is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 44, 31-10-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

409

De secretaris, de heer Westeeouen van Meeteren, had gedurende zijn verblijf te Bern aan het internationale bureau der Union povr la protection de la propriêté industrielle en aan het Eidgenossenschaftliche Amt für geistigen Eigenthum eenige inlichtingen gevraagd omtrent het aantal octrooien dat door Nederlanders in den vreemde was genomen en bevonden dat dit voor Duitschland, Zwitserland en Engeland over de jaren 1889 en 1890 een gezamenlijk bedrag van 117 was. Rekent men nu dat dit getal over België, Frankrijk, Oostenrijk— Hongarije en Noord-Amerika te zamen geteld niet minder zal zijn, dan zouden door Nederlanders in het buitenland per jaar ruim 100 octrooien genomen worden, zoodat men niet behoeft te vragen hoevelen zulks in eigen land gedaan zouden hebben.

Hierna gaf spreker een kort overzicht van de organisatie en de werking van het Zwitsersche octrooi-stelsel, dat hem allereenvoudigst, uiterst doelmatig en weinig kostbaar was voorgekomen, en eindigde hij met de herinnering dat de nieuwe Duitsche octrooiwet 1 October jl. in werking getreden was.

De heeren Huet, Westerouen van Meeteren, Middelberg en Struve werden als bestuursleden herkozen. In de plaats van mr. Schimmel werd gekozen de heer Nellensteijn.

Openhouding van het Noordzee-kanaal bij vorst.

In de zomervergadering der Provinciale Staten van Noord-Holland werd door de vergadering in handen van Gedeputeerde Staten om advies gesteld het adres van de "Vereeniging van algemeene scheepvaartbelangen te Amsterdam, waarbij verzocht werd om een jaarlijksche subsidie, ten einde de hulpmiddelen te kunnen aanwenden, die volgens ondervinding krachtig genoeg zijn om in het vervolg des winters de ongestoorde vaart op bet Noordzeekanaal te waarborgen. De Vereeniging schatte de onkosten bij 40 dagen vorst in strenge winters op f64,225, waarvan f 60,000 als subsidie werden gevraagd van Rijk, Provincie en de gemeente Amsterdam, f 1770 zou uit de rente van het reservefonds en f 2445 door bijdragen van belanghebbenden worden gevonden. De Ged. Staten achten de raming te hoog, en de bijdragen van belanghebbenden in verhouding tot de gevraagde subsidiën te laag. Ook kan het benoodigde kapitaal, waarvan rente en aflossing door subsidiën gedekt zijn, tegen geringer rente dan van 4°/0 worden verkregen.

Ged. Staten verdeelen de uitgaven in twee deelen : het eerste omvat de kosten voortvloeiende uit de aanschaffing van het noodige materieel, alsmede de vaste kosten van beheer; het andere omvat de wisselvallige exploitatiekosten. Deze moeten volgens het oordeel der Ged. Staten geheel voor rekening komen der rechtstreeks belanghebbenden. De vaste jaarlijksche kosten, die ook betaald moeten worden wanneer er weinig gebruik wordt gemaakt van de ijsopruimingsmiddelen, dienen geheel te worden gedekt door subsidiën. Dit doel kan worden bereikt door een totaal bedrag aan subsidiën van f 36,000. Ged. Staten zijn met de Regeering en het Amsterdamsche gemeentebestuur in overleg getreden, en stellen thans aan de Provinciale Staten voor genoemde Vereeniging eene jaarlijksche subsidie te verleenen van f 12,000, gedurende den voor de amortisatie bepaalden tijd van 28 jaren, onder de voorwaarden dat:

1°. ten minste gelijke bijdrage èn door het Rijk èn door de gemeente Amsterdam worde verstrekt, en

2°. ten genoege van Ged. Staten blijke van de aanwezigheid van het voor de onderneming benoodigde kapitaal en van de aanwending van alle middelen die noodig zijn, om het Noordzeekanaal bij vorst bevaarbaar te houden.

