is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 13, 28-03-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

mum, want steeds moet meerder mest om den boom gelegd worden, opdat het papieren kind groeie en bloeie.

De bestuursleden L. E. Asser en A. Déking Dura wijzen er op, dat het belang van het weekblad steeds bij het Bestuur op den voorgrond staat en dat de daarvoor gedane uitgaven en verkregen inkomsten jaarlijks voorkomen op de «rekening en verantwoording", hetwelk door den heer Huet wordt beaamd, maar het zou meer in zijn geest zijn, wanneer deze als raming aan de goedkeuring van de vergadering werd onderworpen, opdat de leden verhooging van salaris en uitgaven voor het blad konden uitbreiden ; wanneer alleen de rekening en verantwoording door de vergadering wordt goedgekeurd, dan is men altijd après coup.

De Voorzitter deelde nog mede dat bij het gewijzigde contract met Gebr. Belinfante, aan de Vereeniging de vrijheid wordt verleend, om omtrent abonnementen op het Weekblad tegen verminderden prijs, overeenkomsten te sluiten met andere vereenigingen, voor diens leden en bloc.

Naar aanleiding van deze mededeeling en de toelichting tot de zoo even behandelde voorstellen van het Bestuur, waarbij de vraag was gerezen, of het niet mogelijk zou zijn van «De Ingenieur» te maken een gemeenschappelijk orgaan van de Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs en van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, waartoe reeds eenige onderhandelingen hadden plaats gehad, betuigde de heer A. C. Broekman zijn leedwezen over deze onderhandelingen, want steeds moet blijven blijken dat «De Ingenieur" is het blad van de Vereniging van Burgerlijke Ingenieurs.

De heer A. M. K. W. Baron van Ittersüm, mede oud-voorzitter van de Vereeniging, was van hetzelfde gevoelen en achtte het voor de Vereeniging noodlottig om met het Instituut van Ingenieurs in onderhandeling te treden, over het gemeenschappelijk maken van het Orgaan; in verhouding van het ledental stond onze Vereeniging bij het Instituut achter, maar op het oogenblik is de tijd nog niet gekomen of de taak der Vereeniging volbracht, die zij zich zelf in hare statuten heeft voorgeschreven.

De heer Huet meent, dat de gehouden besprekingen niet zijn onderhandelingen, maar slechts onderzoekingen en hij zou het zelfs wenschelijk achten, wanneer deze werden voortgezet ook bij andere vereenigingen, als bijv. de Maatschappij van Nijverheid, die pogingen in het werk stelt om tot de uitgave van een nieuw orgaan te komen.

De heeren Broekman en van Ittersüm bleven bij hunne meening, dat het gelukkig was dat deze onderhandelingen met den Raad van Bestuur van het Kon. Instituut van Ingenieurs, die aanvankelijk niet ongenegen was op deze zaak in te gaan, op fmancieële bezwaren waren afgestuit, want wellicht zou te spoedig blijken, dat de levensader der Vereeniging zou zijn afgesneden ; wij zijn thans zoo gelukkig een eigen orgaan te bezitten, hetwelk een schoone toekomst te gemoet gaat, laten wij op dat terrein blijven en aan anderen overlaten wat op hun gebied noodig is. Het Bestuur neme hierbij steeds de grootst mogelijke omzichtigheid in acht en raadplege eerst de leden.

Tijdens de discussiën over de contracten gaven de heeren Huet en Symons aan het Bestuur in overweging, om voortaan alle stukken, die door de Vereeniging worden uitgegeven op te nemen in het Weekblad; dat zou besparing van kosten geven (hetwelk echter door den heer Broekman werd betwijfeld) en slechts een twintigtal leden van de Vereeniging waren niet op het Weekblad geabonneerd, zoodat het ook geen overwegend bezwaar genoemd kon worden, wanneer dan aan dezen het desbetreffend nummer van het Weekblad werd gezonden.

