uitgesloten. Tegenover de bezwaren door de Maatschappijen nog tegen de invoering van dien maatregel aangevoerd, is de Raad van oordeel, dat zoodra de handel gewend zal zijn geraakt aan het denkbeeld, dat des Zondags noch vrachtgoederen, noch ijl- of stukgoederen zullen worden aangenomen, vervoerd of besteld, en deze regel geldt voor alle goederen zonder onderscheid, dus ook voor die, welke aan bederf onderhevig zijn, men zich in het dagelijksch verkeer naar dien regel zal leeren gedragen. Voor het verkeer met het buitenland bijvoorbeeld voor de verzending van visch van stations der Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij en van de oesterstations langs de Zeeuwsche lijn, zal, indien dit noodig blijkt, ontheffing kunnen worden verleend, ingevolge art. 79 van het Algemeen Reglement voor het vervoer, en op enkele uren de aanneming ten vervoer op Zon- en feestdagen kunnen worden toegestaan.

Geneeskundige hulp bij spoorwegongelukken.

Nadat de Staatscommissie,, benoemd bij Koninklijk besluit van 8 Maart 1888, haar rapport had uitgebracht over de herziening der middelen die tot het verleenen van hulp bij spoorwegongelukken aan gewonden