is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 7, 14-02-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64

mogelijk te maken, daar de ondervinding geleerd had, dat slechts een gering aantal percenten der reizen op de Hongaarsche Staatsspoorwegen over grooteren afstand dan van 200 kilometer plaats vond.

Zoowel bij de indiening van bovenstaande Nota, als bij eene volgende gelegenheid, gaf de Raad aan Uwe Excellentie als zijne meening te kennen, dat het Hongaarsche zónetarief, niettegenstaande de groote bezwaren aan de uitvoering verbonden, in de staat- en staathuishoudkundige toestanden van Hongarije geheel past en tot verdere ontwikkeling van dat land zal bijdragen ; maar dat, hoezeer ook voor Nederland verlaging der vrachtprijzen voor reizigers, volgens een rationeel ingericht zónetarief, wenschelijk is te achten, eene toepassing van het Hongaarsche stelsel, als minder in overeenstemming met de toestanden in ons land, geene aanbeveling verdient.

VEBGrADEEING

VAN

HET KONINKLIJK INSTITUUT

VAN

INGENIEURS,

gehouden in het gebouw „Diiigentia" te 's-Gravenhage op Dinsdag 10, Februari 1891.

De president, de heer J. F. W. Conbad, opent do vergadering, de eerste na het overlijden van den Koninklijken Beschermheer en Honorairen Voorzitter; hij herdenkt hoe in 1847, nadat het reglement van het Instituut van Ingenieurs was opgemaakt, dit aan Z. M. Willem II ter goedkeuring was aangeboden, te gelijk aan Diens Zoon, den toenmaligen Kroonprins, het Beschermheerschap van het nieuw-opgerichte Instituut werd opgedragen en door dezen welwillend aanvaard. Reeds dadelijk toonde de Kroonprins zijn Beschermheerschap met vollen ernst op te vatten, door den Raad van Bestuur te verzoeken zijne eerstvolgende vergaderingen te Zijnen paleize te houden. In een dezer vergaderingen deelde hij het aangename bericht mede dat het reglement door Zijn vader, Koning Willem II, was goedgekeurd en bovendien op Zijn verzoek aan het Instituut was toegestaan zich voortaan Koninklijk Instituut van Ingenieurs te noemen.

Bij verscheidene volgende vergaderingen, die alle ten paleize werden gehouden, wees de beschermheer er vooral op, dat het wenschelijk ware dat het Instituut werkzaam zou zijn tot bevordering van de sociale belangen van den arbeidenden stand. Hij gaf o. a. het denkbeeld aan de hand een maandblad op te richten, dat in verband met de verbeteringen van den nieuweren tijd den ambachtsman in kennis zou stellen met het gebruik der nieuwere nuttige gereedschappen. Eene commissie werd benoemd om deze zaak verder te onderzoeken en zoo mogelijk tot uitvoering te brengen.

Een andermaal nam de Kroonprins het initiatief tot het doen uitschrijven van een prijsvraag voor arbeiderswoningen. Hij zelf loofde daarvoor een groote gouden medaille als belooning uit en verzocht het bekroonde antwoord in het Tijdschrift op te nemen en in afzonderlijke exemplaren verder te verspreiden.

Ook nadat Hij als Koning was opgetreden, bleef Hij groot belang in het Kon. Instituut stellen en verklaarde zich gaarne bereid ook verder Beschermheer te blijven; nu die Beschermheer aan het Instituut kwam te ontvallen, voelde' de Raad van Bestuur zich dan ook gedrongen eene laatste hulde aan den ontslapen "Vorst te brengen door een krans bij zijn praalbed namens het Instituut neder te leggen.

Reeds als Kroonprins was Hij ook opgetreden als Beschermheer van de Kon. Academie te Delft; niet alleen dat hij daarbij met belangstelling den loop van het onderwijs gadesloeg, maar zelfs van tijd tot tijd trachtte hij den lust voor de studie bij minder ijverige leerlingen aar, te wakkeren. Nog langen tijd noemde Hij de studenten uit dien tijd «Zijne leerlingen." Hij zelf bezocht ook verscheidene colleges, vooral die van waterbouwkunde en van landmeten en waterpassen.