Verschillende rapporten zijn reeds in het Weekblad in extensp opgenomen, de notulen konden best vervallen door eenige uitbreiding te geven aan de verslagen van de vergaderingen, die ook nu in het eerst verschijnend nummer van het Weekblad worden geleverd, zoodat de afzonderlijke boekjes van de Vereeniging konden vervallen; ook de convocatiebilletten konden worden afgeschaft en vervangen door eene oproeping in «De Ingenieur».

De Voorzitter merkt hierbij op, dat de verslagen van de vergadering in het Weekblad niet officieel zijn en ook moeilijk als notulen kunnen worden beschouwd, daar deze als zoodanig eerst door de volgende vergadering gearresteerd moeten worden.

De heer Van Ittersüm vreest, dat niet alle abonnés er op gesteld zijn, dat de uitgebreide notulen in het blad worden opgenomen; bovendien kunnen er besprekingen voorkomen, die «inter nos» behandeld moeten worden en verder is het gemakkelijker om iets van vorige jaren op te slaan, wanneer alle stukken in gelijk formaat worden gedrukt.

De heer Symons acht dit geen overwegend bezwaar; jaarlijks geeft «De Ingenieur» een klapper op zijn inhoud en buitenlandsche vereenigingen plaatsen ook alles wat hunne vereeniging betreft in hun orgaan.

De heer Déking Dura acht de korte verslagen voor de lezers van het Weekblad voldoende.

De heer Huet kan zich ook vereenigen met korte notulen, maar houdt het voor een abnormaal verschijnsel dat een Vereeniging een eigen orgaan heeft waarin bijna niets «georgaand» wordt, en stelt zich mitsdien voor, om voor de zomervergadering een desbetreffend voorstel schriftelijk in te dienen.

Aan het einde van de agenda genaderd, vraagt de Voorzitter of een der leden ook nog verdere voorstellen of mededeelingen te doen heeft, waarop de heer Van Ittersüm het verlangen te kennen geeft, de behandeling van de Algemeene Administratieve Voorschriften op de eerstkomende Zomervergadering aan de orde te stellen, of nog liever op eene buitengewone vergadering, want de rapporten zijn gedrukt en genoegzaam verspreid om eindelijk te worden vastgesteld ; het aanzien van de Vereeniging brengt dit mede en betere Algemeene Voor¬

schriften dan de thans geldende, vooral wat het administratieve gedeelte aangaat, zijn zeer noodig.

De Voorzitter die op de vorige vergadering van meening was, dat met de vaststelling gewacht kon worden totdat het rapport betreffende de Algemeene Technische Voorschriften van de commissie ontvangen was, gaf nu de toezegging het onderwerp alsdan aan de orde te steden, temeer daar het lid dier commissie, de heer Déking Dura mededeelde' dat waarschijnlijk in April de commissie bijeen zou komen om hare conclusie vast te stellen omtrent de wijze waarop in bestekken bepaald kan worden hoe de verzekering van werklieden behoort te geschieden.

In verband met de belangrijke onderwerpen, die hierdoor op de aanstaande Zomervergadering behandeld zullen worden, geeft de heer Huet aan het Bestuur in overweging dien dag geen excursie of uitstapje aan de vergadering te verbinden.

Op de Zomervergadering van verleden jaar werd medegedeeld, dat de commissie in zake het technisch onderwijs hare taak had aanvaard; de omstandigheid dat deze vergadering het voorrecht had een lid dier commissie in haar midden te zien, gaf den heer L. M. Barnet Lyon aanleiding eene mededeeling te doen, welke voor haar verslag wellicht van belang kon zijn.

Zooals bekend is, werd in September 1888 voor het eerst officieel aan de Polytechnische School een cursus in de Electro-Techniek geopend.

In September 1890 werd de hoogleeraar J. A. Snijders C.Jzn ontheven van het onderwijs in de toegepaste natuurkunde en dit opgedragen aan Dr. R. Sissingh. Dit was een stap in de goede richting, daar de genoemde hoogleeraar, thans ontlast van deze werkzaamheden' zich nu geheel kon wijden aan het onderwijs in de Electro-Techniek. ■ In den loop van datzelfde jaar werd in het Physisch Laboratorium der Universiteit te Leiden eene electrische inrichting tot stand gebracht, welke in alle opzichten flink kan genoemd worden en die beantwoordt aan het jongste standpunt der techniek.

