is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 5, 31-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

Weerkundige waarnemingen te Utrecht, 8 uur voormiddag.

Barometer- w. . Windkracht, Tempera- Gevallen

DATUM. stand in JÏSw volgens de tuur, graden I regen in

ml. ricnmng. w i sch j Celsins | mM.

23 Jan. 1891. 757.2 W.Z.W. 0 — 2 3

24 „ .. 754.2 Z.Z.W. 2 5 39 05 —

26 l l 767.2 Z.Z.W. 1 3 0

27 „ „ 764.6 Z.Z.W. 10 0

28 „ , 765.8 Z. 1 4 2

29 „ „ 765.9 Z. 1 4 3

Rivierberichten

Waterhoogten, in Meters -+- A P. 8 uur voormiddag.

r- j | i

Keulen. mirr,0 «Trl Wester- Maas-

1891. 7 uur Lobith. „J™e" t^T i voort. tricht : Venlo. Grave.

•sm. ! gen- nem' (zetfr.pl. (brug).

24 Jan. 36.47 11.54 8.55 8.56 9.08 42.30 10.22 6.16

25 „ 37.05 11.68 8.65 8.64 9.16 45.55 11.02 6.56

26 „ 38.26 14.03 9.67 9.65 10.24 45.00 15.61 8.57

27 , 39.73 15.45 10.78 9.46 10.08 44.90 15.60 9.25

28 „ 39.31 15.46 11.05 10.60 11.23 44.62 15.10 9.33

29 „ 39.00 15.57 11.07 10.80 12.85 44.58 14.50 9.69

30 „ 38.75 13.98 12.10 10.20 11.37 44.10 14.06 10.85

Keul. Lob. Nijm. Arnh. YfjS.6^?? teieht Venlo Grave ps bmg-

Nul der oude schaal. 35.85 13.91 6.22 6.95 — 7.37 42.20 — 4.85

Laagste stand bij open water te Keulen en te Maastricht, met daarmede overeenkomende standen. . . . 36.85 9.37 6.87 7.51 8.02 7.87 41.70 8.85 4.85

Standen overeenkomende met 1.50 M.

+ peil te Keulen . . 37.35 9.79 7.60 7.88 8.38 8.21 — — — Gem. zomerst. (1 Mei

tot 1 Nov.) 1881—90. 38.66 11.25 8.72 9.00 9.53 9.38 42.87 10.13 6.04

Merk III. (Verbod

van stoomvaart). . . 43.65 15.70 12.62 12.71 — — — — — Hoogste stand bij

open water 45.36 16.68 13.50 13.28 13.92 13.57 46.95 18.33 11.26

Men zie verder „De Ingenieur" 1891, No. 1.

I.Tsberichten. Waarnemingen van 's morgens ten 8 ure.

Wanneer geen nadere omschrijving gegeven is, wordt bedoeld: drijfijs over een kleiner of grooter gedeelte der rioierbreedte.

1891. 24 Jan. 25 Jan. 26 Jan. 27 Jan. 28 Jan. 29 Jan. 30 Jan.

Lobith . . . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast blankw.

Nijmegen . . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast eenig

St. Andries . ijs vast ijs vast .ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast to^

Maastricht. . blankw. 1/s blankw. — — — —

Venlo . . . ijs vast ijs vast VB blankw. — —

Grave . . . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast (l) ijs vast ijs vast blankw.

St. Andries . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast

Arnhem . . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast

Vreeswijk. . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast

Schoonhoven, ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast

Krimpen . . ijs vast ijs vast ijs vast ijs' vast ijs vast eenig eenig

Westervoort . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast beweging blankw.

Deventer , . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast jjs vast ijs vast eenig

Kampen . . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast

Gorinchem . ijs vast ijs vast jjs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast

Dordrecht. . ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast ijs vast Moerdijk . . vol vol 2/3 1/2 7s eenig eenig Hellevoetsluis blankw. vol vol vol vol 3/k 3/4 Bruinisse . . '/» 7« 'A eenig eenig eenig blankw.

Hoekv.Holland blankw. '/» blankw. — — eenig blankw.

Werking der Overlaten.

26 Januari. Oude Rijnmond werkt 8 u. v. met 10 cM.

27 • „ „ , 130 ,,

28 „ „ „ „ „ , 133 „

Beersche Maas werkt over de geheele lengte; Pegelbrug te Grave 9.68 M. + AP.

29 „ Oude Rijnmond werkt 8 u. v. met 145 cM.

Beersche Maas „ over de geheele lengte; Pegelbrug 9.80 M. + AP.

Bokhovensche Overlaat werkt sedert 5 u. v.; te 8 u. v. met 5 cM. over 15 M.

30 , Oude Rijnmond werkt 8 u. v. met 6 cM.

Beersche Maas „ „ „ 35 cM. over de geheele lengte; Pegelbrug 9.50 M. + AP.

Bokhovensche overlaat werkt 8 u. v. met gemidd. 20 cM. over 120 M.

BINNEN- EN BU1TENLANDSCHE BERICHTEN.

