is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 40, 03-10-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

364

Wellicht zijn wij in eene pessimistische stemming. Maar, wij vragen in gemoede: welke waarde zal een grondwaterkaart hebben, samengesteld tengevolge van eene boring hier, eene stroomsnelheidsbepaling daar, temperatuur- en peilschaalaflezingen ginds, gedaan, in vele gevallen, door menschen, wier goede wil grooter is dan hunne bekwaamheid, wier waarnemingen aangedaan zijn met persoonlijke fouten, onbekend van grootte, niet te controleeren, zonder limiet. Wij zien in die wijze van werken geen heil — zelfs niet voor de Graafschap Zutphen. De heer "Veeren is daar goed bekend. Men krijgt uit zijn opstel wel eens den indruk, alsof hij uitsluitend over dit, wel belangrijk, maar toch slechts klein hoekje van ons vaderland spreekt. De toestand daar heeft, inderdaad, overeenkomst met dien van sommige streken van Duitschland, en het bekende werk van Dr. I. Soyka, «.Die Schwankungen des GrundwassersT), dat den grondslag vormt van zijne beschouwingen in hoofdstuk VII, kan er als leiddraad dienen. Men vergunne ons echter er den heer Veeren op te wijzen, dat hij, van Nederland sprekende, het geheele polderland, dus meer dan de helft, over het hoofd ziet. Want, als hij zegt, dat de verhouding tusschen regenval en verdamping bijna niets te maken heeft met den grondwaterstand, dan heeft dit toch zeker geen betrekking op het polderland. De cijfers voor verdamping en regenval beheerschen daar geheel en al den stand van het grondwater. Wat lezen wij in Beekman's «Strijd om het Bestaan» (pag. 101)?: «Van eene eigenlijke beweging van het grondwater is in 't polderland geen sprake. Men heeft hier altijd uitsluitend te doen met water, dat op de polders zelve neervalt, nooit met water dat toestroomt, behalve kwelwater. Locale regens, locale verdamping beheerschen den toestand. In 't polderland is het, door vorm en ligging, onmogelijk, dat het water wegvloeit naar andere plaatsen. Het grootste gedeelte van het in den polder neergevallen water zakt tot op het grondwater" (pag. 104). En op pag. 106 lezen wij, dat het peil in de polderslooten ongeveer overeenkomt met het peil van het grondwater.

Men vergeve ons deze citaten uit een bekend standaardwerk: er blijkt met groote duidelijkheid uit, dat men in 't polderland wel degelijk ook van grondwater spreekt, even goed als in den Gelderschen Achterhoek. Maar hoezeer verschillen dan de watertoestanden van half Nederland met die, welke de heer Veeren schetst!

Eene bepaalde onjuistheid treffen wij aan, waar de heer Veeren de voeding bespreekt van de Groenlosche en Aaltensche Slinge door middel van het grondwater. Hij beschouwt een riviergedeelte gelegen tusschen twee stuwen. »Onmiddellijk beneden een stuw ligt het bed bijna droog, doch boven een ruim 1 K.M. stroomafwaarts geplaatste stuw, is weder een aanzienlijke watermassa verzameld." Wij willen het gaarne gelooven —; maar dat hier »zeer duidelijk uit blijkt, dat de Slinge door grondwater wordt gevoed", wil er bij ons niet in.

Wij zijn somber gestemd, als wij denken aan de vertrouwbaarheid van de aanstaande grondwaterkaart.

De groote verdienste van den heer Veeren is echter, zonder twijfel, dat hij, voor zoover ons bekend is, de eerste is geweest, die, in Nederland, er op gewezen heeft van hoeveel belang, ook uit een wetenschappelijk oogpunt, de kennis is van de grootheden, waarvan het grondwater afhangt. In dat opzicht kan zijn opstel veel nut stichten. Behartigingswaardige wenken vinden wij vooral in hoofdstuk VI »Het onderlinge verband tusschen grond- en rivierwaterstanden". Wij zijn overtuigd, dat, door het lezen van zijn opstel, menig bouwkundige, menig ingenieur er toe zal komen, in zijn practijk gegevens te verzamelen. Het is een nagenoeg onontgonnen veld en velen zijn in de gelegenheid bouwstoffen aan te brengen. Deze zullen dan, uit den aard deizaak, zich tot een klein, uiterst klein terreintje bepalen. Laat men echter niet te spoedig katanhydroisohypsen en dergelijke schoonklinkende lijnen aanbrengen over uitgestrekte terreinen, waar men slechts hier en daar eenige hoogtecijfers heeft. De stroomkaart van Nederland toch, zou dan eenige overeenkomst krijgen met de beroemde kaarten van Whewell, waarop de voortplanting der vloedgolven over den Oceaan, door lijnen zijn voorgesteld (isorachiën) van gelijke golfphase. Men vindt deze kaarten in eiken atlas; men is echter thans algemeen tot de overtuiging gekomen dat, daar zij slechts op waarnemingen aan de kusten berusten, hun verloop over den wijden Oceaan zuivere phantasie is.

Daarom, vooreerst nog geen stroomkaart van onderaardsch Nederland !

Deventer, Sept. 1891. R. A. van Sandick.

Bruges—Port de Mer.

De »Moniteur Beige" het Belgische Staatsblad, van 20 Sept. jl., bevat de bepalingen van een openbaren wedstrijd voor den aanleg van een zeehaven te Brugge, via Heyst.

Het is de gemengde Commissie, ingesteld door den Minister van Landbouw, Nijverheid en Openbare werken, den heer L. de Brüijn, die het lang besproken vraagstuk «Bruges—Port de Mer» tot eene oplossing tracht te brengen door de werken voor den aanleg der haven, haar onderhoud en haar exploitatie uit te besteden en wel in den vorm van eene concessie voor den tijd van 75 jaren, met recht van tolheffing.

