is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 22, 30-05-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE INGENIEUR.

Orgaan

6e Jaargang.

193

1891. - JV2 22.

VEREENIGING VAN BURGERLIJKE INGENIEURS.

MUM EBWijfl aai de ttdoitt u ie etcouii van Opto Werken m Nireïeifl.

Prijs per Jaargang:

Franco per post.

Voor Nederland ƒ 8 —

Voor het Buitenland met vooruitbetaling ... - 10.50 Voor leden der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs

worden bovenstaande prijzen met ƒ 2.— verminderd. Men abonneert zich voor een jaargang. Over het bedrag der abonnementen in Nederland

■wordt halfjaarlijks door de Administratie beschikt. Afzonderlijke nummers 20 cents. — Bewijsnummers

10 cents.

Verschijnt eiken Zaterdag.

Abonnementen, stukken en mededeelingen, boeken brochures, enz. te richten aan de Redactie: Laan van Meerdervoort 7a, te 's-Gravenhage.

Advertentién uiterlijk Vrijdags 12 ure des voormiddags intezenden aan de Administratie: Gebb. Belinfante, voorn.: A. D. Schinkel, Paveljoensgracht No. 19, te 's-Gravenhage.

's-Gravenhage, 30 Mei.

Prijs fler Aïvertentiën:

Per regel ƒ 0.25

Groote letters naar plaatsruimte.

Abonnementen volgens afzonderlijke overeenkomst.

Bij eene eerste plaatsing van annonces voor Aanbestedingen ia de prijs per regel ƒ0.15; bij eene tweede en meerdere plaatsing van dezelfde annonce ƒ0.10.

Bij abonnement op Advertentién wordt het blad gratis toegezonden.

Verantw. waarnd. Redacteur: L. E. Asser, Civ.-Ing., 's-Gravenhage.

Inhoud.™

Indisch Watcrstaatspersoneel. — Uit het koloniaal verslag van 1890 betreffende Ned. Oost-Indie. — Weerkundige waarnemingen. — Rivierberichten. — Technische Tijdschriften: Opgave der belangrijkste artikelen. — Kleine Mededeelingen: Materiaal voor bmgconstructies; Parijs een Zeehaven op het tooneel — Binnen- en Buitenlandsche Berichten. — Benoemingen en verplaatsingen. — Open Betrekkingen.

Indisch Waterstaatspersoneel.

jCu ■jrffandachtijzc lezing van het belangrijke artikel van den heer ''Hn^Op R. A. I. Snethlage, getiteld «De opleiding onzer Indische ingenieurs», in «De Ingenieur» van 8 en 15 November s^^^® 1890, geeft mij aanleiding te wijzen op het gebrek aan behoorlijk practisch ontwikkeld ondergeschikt waterstaatspersoneel in N.-Indië, een gebrek dat de taak dier ingenieurs zooveel zwaarder maakt, en m. i. de wonde plek van den Indischen waterstaat is.

Vooraf enkele opmerkingen omtrent 's heeren Snethlage's artikel zelf, vooral:

4°. ter verklaring, waarom de opleiding van den Indischen ingenieur zoolang volkomen gelijk aan die van den Nederlandschen collega moest blijven, ja zelfs dit heden nog is; en

2°. ter vaststelling van het feit, dat reeds in 1878 het Departement van Koloniën, wat betreft zijne practische vorming, ten deele deed, hetgeen de heer S. thans wenschelijk acht.

Tot bewijs van de eerste dezer stellingen heb ik slechts op te merken, dat men eerst dan met vrucht ingenieurs voor den Indischen dienst kan opleiden, wanneer die dienst eenigen tijd bestaan heeft, en ons een geschiedenis begint te vertoonen.

Nu zal men mij wel tegenwerpen, dat in elk geval op waterstaatkundig gebied de toestanden in Italië, Zuid-Frankrijk en Spanje veel meer overeenkomst zullen hebben met de in Indië te verwachtene, dan de Nederlandsche toestanden, die aan het onderwijs op de Pol. School te Delft ten grondslag strekken, doch dit argument alleen is m. i. niet krachtig genoeg om tot verandering van de opleiding onzer Indische ingenieurs in dezen zin te mogen leiden, en ik acht het geen ramp, dat zoodanige verandering tot nu toe achterwege bleef.

Wat toch is het geval ?

