is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 20, 16-05-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17fi

Eene volkomen rationeele oplossing dezer vraag blijft wel is waar gewoonlijk uiterst moeielijk, om niet te zeggen onmogelijk en kan dus niet absoluut worden gegeven, doch zeker is, om met een ruimen blik de geheele zaak te kunnen overzien kennis van de hoofdbeginselen, ook van de commercieele exploitatie en daaronder behoort in de eerste plaats die van de beginselen van het tariefwezen onmisbaar voor den ingenieur. (1)

De vraagstukken, die zich bij het traceeren van spoorwegen voor kunnen doen, vereischen dan ook volgens v. Launhardt:

»In einem Grade, wie kaum eine andere technische Aufgabe eine umfassende Ueberlegung und klar abwagende Beurtheilung der vielseitigen wirthschaftlichen und technischen Rücksichten wobei die Rechnung nur als Werkzeug dient."

Wanneer eenmaal de richting is vastgesteld, het ontwerp en de begrooting van kosten gereed zijn, dan kan de ingenieur wat deze laatste betreft, niet altijd volstaan, door haar, zooals gebruikelijk is, te verhoogen met een zeker percentage voor «onvoorziene uitgaven» en «winst van den aannemer». Bovendien moet hij dan, wanneer zooals in den regel het geval zal wezen zijn naam moet dienen om vertrouwen van het publiek tot het verstrekken van het noodige kapitaal te vragen en vooral wann»pr hot hedriif ondei ziin leiding zal geschieden, een eindcijfer

— waarop het ten slotte aankomt — weten aan te geven, dat rekening houdt met de waarde van den inbreng der verleende concessie en met de kosten aan het verkrijgen van kapitaal verbonden, zoowel als met de samenstelling van het kapitaal zelf. En juist deze bijkomende kosten kunnen zoo licht aanleiding geven om eene overigens levensvatbare onderneming in den grond te bederven (2) en dikwijls een aanzienlijk bedrag uitmaken (3).

Om hier met de noodige zelfstandigheid te kunnen oordeelen en optreden, moet de ingenieur niet slechts bekend zijn met de wetten en reglementen, die den dienst en het gebruik der spoorwegen enz. beheerschen, doch moet hij tevens een open oog hebben voor de verschillende voorwaarden, die de waarde eener concessie bepalen, duur, naasting en vooral de bepalingen omtrent het tariefwezen. De wettelijke bepalingen omtrent naamlooze vennootschappen, de inrichting harer statuten mogen hem verder niet vreemd zijn, kortom met de regels, die zoowel het tot stand komen der onderneming als haar gebruik bepalen, moet hij vertrouwd zijn; zij kunnen zeker niet van minder gewicht voor hem geoordeeld worden dan de noodige technische bekwaamheden (4).

Evenzeer nu als de civiel-ingenieur, die bij den aanleg of het bedrijf eener particuliere onderneming eene verantwoordelijke

(1) Zie o.a. Theorie des Trassirens von W. v.-Launhardt in het opstel: «Nieuw licht over een oud vraagstuk",in «DeIngenieur» No. 11 jaarg. 1889 door schrijver dezes.

(2) Dans les années 1880 et 1881, les boursiers, et le public a leur suite, ont été attaqués par une véritable fièvrede tramways: on a fondé des Sociétés qui n'avaient guère raison d'être, comrne la suite Fa bien prouvé. Des concessionaires habiles ont su proflter de la situation pour se faire payer des primes, tout a fait en disproportion avec 1'importance des lignes projetées, dont ils marchandaient les concessions avec les Sociétés, et on a émis nombre d'actions bien au-dessous de leur valeur nominale.

Les Tramways dans les Pays-Bas par M. de honing. (Zie de aankondiging in het opstel «Nieuw licht over een oud vraagstuk» in «De Ingenieur» no. 11, jaarg. 1889, door schrijver dezes.

(3) Naar Engineering opgeeft bedroegen de voorloopige onkosten van het Manchester scheepvaart-kanaal — waarvan de uitvoering a forfait werd aangenomen door den bekenden aannemer Th. Wai.ter voor f 69.000,000 — om den tegenstand tegen het kanaalplan te breken en de zaak op het huidige standpunt te brengen, zonder dat nog eene spade in den grond werd gestoken, niet minder dan f 4,200,000.

«De Ingenieur» no. 35, jaarg. 1887.

(4) Ten opzichte van de Duitsche secondair-spoorwegen, wordt een voorbeeld aangetroffen van de samenwerking van technische, economische, financieele en wettelijke factoren in het boekje getiteld: Ueber Gründung von secundar-Bahnen von C. v. Brand, Regier. Baumeister en E. Schwarz, Ingenieur, waarvan de inhoudsopgave ten bewijze moge volgen:

Characterisirung der Secundarbahnen, Zweck u Nutze.n der sec. Bahnen, Bedingungen der Lebensfahigkeit, Vorfrage der Geldbeschaffung, Die ersten Schritte, um das Unternehmen in 's Leben zu rufen, bis zur Finanzirung, Die generellen Vorarbeiten, Rentabilitatsberechnung, Fmanzirung, Concessions-Ertheilung u. Bildung der Gesellschaft.