Het programma, door den Minister op 28 Aug. jl. goedgekeurd, omvat het volgende:

I. Een haven te Brugge, gelegen nabij het tegenwoordige bassin en onmiddellijk aan de overzijde van het kanaal van Brugge naar Ostende. Deze haven moet met kaaien, losplaatsen, loodsen en pakhuizen, sporen en wegen, kranen en droogdokken worden voorzien, ingericht voor eene minimum maritieme goederenbeweging van een millioen ton gewicht per jaar. De inrichtingen moeten voor uitbreiding vatbaar zijn.

II. Een zeekanaal van minstens 8 M. diepte, gevoed door het water der zee, dat Brugge zoo direct mogelijk verbindt met de voorhaven te Heyst; het peil moet zijn 3.50 M. + de nul van Ostende.

III. De aanleg van een voorhaven te Heyst, bij eiken tijstand geschikt voor schepen van 8 M. diepgang. Deze voorhaven moet 1000 M. kaai bevatten, waar de schepen direct kunnen aanleggen, en de noodige terreinen en hulpmiddelen voor den dienst der stoom- en andere schepen. De bovenslagdrempel van de groote zeesluis moet minstens 9 M. liggen onder kanaalpeil. De afmetingen der zeesluizen moeten in verband staan met de afmetingen van het kanaal en de behoeften der scheepvaart.

IV. De omlegging der bestaande verbindings- en afvoerwegen, waar zij den nieuwen zeeweg ontmoeten (syphons onder het kanaal worden niet toegelaten), de verbinding van dezen met het kanaal van Brugge naar Ostende door een sluis, in overeenstemming met de tegenwoordige afmetingen van dit laatste kanaal. Eindelijk, de verplaatsing te Brugge van den spoorweg van Brugge naai' Blankenberghe en de verbinding van de maritieme inrichtingen met de stad Brugge.

V. De kosten van onderhoud, exploitatie en personeel voor den nieuwen zeeweg.

De concessionaris moet de plaatsen aanwijzen, waar hij den te ontgraven grond wil storten, dien hij naar zee wil vervoeren. Deze stortingen moeten gedaan worden minstens voorbij de vaargeul van Wielingen.

VI. De concessionaris moet, zonder schadeloosstelling of speciaal tarief, den aanleg gedoogen van eike vertakking die uitmonden zal in het kanaal tusschen de zeesluizen en Brugge.

VII. De duur der concessie zal niet langer zijn dan 75 jaren.

De aanvraag om concessie moet vergezeld zijn van 1°. een beschrijvende memorie over de aan te leggen werken met opgaaf van de verschillende afmetingen; 2°. een gedetailleerde begrooting; 3°. een tarief van rechten en tolheffingen en een beredeneerde uiteenzetting van de vermoedelijke inkomsten. De concessionaris zal het bedrag aangeven van de jaarlijksche som, die gedurende 25 jaren na de oplevering der werken, zal betaald moeten worden, om event. met de rechten en tolheffingen, den financieelen dienst der onderneming te verzekeren ; 4°. een volledig ontwerp-bestek; 5°. een algemeen plan op de schaal van 1 : 20,000; 6°. lengte- en dwarsprofielen ; 7°. detailplannen van de aan te leggen werken.

De inschrijvingen moeten vergezeld gaan van een bewijs van storting van een voorloopige waarborgsom van 400,000 francs. Deze waarborgsom zal bij de goedkeuring der inschrijving worden verhoogd tot 500,000 francs, en terugbetaald worden zoodra de verkregen terreinen en uitgevoerde werken een waarde van 1,000,000 francs vertegenwoordigen.

Binnen 6 maanden na den door den Minister vast te stellen dag moeten de projecten van de aanbesteede onderneming in triplo aan de gemengde Commissie worden gezonden. De inschrijvers blijven gedurende 8 maanden, na den einddag voor de inlevering der stukken vastgesteld, gebonden aan hunne inschrijvingen.

De wedstrijd heeft plaats volgens twee verschillende onderstellingen.

Volgens de eerste omvat de onderneming alle hierboven genoemde verplichtingen ; volgens de tweede omvat zij daarenboven de oprichting van regelmatige stoomvaartlijnen, onder Belgische vlag, met een tonneninhoud van 12,000 Moorsom-tonnen, onmiddellijk na het begin der exploitatie. De inrichtingen voor de schepen, vreemd aan de Maatschappij moeten zoowel te Heyst als te Brugge minstens gelijk zijn aan die, voor de Maatschappij gereserveerd. Bij de tweede onderstelling moet de inschrijver de verbindings- en aanlegplaatsen, het aantal jaarreizen, en de vaarsnelheid opgeven en tevens verzekeren, dat de schepen die in dienst zullen worden gesteld, uit een algemeen exploitatieoogpunt nooit onder zullen doen voor die van andere maatschappijen, die dezelfde lijnen bedienen.

De inschrijvingen, op zegel en volgens model, worden ingewacht vóór

28 Maart 1892 aan het Secretariaat van de gemengde Commissie

(Kabinet van den Minister), rue de la Loi 10a te Brussel. De openbare

opening der inschrijvingsbiljetten zal geschieden op 31 Maait 1892.

# * #

Met dezen wedstrijd is het vraagstuk «Bruges—Port de Mer» eene nieuwe phase ingetreden. En 't is hier de plaats omtrent deze zaak, die thans gedurende een 14-tal jaren vooral te Brugge de gemoederen