Hoezeer ook thans irrigatiewerken, die Indische werken, waarvoor bovengenoemde landen tot voorbeeld kunnen strekken, bovenaan op het programma van den Indischen ingenieur beginnen te staan, en dit programma in de toekomst waarschijnlijk voor een goed deel zullen vullen, hoorde men twintig jaren geleden van die werken betrekkelijk weinig.

Slechts de vermaarde Lengkongwerken van den hoofd-ingenieur de Bruijn en enkele andere min beduidende zijn van veel ouder datum.

Voor het toen zoo kleine ingenieurskorps viel er op het punt van bruggen- en huizenbouw zoo ontzaglijk veel te doen, was het te bearbeiden veld zoo groot, dat aan bevloeiingswerken bijna niet kon worden gedacht.

Later werd dit langzamerhand beter, maar toch verliep er nog heel wat tijd, voor zich algemeen de overtuiging vestigde, dat voor opname en uitwerking van volledige irrigatieontwerpen

voldoend personeel zoo onmisbaar is, dat men zonder dit personeel zelfs in vele gevallen beter doet dergelijk werk niet aan te vangen.

Tien jaren geleden b.v. was het nog geen zeldzaamheid een jong ingenieur zonder ander personeel dan een ploeg koelies met een mandoer aan het hoofd met het ontwerpen van een irrigatieproject voor een streek, zoo groot als een halve Nederlandsche provincie, te zien belast.

Dat de taak van den Indischen ingenieur onder dergelijke omstandigheden niet gemakkelijk was, zal ieder lichtelijk inzien.

Hoe desniettemin door het toepassen van het in Delft geleerde op het zoo weinig bekende Indische bouwterrein, het zich indenken in de zoo geheel andere toestanden, langzamerhand typische werken van allerlei aard ontstonden, zij het niet altijd geheel ter navolging, in elk geval ter leering voor de opvolgers, wie onzer die het niet dankbaar erkent.

En wat wonder dat men onder zoo ongunstige omstandigheden vooral in het eerst den bal weieens missloeg, dat sommige werken verschillende gebreken vertoonden, niet altijd geheel aan het doel beantwoordden! Wie zal er den pioniers een verwijt van maken ?

Alle aanvang is moeilijk; waar moeilijker dan in een tropisch land, zonder hulpmiddelen, zonder waterstaatkundige geschiedenis ?

Die geschiedenis begint nu meer en meer te worden, is er een van den nieuwsten tijd, effent den weg voor den tegenwoordigen Indischen ingenieur, stelt hem in staat zijn voordeel te doen met de niet te vermijden fouten zijner voorgangers, doet hem daardoor met meer zekerheid op zijn doel afgaan, dan deze het vermochten.

En al zal men, overal waar gewerkt wordt, de kp.ns op fouten wel nimmer geheel kunnen ontloopen, die kans wordt in Indië dagelijks minder ongelijk aan die in andere landen, aan die in Nederland b.v., waar men reeds sinds eeuwen aan het bouwen is.

Doch, en hier raken wij een oude, naar het schijnt nog niet geheel verouderde dwaling van velen, Indië kan het, zooals de heer S. zeer terecht vooropzet, niet met een minder hoedanigheid van ingenieurs stellen dan meer beschaafde landen, dan Nederland b.v.

Het valt gemakkelijker op het bestaande voort te bouwen dan een geheel nieuwen dienst te scheppen. Zoo ergens, dan moet men in de tropen, waar het personeel tegenover de uitgestrektheid niet dan zeer klein kan zijn, door hoedanigheid trachten te vergoeden, wat er aan hoeveelheid hapert.

En dit geldt niet alleen voor den Indischen waterstaat, maar even goed voor welken anderen diensttak ook.

Het Indisch bestuur is in zoovele opzichten een personenkwestie, dat het onverantwoordelijk is, wanneer de staat zich niet ten koste van alles van de beste krachten verzekert, die de ambtenaarsmarkt maar aanbiedt. En thans tot ons onderwerp terugkeerende, behoeft het wel geen betoog, dat de typische irrigatiewerken, waarmede Indië langzamerhand verrijkt is, een geheel ander karakter hebben dan die van Boven-Italië of andere Europeesche landen.

Waar het régime der rivieren zoo hemelsbreed verschilt, waar wij hier met een tot in overoude tijden bebouwd land van hooge

De Vereeniging; m Burgerlijk Ingenieurs stelt zien in geenen deele veranrwoordelilK voor ie denKteelden in de onderscheidene Bijdragen ontwiffield oi toegeiicM,