Aan eene reeds bestaande stoommachine is een Siemens' dynamo van moderne constructie gekoppeld, welke normaal 70 ampères bij 75 volts leveren kan. Een passend stel weerstanden veroorlooft naar behoefte de spanning te dempen. Een hoofdschakeltafel, waarop alle leidingen uitmonden, voorzien van de noodige stroom- en spanningsmeters, automaat en stroomrichtingsaanwijzer voor de lading eener accumulatorenbatterij en voorts van een stel om- en uitschakelaars, benevens de vereischte veiligheidsverbindingen, veroorlooft hetzij direct van de dynamo stroom te leveren, eene accumulatorenbatterij van 31 cellen te laden of ten slotte, tijdens de lading dier batterij ook stroomlevering voor andere doeleinden te doen geschieden.

Bij stilstand der machine kan de zooeven genoemde accumulatorenbatterij, van circa 300 ampère-uren capaciteit, stroom leveren.

Een schakeltafel, waarop alle van en naar de accumulatoren gaande leidingen verzameld zijn en voorzien van een stel omschakelaars, veroorlooft verschillende groepeeringen der cellen, waardoor men in staat is stroomen te leveren van 30 a 100 ampères, bii spanningen van 52 a 12 volts.

In Delft waar nu sinds ruim twee jaar officieel een leerstoel voor de electro-techniek gevestigd is, ondergingen de hulpmiddelen voor dat onderwijs geen noemenswaardige uitbreiding. De geheele electrische installatie bestaat daar uit een gasmotor, waarover liever gezwegen, en een gramme-dynamo van niet zeer jeugdige constructie. Zijn sprekers herinneringen juist, dan zal de dynamo een 20-tal ampères kunnen geven hij circa 65 volts.

Ook de overige hulpmiddelen evenmin als de lokalen voor de practische onderzoekingen bestemd, kunnen geacht worden in overeenstemming te zijn met de behoeften en de belangrijkheid van het onderwijs.

De inrichting in het Physisch Laboratorium te Leiden vorderde eene uitgave van ongeveer 5000 a 6000 gulden en al is het te voorzien dat dit bedrag voor Delft zeker zou moeten worden overschreden, in de eerste plaats daar een stoomwerktuig ontbreekt en de ongeschiktheid van het gebouw de inrichting zeer zou bemoeilijken, toch mag aan de Polytechnische School niet ontbreken, hetgeen aan het onderwijs in de electro-techniek onschatbare diensten zou kunnen bewijzen.

Het rapport van de commissie van onderzoek voor wijzigingen in de wet op het middelbaar onderwijs was reeds bij het Bestuur ingekomen, zoodat het wellicht ook op de aanstaande Zomervergadering behandeld zal worden en met de mededeeling van den heer Lyon een onderwerp van uitvoerige discussie zal worden.

Niets meer aan de orde zijnde, sloot de Voorzitter ten 4 ure de vergadering.

Joh. Krap.

AANTEEKENINGEN UIT TECHNISCHE TIJDSCHRIFTEN,

GENTRALBLATT DER BAUVERWALTUNG, 1890. (Nos. 40-52). (Bewerkt door L. E. Asser.) Verwarming van stadgedeelten uit één centraalpunt.

Sedert een tiental jaren zijn vooral in Noord-Amerika vele proeven genomen om complexen van huizen en zelfs geheele gedeelten van steden van uit één centraalpunt te verwarmen. In den laatsten tijd heeft men niet alleen op afstand willen verwarmen, maar heeft men getracht tegelijk met de verwarming ook versche lucht hetzij verwarmd, hetzij afgekoeld, in de aangesloten perceelen te brengen.

Het valt niet te betwijfelen dat dergelijke inrichting vooral van groot nut kan zijn voor nauwgebouwde industrieele steden, waar meer dan