Verder herdacht de Voorzitter het groot aantal belangrijke openbare werken dat onder de Regeering van Koning Willem III was tot stand gebracht; ze alle op te noemen zou hem te ver voeren en slechts eene herhaling zijn van hetgeen reeds door voorgaande presidenten op verschillende feestvergaderingen van het Instituut was herinnerd. Alleen nog wilde hij er op wijzen, dat zelfs in den allerlaatsten tijd, toen er sprake van was om Scheveningen tot een haven te maken, Z. M. de Koning deze onderneming krachtdadig trachtte te steunen. In één woord, meende de Voorzitter, heeft het Kon. Instituut van Ingenieurs en de geheele ingenieurwereld door het overlijden van den Koninklijken Beschermheer een onherstelbaar verlies geleden.

Met enkele woorden werd ook den dood herdacht van de heeren Huydecoper van Maarsseveen. Goettsch en Kallenberg van den Bosch ; vooral aan den dood van den laatste, den jeugdigen ingenieur in de kracht van zijn leven uit zijne werkkring weggerukt, wijdde hij eenige waardeerende woorden.

Vóór het goedkeuren van de notulen erlangde de heer Piepers het woord om, naar aanleiding van het woord «reclame", dat hem was ontsnapt, bij het spreken over het al- of niet opnemen in de notulen van een door het lid A. Ph. Kaptein ingezonden verslag over de Westinghouse-rem, te verklaren dat hij hierbij niet de bedoeling had den heer Kaptein in het minst onaangenaam te zijn, integendeel achtte hij dit lid een van de voortreffelijkste en werkzaamste van het Instituut. Hij stelt dus voor het verkeerd gebezigde woord uit de notulen weg te laten.

Na mededeeling van een schrijven van rouwbeklag aan H. M. de Koningin-Weduwe, wegens het overlijden van Haren Gemaal, dat evenals het antwoord staande werd aangehoord, gaf de Voorzitter kennis dat het raadslid Huët het maken van een avant-project in zake de open verbinding van Amsterdam met de Noordzeeaanvaard had, en tevens had aangenomen de voor de te maken kosten vastgestelde som van f2500 niet te overschrijden.

Bij mededeeling van de verder ingekomen stukken werd te kennen gegeven, dat de verhandeling over holle plaatijzeren deuren voor wijde zeesluizen van het lid J. Strootman aan eene commissie van advies omtrent de plaatsing was overgegeven.

Thans werd het woord verleend aan het lid H. A. van IJsselsteyn, voor zijne voordracht over de tegenwoordige handelsbeweging van Rotterdam.

Spr. begon met er op te wijzen dat dit onderwerp meer een economisch dan een technisch karakter zou dragen, maar dat hij meende, met het oog op de algemeene strekking van het Instituut, hiervoor geene verontschuldiging te behoeven te vragen. Indien het hem mogelijk ware de leden in Rotterdamsche handelskringen te introduceeren, zouden zij bemerken dat niet allen zoo geheel met den tegenwoordigen toestand tevreden zijn. Terwijl het toch vroeger bij den handel een kwestie van guldens was geweest, is alles nu tot een kwestie van centen teruggebracht en wordt enorm veel van de energie van den koopmansstand gevorderd. Langen tijd stond Spr. stil bij den ommekeer, dien de handel in de twee laatste decenniën heeft ondervonden en waarmede de eischen, waaraan de tegenwoordige havens moeten voldoen, ten nauwste samenhangen. In de eerste helft dezer eeuw bestond de Nederlandsche handel toch voornamelijk in die van de koloniale produkten en werd door de beschermende differentiëele rechten in Indië voor de koopmansbelangen van ons vaderland zorg gedragen ; thans is die toestand geheel anders: de Indische havens zijn voor alle natiën opengesteld, waardoor vele der koloniale producten, die vroeger uitsluitend hunne stapelplaats in onze handelssteden vonden, geheel van de Nederlandsche markt zijn verdwenen.