De bijlagen bevatten: Formular eines Statuts, Bestimmnngen flirdie Aufstellung der technischen Vorarbeiten, Gesetz über die Enteignung von Grundeigenthum, Die Anlage von Schutzstreifen in Waldungen betreffend, Bahnordming fur deutsche Eisenbahnen untergeordneter Bedeutung, Denkschrift betreffend die staatsseitige Förderung des Lokalbahnbaues durch Gewahrung von Erleichterungen in den sonst beEisenbahn-Dnternehmungen üblichen Anforderungen.

positie zal innemen, behoort ook de rijks-ingenieur, die in staat moet zijn om de Regeering advies te geven omtrent de voorwaarden, waarop zij voor de uitoefening van eenig bedrijf vergunning zal kunnen verleenen, volledig op de hoogte van deze en dergelijke aangelegenheden te zijn. Kan hij dit niet dan loopt hij óf gevaar om toch feitelijk eene verantwoordelijkheid te moeten dragen, die te zwaar voor hem is en dus te zijnen nadeele moet uitvallen öf hij zal als de Engelsche Lieutenant-General Sir Arthur Cotton R. O. S. I., eene autoriteit op het gebied der'openbare werken moeten handelen, van wien de hr. de Meijier, in zijne reeds vroeger aangehaalde «Schets van de ontwikkeling en het beheer der Openbare Werken in Br.-Indië» o. a. mededeelt, dat hij op de vraag eener enquête-commissie, hoe voor een uitgebreid plan van scheepvaart en irigatiewerken het geld moest gevonden worden, antwoordde:

»I should not raise it; I know nothing about fmances, I would not recommand anything I know nothing about; I am no financier, I am an engineer.»

Zeker een antwoord dat wat rondborstigheid betreft niets te wenschen overlaat, doch tevens van een standpunt getuigt, waarvan de hr. de Meyier terecht zegt:

»Dit gaat dunkt ons wel wat ver en wanneer de amDtenaren van een gouvernement zulk eene hooge positie bereikt hebben, mag het van hen een veelzijdiger opvatting vorderen,» waaraan ik nog slechts zoude willen toevoegen dat het mogelijk voldoende is om zich tegenover eene enquête-commissie van de vraag af te helpen, doch dit in de practijk wel eens niet het geval zoude kunnen zijn, terwijl het stellig niet kan strekken tot verhooging van de positie van den ingenieur.

De leemte waarop ik door bovenstaande beschouwingen de aandacht heb willen vestigen, betreft dus de beide schakels, die de werkkring en positie van den ingenieur noodzakelijk moeten verbinden, zoowel met de voorbereiding als met het bedrijf van zijn arbeid. Vooral zooals ik reeds opmerkte bij het laatstgenoemde is het, dat de algemeene belangstelling zich het levendigst openbaart, waar de invloed op de leiding van zaken zich doet gevoelen en waaraan de ingenieur, indien hij zich hierbij wil onthouden, dit slechts doen kan op gevaar af van eene eenzijdige opvatting zijner roeping en met de kans om, zooals v. Weber

het treilend uitdrukte, ais een «uiensu» uei zyue lc wuiuch gc.cb^, na voltooiing van de uitvoering, waardoor hem in den regel de gelegenheid tot verdere bekwaming tevens wordt ontnomen, om slechts voor enkele gelukkigen bewaard te blijven, die er natuurlijk steeds zullen.

Er blijven toch behalve de opleiding, nog t&i van andere belangrijke maatschappelijke factoren bestaan, die invloed op de toekomstige positie van den ingenieur hebben; daarmede kan hier uit den aard der zaak geene rekening worden gehouden. De toekomstige ingenieur behoort de wereld in te gaan met het vertrouwen, dat hij den maarschalkstaf zelf in den ransel draagt, en dat hem de beste kansen op welslagen geeft.

Wat ik wensch is slechts in dien strijd de kansen meer gelijk te maken en den strijd zelf zoo veel mogelijk met eerlijke wapens te doen voeren. ... j

Blijft de ingenieur zich nu uitsluitend op technisch standpunt plaatsen, dan moet dit evenzeer strekken tot benadeeling van het algemeen belang, als tot schade van zijn eigen positie, met slechts omdat zijn gezichtskring alsdan te beperkt blijft, doch tevens omdat het alsdan voor de hand ligt, dat van zijne adviezen minder gebruik zal gemaakt worden, dan bij zijne n^tviMirlfolino- Vipt ceval zoude ziin.

Een bewijs voor dit laatste wordt o.a. gevonden m de behandelino- der voorwaarden waarop de gemeente concessien voor electrische stroomleiding wenscht te verleenen in de gemeenteraadszitting van Amsterdam op 2 April 1890.

Door een der leden werd toen o. a. opgemerkt, dat hij de nj der edel-achtbaren langs gaande, niet een onder hen zag, die zich een electrotechnicus zoude durven noemen en dat hij in de vorige vergadering geschroomd zoude hebben om over deze zaak te spreken, omdat hij er evenmin als een der raadsleden toen iets van afwist. Op grond van deze en eenige andere beschouwingen, waarbij o. a. herinnerd werd aan het ver eenen der gasconcessie, waarover wel een deskundige geraadpleegd was, werd daarop de volgende motie door hem voorgesteld :

»De Gemeenteraad, van oordeel dat er, alvorens m zake de elec»triciteit eenig besluit mag genomen worden, een ernstig onderzoek »door deskundigen van Gemeentewege dient plaats te hebben, wenscht «vooralsnog niet over te gaan tot de behandeling der voordracht van »B en W sub no. 100 en gaat over tot de orde van den dag.« . Deze motie werd op verschillende gronden bestreden, voornamelijk omdat men meende dat bij het verleenen der concessie veel meer de financieele dan de. technische kwestie te pas kwam