Op verzoek van den consul-generaal der Nederlanden te Antwerpen, gericht tot de Kamer van Koophandel te Rotterdam, om een rapport te mogen ontvangen omtrent de oorzaken waardoor de vaart op Rotterdam open gebleven is en die op Antwerpen niet, is op verzoek en door bemiddeling der genoemde Kamer het volgende stuk door den heer J. W. Welcker, ingenieur van den Rotterdamschen Waterweg, opgesteld, aan den consul-generaal toegezonden, en door dezen aan de Antwerpsche bladen medegedeeld.

Behalve vele redenen van localen en ondergeschikten aard, zijn er vier hoofdoorzaken, waarom het ijs de haven van Antwerpen moest sluiten bij zoo lange en strenge vorst, en die van Rotterdam moest open blijven.

lo. Ben blik op de kaart toont, dat Antwerpen ongeveer driemaal verder van zee ligt dan Rotterdam. Verder, dat de breedte van den Rotterdamschen Waterweg naar Zee belangrijk kleiner is dan die van de Schelde. De rivier de Maas te Rotterdam is ruim 300 M. en bij den mond aan den Hoek van Holland nog geen 700 M. breed. Vergelijk nu daarbij eens de Schelde, die vóór Vlissingen 4 kilometers, vóór Borssele zelfs circa 5 kilometers en boven Hansweert nog ongeveer 314 kilometer breed is, terwijl daarentegen de breedte te Antwerpen slechts weinig grooter is dan te Rotterdam.

Welk een ontzaglijk veel grooter oppervlakte waar ijs zich vormt, bevindt zich dus tusschen Antwerpen en de zee! Antwerpen ligt ten aanzien van den afstand tot den Scheldemond ongeveer als ten aanzien van den Maasmond het dorp Krimpen aan de Lek, waar het ijs reeds lang vastzit.

2o. Al het gevormde ijs, dat niet aan de kanten, op de banken en platen of in de hoeken en inhammen blijft zitten, moet ten slotte door de hoofdstroombaan, waarbinnen ook het eigenlijke vaarwater ligt, naar zee worden afgevoerd, omdat alleen daar geregeld en voldoende stroom gaat. Is nu die hoofdstroombaan regelmatig, dat is geregeld naar zee verwijdende, zonder banken of platen, dan zal ook de ijsafvoer regelmatig en onbelemmerd plaats hebben. Nu is aan die voorwaarden op den Rotterdamschen Waterweg bijna geheel voldaan, doch op de Schelde is de breedte der hoofdstroombaan zeer afwisselend. Daar zijn nauwere gedeelten ter weerszijden van zeer veel breedere, en veel van die nauwere gedeelten liggen met de uiteinden juist op of nabij sterke krommingen, waar het drijfijs zich toch reeds zoo licht vervangt en bezet, omdat het veel moeielijker van richting verandert dan het water.

Het is duidelijk, dat de ijsafvoer op den Rotterdamschen Waterweg dientengevolge niet alleen veel vollediger geschiedt dan op de Schelde, maar dat bovendien op deze laatste het jjs zich spoedig ophoopt op de niet aan krachtige stroomen blootgestelde ondiepten en platen, zoodat hier ijsvelden en ijsmassa's ontstaan, die bij vorst steeds aangroeien en de open hoofdstroomgeul nog meer vernauwen.

3o. De onder lo. beschreven toestand zal u hebben doen zien, dat zoowel de Schelde als de Maas een van zee af versmallenden wigvorm hebben, doch tevens hoeveel sterker de versmalling is bij de Schelde. Stel nu dat het ijs bij ebbe naar zee afdrijft, en stel u de vraag, wat op beide rivieren' zal gebeuren wanneer de vloed den mond intreedt en het af komende ijs terugdringt. Het is duidelijk dat het teruggedrongen ijs zich dan zal ophoopen en dicht opeen zal geschoven worden in het smalle boveneinde van de wig (dat is bij de Schelde op het Belgische gedeelte) en dat wel te meer, naarmate de wig in sterker mate versmalt, want des te minder bergruimte is dan op het bovendeel voor het terugkeerende ijs beschikbaar. Ditzelfde geschiedt echter niet alleen in het boveneinde der wig, maar ook lichtelijk op al die plaatsen waar, zooals ik onder 2o. beschreef, sterke vernauwingen in de hoofdstroombaan aanwezig zijn.

Voeg daarbij nu dat het verschil tusschen hoog en laag water te Vlissingen gewoonlijk 3.60 meter, te Bath zelfs ruim 4.40 meter en te Antwerpen nog ruim 4.30 meter bedraagt, terwijl het aan den Hoek van Holland slechts 1.70 meter en te Rotterdam slechts 1.30 meter is, dan kunt gij u voorstellen hoeveel krachtiger de getijstroomen op de Schelde zijn. en dus ook met hoeveel kracht het ijs, zoowel nabij de engten in de hoofdstroomgeul der Nederlandsche Schelde, als op het zoo nauwe gedeelte in België boven Bath, door den vloed teruggedrongen en daar in en op elkander geschoven en geperst moet worden. Bij strenge aanhoudende vorst moet dus de vaart op de Schelde onmogelijk worden, doch op den Rotterdamschen Waterweg niet.

4o. Eindeljjk de hoofdreden. Antwerpen ligt aan het boveneinde van een wijden inham, van een diep in het land dringenden zeeboezem, want feitelijk is de Schelde niet anders. Rotterdam ligt daarentegen aan eene

(1) Te 8.45 v. ijs los bii een stand van 9.80 M. + AP.