Ged. Staten deelen voorts mede, dat de Minister van Waterstaat, H. en N. zich bereid verklaard heeft het verleenen van eene gelijke bijdrage, ingaande met 1892, te bevorderen, wanneer ook Amsterdam daartoe overgaat en het benoodigde kapitaal, begroot op f400,000, aanwezig zij, terwijl de ondernemers den Minister op nader aan te schrijven wijze in de gelegenheid zullen moeten stellen, zich te kunnen overtuigen, dat voortdurend al het noodige wordt gedaan om het beoogde doel te bereiken.

De Kamer van Koophandel te Amsterdam besloot te dezer zake, op voorstel van den heer Aug. Hendrichs, zich tot de Regeering, het Provinciaal bestuur en het gemeentebestuur van Amsterdam te wenden met verzoek de door de Vereeniging gevraagde subsidiën toe te staan.

Eenheid in den spoorwegtijd.

De invoering van den «zönentijd» (zie jg. 1890, blz. 286 en 358) maakt vorderingen bij de spoorwegen.

De «Verein Deutscher Eisenbahn-Verwaltungen» besloot op voorstel van de directie der Hongaarsche Staatsspoorwegen, hem in te voeren met ingang van den zomerdienst van 1891, maar voorloopig voor den inwendigen spoorwegdienst.

Dit besluit werd, wat de Oostenrijksche spoorwegen betreft, door den Oostenrijkschen Handelsminister goedgekeurd, en de invoering vastgesteld op 1 Oct. 1891. De Minister bepaalde evenwel, dat de invoering in Oostenrijk zoowel zou gelden voor den uitwendigen als voor den inwendigen spoorwegdienst, m. a. w. dat de zönentijd ook zou worden gebezigd in de voor het publiek bestemde dienstregelingen, en wel omdat bij de Oostenrijksche spoorwegmaatschappijen in tegenstelling van die in Duitschland een verschil in tijdsbepaling voor den uitwendigen en inwendigen dienst van het spoorwegverkeer niet bestaat. De Nederlandsche spoorwegen (Staatsspoorwegen, Hollandsche IJzeren Spoorweg en Noord-Brabantsch-Duitsche Spoorweg) zullen ingevolge besluit van den Minister van Waterstaat. H. en N., de eenheid in den

spoorwegtijd eerst kunnen invoeren met 1 Mei of 1 Juni 1892, dat is met den aanvang der zomerdienstregeling van 1892. Eveneens is de Groote Belgische Centraalspoorweg door de Nederlandsche Regeering gemachtigd op hare op Nederlandsch grondgebied gelegen lijnen met 1 Mei of Juni 1892 den zönentijd in te voeren. Ook hier geldt het. evenals in Duitschland, slechts den inwendigen dienst der spoorwegen. De tijd voor de Duitsche, Oostenrijksche en Hongaarsche spoorwegen is geregeld naar den löden meridiaan ten oosten van Greenwicb, en verschilt dus een vol uur met den tijd van Greenwich, welke voor Engeland geldt en ook voor Nederland, België enz. zal worden aangenomen.

Vereeniging voor Kadaster en Landmeetkunde.

Op den 21sten Oct. jl. hield bovengenoemde Vereeniging hare gewone jaarlijksche vergadering te Groningen. De voorzitter, de heer J. T. Hessels, vestigde de aandacht der leden op eene brochure, in den aanvang van dit jaar uitgegeven door den Vermessungs-Kontroleur Rodenbusch, waarin het nieuwe kadaster van Elzas-Lotharingen behandeld wordt, en deelde voorts mede dat, naar aanleiding van de voorgenomen vernieuwing van het kadaster in Frankrijk, het bestuur zich had gewend tot ons gezantschap te Parijs met de vraag: of de Fransche republiek wellicht buitengewoon personeel zou behoeven.