Met een graphische voorstelling deed hij duidelijk uitkomen, dat b.v. de invoer van rietsuiker van een zeer hoog bedrag tot nihil was teruggebracht. Thans gaat al die suiker naar Londen, of direkt naar China en Australië. Nog grooter ommekeer dan de afschaffing der beschermende rechten werd teweeggebracht door de doorgraving van de landengte van Suez en de daarmede in verband staande oprichting van stoomvaartlijnen door alle natiën; ook de telegraten en spoorwegen maken het thans voor den kleinen handelaar veel gemakkelijker zich onmiddelijk, zonder tusschenpersoon met den producent in verbinding te stellen. Het direct gevolg van een en ander is, dat de stapel handel verdwijnt en voor transito-handel plaats maakt. Bij dezen handel nu komt, zooals Spr. in den aanvang zeide, het geheel op een berekening met centen aan. De handel zal die haven verkiezen, die hem in staat stelt de produkten op de goedkoopste wijze, al is het niet langs den kortsten weg, daarheen te brengen, waar zij ten slotte noodrg zijn.

In de eerste plaats wordt daarbij het oog gericht naar die havens, die gemakkelijk en steeds te genaken zijn en door goede waterwegen met het binnenland zijn verbonden.

De waterwegen worden, waar het kan, zoolang mogelijk gebruikt; het is toch een bekend feit dat de prijs van het vervoer te water ongeveer de helft is van dien langs de spoorwegen.

Hierdoor is het dan ook mogelijk, dat b.v. granen van de Zwar te Zee naar Zwitserland den veel langeren weg over Rotterdam nemen en het graan van Dantzig en Riga voor Zuid- en Middel-Duitschland bestemd niet naar Hamburg of Bremen, maar naar Rotterdam wordt verscheept. Het behoud en de uitbreiding van den transito-handel is dus voor onze havens van het grootste gewicht en kan indien men zijn best doen tot zegen van het vaderland strekken.

Spr. wees er vervolgens op dat in het algemeen drie waterwegen van de Noordzee naar Middel-Europa leiden: de Elbe, de Weser en de Rijn. De Elbe is bevaarbaar tot Maagdenburg en vandaar meer gebrekkig tot Meiszen; de Weser slechts tot Bremen, de Rijn daarentegen tot Straasburg en voor de gewone vaart tot Mannheim. Terwijl het gebied voor Hamburg dus voornamelijk tot het industrieele Saksen is beperkt en zich voor Bremen eigenlijk niet naar het binnenland te water uitstrekt, is Rotterdam door hare waterbinding met den Rijn als aangewezen tot de voorhaven van de Rijnprovinciën, van Baden en een groot gedeelte van Zuid-Duitschland. De handelsstatistieken toonen aan hoezeer deze Rijnvaart van jaar tot jaar zich uitbreidt eu hoe daarmede het draagvermogen der Rijnschepen gelijken tred houdt. In 1842 laadde het grootste Rijnschip 400 ton, terwijl dit thans tot zelfs 1300 ton is gestegen. Men ziet dus welk groot belang de uitdieping van de Waal en de verbetering van die rivier voor den Nederlandschen en vooral voor den Rotterdamschen handel heeft.

Is de waterverbinding met het binnenland van groot belang, haast nog meer is het die met de zee. Rotterdam kan zich dan ook gelukkig achten met haren uitstekenden waterweg, en zal hen die daarbij' werkzaam waren, steeds met dankbaarheid en in eere gedenken. De ideale toestand is echter ook daar nog niet bereikt te achten, voordat de ondiepte bij het Zuiden zal zijn weggenomen en het vaarwater aldaar eene meer rechte richting zal hebben verkregen.

Zao-en wij dus, ging de spr. voort, dat de waterwegen van af de zee en naar het binnenland een groote factor voor liet tot zich trekken van den transitohandel zijn, zoo is de mogelijkheid om retourvrachten te verkrijgen een tweede factor, die volstrekt niet uit het oog mag worden verloren ; een haven heeft des te meer kans om als transitohaven gebruikt te worden, naar mate zij in het bezit is van een grooten uit-