Bij het kadaster hier te lande zijn de vooruitzichten op bevordering slecht, zoodat men mag aannemen, dat vooral onder de jongere ambtenaren menigeen bereid zal zijn om bij verbetering van positie in vreemden dienst over te gaan.

Het antwoord luidde intusschen ontmoedigend : de Fransche regeering heeft geen plan vreemdelingen als ambtenaren bij het kadaster aan te stellen.

Het voorloopig verslag over het wetsontwerp tot regeling van den diensttijd van ambtenaren bij den stenographischen dienst voor de berekening van hun pensioen, deed het bestuur besluiten, ten einde zoo mogelijk ook voor de ambtenaren van het kadaster gunstige uitzonderingsbepalingen te verkrijgen, op audiëntie te gaan bij den Minister van Financiën.

Deze bleek tot gelijktijdige behandeling niet bereid, doch verklaarde, dat later op deze aangelegenheid kon worden teruggekomen.

Na deze mededeelingen hadden de beraadslagingen plaats over het verslag der commissie van praeadvies in zake de opleiding tot landmeter van het kadaster en werd besloten zich te vereenigen met dit advies, te volharden bij de wenschen neergelegd in de stellingen, welke in de vergadering van 20 Aug. 1888 te Utrecht met algemeene stemmen zijn aangenomen — Tijdschrift voor Kadaster en Landmeetkunde 1888, afl. 4, blz. 81 en 173 — en bij de regeering aan te dringen op de instelling eener Staatscommissie, om het kadastrale vraagstuk te onderzoeken en op te lossen.

De voorzitter, die volgens het reglement moest aftreden en niet herkiesbaar was, werd vervangen door den heer E. Barenbroek, ingenieur-verificateur van het kadaster te Amsterdam en ten slotte werd laatstgenoemde stad voor de in 1892 te houden algemeene vergadering aangewezen.

In zake het voorstel van Burg. en Weths. van 's-Gravenhage betreffende de vaartverbetering aldaar, dat door dat college in de zitting van den gemeenteraad op 27 Oct. jl. ter behandeling was gesteld, werd dcor dezen laatsten besloten, de behandeling minstens 14 dagen uit te stellen, en de bepaling van den dag der beraadslaging verder aan Burg. en Weths. over te laten.

De quaestie van den schouwburg (plan Mutters) werd eveneens 14 dagen uitgesteld. De verplaatsing van den asch-staal te Scheveningen naar een plaats in de Westduinen, werd aangenomen.

Den 29sten Oct. jl. is op nieuw een gedeelte van het Merwedekanaal nam. de Groote Rijksschutsluis te Vreeswijk, de haven aan de Lek aldaar en het Verbindingskanaal van de sluis met den Vaartschen Rijn voor de scheepvaart geopend geworden.

Tot nadere aankondiging zal met de sluis geschut worden van zonsopgang tot zonsondergang.

Èet schutten wordt gestaakt zoolang het water in de rivier de Lek, aan de sluis, gelijk of hooger staat dan 4.95 M. + A. P.

De gemeenteraad van Zwolle heeft in zijn zitting van 27 Oct. jl. met groote meerderheid besloten tot het aanleggen van eene waterleiding met eene prise d'eau in de Heerdesche heide, volgens de plannen van den ingenieur Schotel te Rotterdam.

Burg. en Weths. hadden voorgesteld om het water uit den IJssel te ontleenen.

Op verzoek van de werkliedenvereeniging «Patrimonium» wordt door het Centraal Comité van Antirevolutionaire Kiesvereenigingen den 9den, lOden, llden en 12den November een Sociaal congres gehouden te Amsterdam.

Het congres is toegankelijk voor ieder, die verklaart in te stemmen met den grondslag van het congres.

(Eenige artikelen van het Antirevolutionair Program van beginselen). Het congres is verdeeld in drie sectiën :

Sectie I. De sociale quaestie van haar Christelijk religieuse zijde. Sectie II. De sociale quaestie van hare maatschappelijke zijde. Sectie III. De sociale quaestie van hare Staatkundige zijde.